40

40

Het veertigste nummer van Beelden ligt voor u. Hoe het er uit gaat zien weet ik nog niet als ik deze terugblik voor u schrijf. Het vorige nummer was mooi, dat weet ik wel. Een cover met een installatie van de Indiase Sheela Gowda, aan de orde in een beschouwing over Dokumenta 12 in Kassel. Dan een keur aan artikelen over Nederlandse zomertentoonstellingen, de Biënnale van Venetië, de grote sculptuur manifestatie in Münster, en het ‘Paleis van Projekten’ van Illya en Emilia Kabokov in het Zollverein in Essen. Daarnaast beschouwingen over netelige en interessante kwesties als opdrachtgeverschap en aankoopbeleid. Beelden is een kwaliteitsblad. Dat werd het niet in een oogwenk. Het was buffelen. Uithoudingsvermogen, inventiviteit en idealisme hebben de trekkers gebracht waar we nu zijn.

Door Ans van Berkum

1987

In 1986 had de Nederlandse Kring van Beeldhouwers een informatiebulletin, Vaknieuws geheten, dat goed te boek stond en een positieve recensie kreeg in BK-informatie, een blad voor de hele beroepsgroep. Waarom zou dat niet kunnen uitgroeien tot een blad waarin beeldhouwers en liefhebbers met elkaar in gesprek zijn over hun vakgebied?  Zomaar een gedachte. Henk van Bennekum, Tine van de Weyer en Harm de Grijs deelden die mening, en gingen aan de slag. Er verscheen een door Van Bennekum in elkaar geplakt voorbeeldnummer, waarmee zielen moesten worden gewonnen voor de gedachte, ook onder potentiële adverteerders. Het lukte.

Op het 0-nummer dat dan verschijnt, een vouwblad met het formaat van drie A4-tjes, staan advertenties van constructeurs, een bank, een transportbedrijf en winkels voor kunstenaarsmaterialen; kennissen van Henk van Bennekum, maar je moet ergens beginnen. Inhoudelijk wordt het nummer gedomineerd door een interview met Carel Visser door Nina Goerres. Dertig jaar na dato is het goed te lezen hoe de interviewster de kunstenaar aan de tand voelt over zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid en kritische vragen stelt over zijn manier van werken. Is die associatiever geworden sinds hij met gevonden materialen assembleert? vraagt zij. ‘Welnee’, zegt Visser: het beeld zit tevoren kant en klaar in mijn kop. Nonsens natuurlijk, dat kan helemaal niet als je loopt te jutten langs velden, wegen en werkplaatsen, en vervolgens iets gaat samenstellen dat de benaming beeld krijgt. Maar Visser wil de beeldhouwkunst niet tot een improvisatiespelletje degraderen en houdt de rug recht. Goerres volgt lijdzaam.

In nummer 1 neemt Ruudt Peters het stokje over met een interview met Cornelis Rogge. Deze ontvangt net als Visser dat jaar de David Röell prijs, waar hij vereerd mee is. Opmerkelijk te lezen hoe hij het belang van de prijs afmeet aan het belang van de commissieleden. Allen zulke integere mensen, vindt hij. Commissielid Rudy Oxenaar schaft wat oudere beeldjes van de kunstenaar aan voor het Kröller Müller waarvan hij directeur is. Dat vindt Rogge fijn. Niet omdat dit werk en ook de rest van zijn oeuvre dan door de museale context meer waard wordt, maar omdat het daar een ‘haven’ vindt, verhaalt hij. Als een productserie goed loopt, breekt hij de lijn af, vertelt hij ook. Het mag niet om de buitenkant gaan, niet om korte successcores. Er zijn machtstructuren in de beeldende kunst: “Sonsbeekachtige sferen” noemt hij ze. Als zijn beelden daarin opgenomen dreigen te raken, neemt hij ze uit het spel. Werken aan innerlijke kracht, dat is de opgave, betoogt Rogge.

Peters tekent het allemaal op. De onbewuste huichelachtigheid, verborgen in deze uitspraken, laat hij voor wat het is, waardoor natuurlijk de vraag rijst hoe de schrijver, in die jaren een jonge kunstenaar, er zelf over dacht.

Het zal nog een hele poos duren voor Beelden evolueert tot een kritisch blad waarin ook de auteur het achterste van zijn tong laat zien. Het verschijnen van de eerste reeks in vouwbladvorm zette zich voort tot 1990. Gastschrijvers als Jan Hein Sassen, Philip Peters, Marianne Brouwer, Gerard Lakke en Lambert Tegenbosch produceren mooie stukken. In 1988 zien we in het colofon voor het eerst de naam van John Blaak. Hij ontpopte zich uiteindelijk tot een van de drijvende krachten achter de inhoudelijke ontwikkeling en is nu al vele jaren hoofdredacteur. Henk van Bennekum, ook nooit meer weggegaan, deed en doet de vormgeving. Hij noemt Blaak ‘eigengereid’, maar voegt daaraan toe: “... en dat is heel prettig, want anders kwam het nooit voor elkaar.”  De vouwblad editie in zwart/wit heeft drie jaar bestaan, waarna een stilte optrad.  Het verzamelen van kopij bleek toch teveel te eisen van de betrokkenen.

1997

Pas in 1997, als Roel Teeuwen in beeld komt en de zakelijke kant oppakt, wordt het blad weer serieus op de rit gezet. “Het is toch zonde dat de Kring een dergelijk communicatiemedium ontbeert”, aldus Teeuwen: “Naar buiten toe zijn we nergens. Wie kent de Kring? De leden lopen zo allerlei kansen mis.” Een statement waarmee voor Beelden een duidelijke richtlijn wordt afgegeven. Met een aanloopbudget van f 9.000,-, overgehouden uit een ander project, zet de Stichting Thoe Swartzenberg, de werkmaatschappij van de Kring, het blad weer op de rails. John Blaak, intussen kunsthistoricus, gaat aan het roer staan, en er zijn direct al artikelen van Astrid Tanis, de auteur die nu nog altijd alerte, persoonlijke stukken schrijft, en de hele boekenrubriek voor haar rekening neemt. Het blad verschijnt in leporellovorm met een omvang van 12 pagina’s en gebruikt een steunkleur voor de cover, waarop ook steeds het redactioneel van Blaak staat afgedrukt boven een foto van een beeld. Een grondtoon, die nooit meer zal verklinken.

De pagina’s die volgen bevatten tentoonstellingsrecensies en portretten van kunstenaars. Beelden mengt zich in landelijk discussies, zoals die over het boek De gijzeling van de kunst door Riki Simons. Telkens wordt de positie van kunstenaars in de samenleving ondervraagd, meestal aan de hand van hun eigen reflecties. Prachtig is de strip The secret of my succes, van H.Hoogerbrugge. die de onderlinge jaloezie en  lafheid van de gemiddelde kunstenaar haarscherp schetst. Met de beschikbare middelen haalt Beelden het onderste uit de kan. En de Kring wordt bekender. Wint leden, omdat de kunstenaars beseffen hiermee werkelijk naar buiten te kunnen treden.

En het blad groeit. Roel Teeuwen had het in drie jaar tijd zelfbedruipend willen zien worden maar de ambities van de hoofdredacteur kostten geld. Telkens ging het bestuur van de Kring toch weer akkoord met zijn uitbreidingsvoorstellen, waardoor het punt van kostendekkend opereren pas na zes jaar werd bereikt.

Zo kregen we in 2001 een Beelden in A4 formaat, met een omvang van 16 pagina’s en een nietje in de rug. In 2002 volgde kleur op de voorkant. In 2003 werd het dikker, en in 2004 kregen we een groter formaat en een coverfoto die de voor en achterkant in zijn geheel omvat. Het beeld staat voorop in Beelden, dat is een duidelijk signaal; dat in feite ook in de leporello periode al werd afgegeven. Het beeld, dat vanuit een atelier gemaakt wordt, en dan een rol speelt in de bepaling of verbijzondering van stad of landschap. Vouw Beelden uit, en je ziet wat bedoeld wordt, met nummer 4#2004 – Steepele Chase van Cees Krijnen- als lichtend voorbeeld.

Blaak verdreef met die aanpak zelfs een adverteerder van de achterkant naar de binnenkant. En hij deed er goed aan. Net als aan de langzame overgang van zwart-wit naar een uitgave die volledig in kleur was gesteld.

Heden

Op dit moment wordt gewerkt met een omvang van 40 pagina’s, waarvan driekwart redactionele artikelen. Blaak stimuleert de kritische toon bij de schrijvers. Teeuwen heeft daar geen behoefte aan. Hij vormt zijn eigen mening bij zijn tentoonstellingsbezoeken en wil dan van Beelden graag meer informatie over de persoon van de kunstenaar en diens motieven. Blaak wenst zeer verschillende schrijversstemmen te laten horen. Een tentoonstelling georganiseerd door de Kring van Beeldhouwers kan altijd nog rekenen op zijn belangstelling, ook al is het blad daar intussen helemaal los van en wordt het nu door uitgeverij Smit van 1876 (Hengelo) uitgegeven.  

De oude verbinding is sterk. Het blad begon als een communicatiemiddel van de Kring. Maar daar liet het bestuur door wankelend beleid haar vruchten vallen. In 2004 moest Stichting Het Glazen Huis zich enige tijd over het blad ontfermen, om het daarna weer aan de Kring terug te geven. Maar wederom werd er bestuurlijk een potje van gemaakt. Vooral voor wat betreft het financiële beheer. Nu staat het dus al weer enige tijd los van de Kring.

Het blad brengt in Nederland de beeldhouwkunst in al zijn vitaliteit onder de aandacht met een uitgeverij als achtergrond. Dat is een belangrijke opgave, met of zonder een beroepsvereniging als motief en backing. Beelden doet het op een gedegen en krachtige wijze, met een reeks goede vaste auteurs. Laat ik Riet van der Linden en Antonie den Ridder hier even met name noemen. Een eigengereide, altijd in vrijheid opererende hoofdredacteur is hier goud waard. Onder zijn leiding worden schrijvers aangespoord tot onderzoek en reflectie. Maar hun formuleringen behouden de nuance. Chapeau dus, voor een grandioze ontwikkeling, die een beloning verdient in de vorm van ondersteuning uit landelijke subsidiepotten voor verdere professionalisering naar inhoud en vorm. Beelden is uitgegroeid toe een volwaardig blad, dat los van enige verenigingsverband een unieke plek inneemt in het Nederlandse landschap van de kunsttijdschriften.

Comments