Alexander Calder

Wie ontdekt wat?

Alexander Calder in Den Haag

Met zijn boek Het Disruptieve Museum heeft Arnaud Odding een discussie aangezwengeld, die niet beperkt blijft tot kringen van museummensen. Ik kwam ermee in aanraking op een receptie waar een conservator van het Bonnefanten Museum mij uitlegde dat in deze visie het museum zichzelf geen absolute autoriteit meer toekent. Het museum is geen ‘meneer’ meer, die één waarheid verkondigt. Het verstoort ingesleten opvattingen, ja het scheurt ze aan stukken en laat alle mogelijke interpretaties naast elkaar toe. Het betrekt het publiek, en geeft iedereen weer recht van spreken. Het disruptieve museum vormt een spiegel van de netwerkmaatschappij die we geworden zijn, waarin iedereen evenwaardig aan het woord is. Het helpt mensen zichzelf uit te drukken en bij te dragen aan het vak, lees je op internet. Charles Esche van het Van Abbe museum is er een warm adept van, net als Stijn Huijts, directeur van het museum in Maastricht, aldus mijn gesprekspartner. Klinkt goed, dacht ik.

Door Ans van Berkum 

Anders

Nu ik de expositie De Grote Ontdekking over het werk van Alexander Calder in het Haags Gemeentemuseum heb gezien, vraag ik me af waar directeur Benno Tempel van dit museum zichzelf positioneert tegen de achtergrond van deze discussie. Hij treedt in de tentoonstelling op als directeur, maar stapt ook in de rol van curator. In de catalogus stelt hij dat hij nu eens wat anders wilde maken dan het geijkte retrospectief. Hij koos er voor de fascinatie van Calder en Mondriaan voor elkaar centraal te stellen. Maar de tentoonstelling die we zien bestaat uit een dichtgetimmerd verhaal over Calders artistieke ontwikkeling, dat zich in nette hoofdstukken ontvouwt en waarin een cruciale rol is weggelegd voor Piet Mondriaan. Van hem kreeg Calder een beslissende duw in de richting van de abstractie. Een duw die zijn koers definitief zou verleggen en hem van een plaats in de geschiedenis van de moderne sculptuur zou verzekeren. Daarmee wordt indirect gezegd dat het verhaal van de ontwikkeling van de kunst om de wending naar de abstractie en het verlaten van de figuratie draait. Een punt waarbij je vraagtekens kunt plaatsen, zeker gezien het beeld dat de kunst ons vandaag de dag toont. Calder is een groot vernieuwer, lezen we. Een van de grondleggers van de moderne sculptuur; de man die met zijn abstracte mobiles de loop van de moderne sculptuur definitief heeft veranderd. Beweringen die moeilijk te onderbouwen zijn en dus in de lucht blijven hangen. Wat we in de tentoonstelling te zien krijgen is ook niet een verhaal over een gelijkwaardige verhouding met een wederkerige bevruchting tussen de twee kunstenaars. Calder kreeg een boost van Mondriaan, maar andersom gebeurt er niet veel. Mondriaan is ook in deze expositie weer de Haagse sterspeler die telkens weer ten tonele wordt gevoerd om één bepaalde visie op de kunstontwikkeling te bewijzen. Dat gebeurt terwijl we toch onderhand weten dat er velerlei lijnen naast elkaar hebben bestaan. 

Het museum ontpopt zich op deze manier, wellicht in weerwil van zijn intenties, als ouderwets ponerende autoriteit, gevangen in het keurslijf van die vorm van kunstgeschiedenis die alles aan elkaar plakt in een stijgende lijn van vernieuwende artistieke gebeurtenissen. Waarom moet Calder zo nodig  vernieuwend zijn? Als hij dat niet was, was hij dan minder leuk? Ik vraag het me af. Laten we nu eerst maar eens gaan kijken.

 

Bewegen, bewegen

Bij Calder (1898-1976) begint zijn kunstenaarsleven met ruw impressionistische schilderijen van nachtelijke straten en circuspistes. Hij is een kind van zijn tijd en probeert net als veel van zijn collega’s uitdrukking te geven aan het moderne levensgevoel vol dynamiek en toekomstverwachting. Daarbij tekent hij virtuoos, en maakt hij talloze beeldjes. Als kind knutselt hij al dingen in elkaar die mechanisch kunnen bewegen. In zijn ontwikkeling als kunstenaar lijkt hij daar dan heel natuurlijk op voort te borduren. Hij is handig in het maken van ruimtelijke tekeningen in koperdraad. Een op dat moment authentieke vinding, dat specifieke materiaalgebruik. Het verbindt het knutselen met de kunst. Calder toont zo en passant dat er niet zo heel veel verschil is tussen het een en het ander. Inspirerend.

Het fenomeen beweging krijgt Calder helemaal in zijn greep als hij zich, op het dek van een schip, bewust wordt van de enormiteit van het uitspansel en de eeuwig bewegende planeten. De figuren die hij met behulp een paar tangen maakt, zijn allemaal figuratief en trillen in de ruimte. Een stevige, mannelijke Hercules vecht met een leeuw, die sterke associaties oproept met een vrouwelijk wezen. Een kleine danseres balanceert elegant op één been. We zien verrassende portretten. Soms combineert hij het koperdraad met wat stukjes hout, stof of leer. Zo ontstaan een grappig aapje, een koe en een galopperend speelgoedpaard met ruiter op vier wielen. Geweldig is het Circus Calder, dat hij opvoeringen laat geven in zijn atelier voor een intieme kring van kennissen. Er is een film van gemaakt, die in de expositie wordt getoond. Een acrobaat van koperdraad heft zijn vrouwelijke partner de lucht in. Anderen slingeren aan de trapeze. Telkens komen nieuwe figuurtjes het toneel op. Een schaars geklede danseres laat haar billen wiegen. Een clown steekt een sigaret op en puft rookkringen uit. Dan blaast hij een ballon op tot die knapt. De kinderen die op de grond naar de film zitten kijken barsten in lachen uit.

Wilt u het hele artikel lezen, neem dan een abonnement, of vraag een proefnummer aan voor € 4,- via info@spabonneeservice.nl 

Alexander Calder. De grote ontdekking, 11 februari t/m 28 mei 2012, Gemeentemuseum, Den Haag

www.gemeentemuseum.nl

 

 



[1] Zie noot 52, p.23.

[2] Catalogus p. 5

Comments