Beeld Hal Werk

BEELD HAL WERK LAAT DOOR DE BOMEN HET BOS WEER ZIEN

Terwijl in het vernieuwde Stedelijk Museum bij de tentoonstelling ‘Taking Place’ de getoonde werken maximaal de ruimte krijgen, vormt ‘Beeld Hal Werk’ in Amsterdam Noord een exercitie in verdichting. De fabriekshal aan het IJ is volgepropt met beelden. Maar juist deze gewaagde tentoonstellingstactiek levert de bezoeker waardevolle inzichten op over het functioneren van het beeld in de ruimte.

Door Antonie den Ridder

Tentoonstellingsmakers Sohrab Bayat, Ad de Jong, Manuel Klappe en Wouter Klein Velderman zagen in de monumentale hal van De Overkant de mogelijkheid om een tentoonstelling te organiseren, waarbij zowel de nieuwe beeldhouwkunst als werken van gevestigde kunstenaars getoond worden. Het resultaat zijn ruim vijftig zeer uiteenlopende sculpturen. Ik vraag Manuel Klappe naar het idee achter de tentoonstelling, maar net als zijn medeorganisatoren toont hij zich terughoudend op dit punt. ‘We wilden gewoon graag een tentoonstelling maken met het werk van kunstenaars, die we bewonderen’. Wanneer ik stel, dat de specifieke wijze van exposeren suggereert, dat het concept van de hele tentoonstelling meer centraal lijkt te staan dan de autonome zeggingskracht van het individuele beeld, neemt hij daar vriendelijk doch ferm afstand van. “We zijn niet zo van de concepten”. Of zoals Bayat het formuleerde: “We hebben geen boodschap”.We mogen dit wellicht uitleggen als tegenzin om in woorden te vatten, wat de toeschouwer door eigen ondervinding vast zou kunnen stellen. Door tussen, om of onder de beelden door te lopen en waar te nemen, hoe de fysieke aanwezigheid van het ene beeld het andere beïnvloedt.

Opgelegde choreografie

En zo lopen we dus tussen de wachters van Tajiri onder de poort van Sachi Miyachi door.

Alwaar we met een abrupte zwenking kunnen voorkomen, dat we struikelen over de mammoet van Carel Visser.
Het wordt een vrije choreografie in een woud van beelden, wanneer we blijven cirkelen om de zwartglimmende energiebol van Jan van Munster.
Opgeschrikt door de gewelddadige heftigheid, waarmee de ventilator van Zoro Feigl een geplooid zeildoek laat wapperen, vluchten we het torenplatform op, dat uitzicht geeft over de hal. Dat hadden we misschien niet moeten doen.
Wat op ooghoogte structuur vertoont, is in vogelvlucht soms een chaos. Kijkend in de richting van de entree doet het totaaloverzicht nog rustig aan, maar verplaatst de blik zich naar het einde van de hal dan oogt het ronduit rommelig.
Bij terugkeer in lagere sferen ordent dit geheel zich weer en verplaatsen we ons verder als eilandhoppers in een kunstarchipel. De inrichting van de tentoonstelling is voor een groot deel verantwoordelijk voor de manier, waarop je de beelden ervaart. Grafisch ontwerper Bas Oudt heeft als inrichter de werken kriskras in de ruimte geplaatst. Elk staande op grondvlakken van zwart kunststof. Een eenvoudige oplossing met grote impact, want het helpt je als toeschouwer om de beelden te isoleren van de achtergrond.

De charme van een stockruimte

Het zou mooi zijn te kunnen zeggen, dat een krachtig beeld zich onder allerlei omstandigheden toch wel op eigen kracht kan handhaven. Maar dat valt helaas niet vol te houden. Het ene beeld is beter bestand tegen de opdringerige confrontatie van soortgenoten dan de andere. De zwarte energiebol van Jan van Munster schept een eigen universum en weet door de eenvoud van de vorm iedere aanslag te weerstaan. Wessel Couzijn krijgt zelfs extra glans. Hier valt pas goed op, hoezeer zijn werk bijna naadloos aansluit bij dat van de jongere generatie kunstenaars. Maartje Korstanje redt het ook met een, naar het amorfe neigende, organische beeldtaal, die scherp contrasteert met de hoekigheid van de fabriekshal. Andere beelden krijgen het zwaar voor hun kiezen. De installatie van Irene Fortuyn verpietert een beetje in de marge en ook de inbreng van Job Koelewijn komt in deze context niet echt tot zijn recht. ‘Dit is nu de Nederlandse beeldhouwkunst’staat er triomfantelijk op het affiche aan de wand. Daarbij moeten we geen geordend overzicht verwachten, maar een kijkje in de stockruimte van de beeldende kunst. Het is veelbetekenend in dit kader, dat juist dergelijke ruimten een sterk appèl doen op de nieuwsgierigheid van de toeschouwer. Meer dan bij een, tot in het detail uitgedachte en gemanipuleerde presentatie in een witgekalkte museumzaal, geeft een zoektocht in de stockruimte de toeschouwer de gelegenheid om zelf oordelen te vormen. Om de spanning van een persoonlijke ontdekking te beleven en op zijn minst de illusie van puurheid in de waarneming te kunnen koesteren.

Weerbaarheid van de kunstvorm


Misschien zouden we in een tijd, waarin de beeldende kunst tegenwind krijgt te verduren, wat meer afstand moeten nemen van het ‘Alles van waarde is kwetsbaar’-idee. Ons meer richten op de weerbare kant, het overlevingstalent van krachtige kunstuitingen. ‘Beeld Hal Werk’ laat zien, dat beelden weerbaarder zijn dan je denkt. Ook zonder de goedbedoelde bevoogding, waarbij we het beeld koesteren in de kunstmatige leegte tussen witgekalkte museummuren. Zonder het te plaatsen op een ideale plaats met de juiste lichtval en vooral ver weg van andere beelden, zodat het alleenheerser kan blijven in de eigen ruimte. ‘Beeld Hal Werk’ dwingt de toeschouwer om zijn afstandelijkheid op te geven en zich bijna letterlijk in de getoonde werken te storten. Maar weet daarnaast de verleidingkracht van de stockruimte effectief in te zetten. Dat doen de organisatoren met een mengeling van frisse brutaliteit en respect voor het beeld en zijn geschiedenis. Wanneer de boodschap, die de organisatoren met zoveel nadruk zeggen niet te hebben, bestaat uit het delen van de passie voor de Nederlandse beeldhouwkunst, kun je nu al spreken van een geslaagde tentoonstelling.

Beeld Hal Werk t/m 31 oktober, dagelijks van 11.00-19.00 uur.

Gedempte Hamerkanaal 85, bedrijventerrein ‘De Overkant’, Amsterdam Noord.

www.beeldhalwerk.nl