Beelden 4#2017

Beeldenmagazine 4#2017, jaargang 20, nr. 80

Redactioneel

In dit nummer veel aandacht voor kunstprijzen. Eja Siepman van den Berg kreeg op 23 september jl. de 10e Wilhelminaring, de landelijke oeuvreprijs die elke twee jaar wordt toegekend aan een vooraanstaande Nederlandse beeldhouwer, uitgereikt. Als beeldhouwer is zij verwant aan het gedachtegoed van Charlotte van Pallandt, destijds een van de weinige vrouwen die zich ferm staande hield in een door mannen gedomineerde beeldhouwwereld. De jury spreekt waardering uit voor de rol die Eja Siepman van den Berg heeft gespeeld in het doorzetten van de lijn van de figuratie. Juryvoorzitter Wim Pijbes roemde haar werk, haar aanpak en haar stijl: “Onverstoord, met een bekwaam vakmanschap is Siepman van den Berg, net als van Pallandt, altijd haar eigen koers blijven varen, wars van welke modegril dan ook. Haar toewijding is altijd bij het menselijk lichaam gebleven. Ze kiest steevast voor het lichaam van de jeugd en meestal het vrouwelijke. De gedecideerde houdingen van de beelden laten je vergeten dat het om lichamen gaat die nog volop aan het uitkristalliseren zijn. De gebaren zijn ingetogen, sober en beelden basale principes van de beeldhouwkunst uit.” Lees meer...

Verborgen schatten: het depot van de ING

Het externe depot van de bedrijfscollectie van de ING bevindt zich op een bedrijventerrein in het westen van het land. Het is een van de depots die de ING wereldwijd heeft en er staat relatief weinig kunst. Want het streven is om zo min mogelijk kunstwerken in depot te hebben en zoveel mogelijk onder te brengen op kantoren. Vanuit dit depot worden de transporten binnen en (soms ook) buiten Europa geregeld: het verpakken, transporteren en plaatsen in de ING-vestigingen in Nederland en andere landen. De totale collectie kunstwerken in Nederland en België telt zo’n 8.000 werken, een fractie van de 25.000 die er enkele jaren geleden nog waren. De werken die in depot blijven, zijn of te kwetsbaar om ergens te plaatsen of omdat ze gerestaureerd moeten worden. Astrid Wassenberg, hoofdconservator ING Art Management a.i., en Annelies Koldeweij, conservator ING Art Management en verantwoordelijk voor bruiklenen, ontvangen mij in een weinig inspirerende omgeving. “Rond 1974 is ING begonnen met het verzamelen van Nederlandse hedendaagse figuratieve kunst. Deze collectie gaf door de jaren heen een representatief overzicht van ontwikkelingen op het gebied van expressionistische, impressionistische en realistische figuratie. Het historisch beginpunt wordt gevormd door het Magisch Realisme, een Nederlandse stroming uit de jaren 20 en 30 van de 20ste eeuw met kunstenaars als Dick Ket, Pyke Koch, Wim Schuhmacher en Carel Willink. De oorspronkelijke motivatie voor het aanleggen van de collectie was het creëren van een prettig werkklimaat door middel van kunst op de werkvloer. In de loop der jaren is het verzamelen van kunst meerdere doeleinden gaan dienen. Tegenwoordig ligt de nadruk veel meer op hoe we ook met kunst de cultuur van innovatie en verandering binnen de muren van ING brengen en tegelijkertijd een platform kunnen bieden aan nieuwe kunstenaars die we willen helpen vooruit te komen in hun carrière. Het zijn vaak de jonge kunstenaars die echte frontrunners zijn, die een vooruitziende blik hebben, die nieuwe ideeën hebben. Door aankopen te doen van die experimentele frontrunners proberen we een cultuur van verandering en innovatie binnen te brengen bij ING.”

Cross-overs in de kunst: Johan Tahon Kunstenaars die de gebaande paden verlaten en het avontuur aangaan, ontwikkelen vaak spannende cross-overs. Door zich op een totaal ander medium te richten dan waartoe ze zijn opgeleid of een bijzondere mix aan media toe te passen, krijgt hun werk een nieuwe dimensie. In een ver verleden volgde Johan Tahon beeldhouwonderwijs aan de Academie voor Beeldende Kunst in Gent. Tegelijkertijd werden hem op diezelfde academie de fijne kneepjes van het keramistenvak bijgebracht. Uit die mix zijn fascinerende, eigentijdse beelden ontstaan, waarin het maakproces goed te zien is. Komend jaar heeft Tahon twee grote museale presentaties in ons land. Een vrijstaande boerderij uit de jaren dertig, voorbij Gent, dient als woonhuis, kantoor en atelier. Binnen staat een overvloed aan beelden: groteske mensfiguren in keramiek, een paar melancholische gipsen koppen op houten sokkels, en her en der een abstract bronzen beeld. Ik praat in zijn kantoor annex woonhuis met Johan Tahon. In de verte zien we de glooiende heuvels van de Vlaamse Ardennen. Lees meer… 

Eja Siepman van den Berg

In de dichtbundel Hora incerta uit 1993 van Jan Eijkelboom staat een gedicht ‘bij een beeld van Eja Siepman van den Berg’ met als titel Zigzag-tors waarvan de eerste strofe luidt:

De tors heeft het leven.
Al ontbreken het sturende hoofd
en de welsprekende leden,
om haar zij de schepper geloofd.

In dit gedicht is de essentie vervat van het werk van de beeldhouwster Eja Siepman van den Berg die 23 september jl. bekroond is met de tweejaarlijkse oeuvreprijs voor de beeldhouwkunst, de Wilhelminaring. Eja Siepman van den Berg is haar carrière van vijftig jaar lang onverstoord en consistent beeldend vakmanschap, niet met figuratie maar met abstract werk begonnen. Nog tijdens haar studie aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunst maakte zij in 1964 het bronzen beeld Bloktors, een kubistisch aandoende stapeling van vormen naar haar grote voorbeeld van toen (en nu) Constantin Brancusi. Een beeld van sterk gereduceerde figuratie dat als een architectonische sculptuur de ordening van het menselijk lichaam weergeeft. Ook al lijken haar latere glad gepolijste torso’s van meisjes en jongens distantie te nemen ten opzichte van dit vroege werk, toch komen zij uit dezelfde bron voort: die van methodische ritmiek en symmetrie. Want zie haar torso’s als constructies die als vrije vormen verwijzen naar strakke figuratie. Zie haar torso’s als weergaves van in brons, staal of marmer vervatte verhoudingen van lichaamsdelen ten opzichte van elkaar. En zie hoe het geheel balanceert, evenwicht bewaart en toch beweegt, het statische voorbij.

Het Vlot. Kunst is (niet) eenzaam

In Oostende hebben Jan Fabre en co-curator Joanna De Vos in het museum Mu.Zee, de Venetiaanse Gaanderijen, en andere minder bekende locaties in de stad de expositie Het Vlot. Kunst is (niet) eenzaam gemaakt. Wat waren de uitgangspunten en hoe hebben de exposanten die uitgewerkt? Het meest in het oog springende werk is een reusachtige mensfiguur in de vijver voor de Kursaal. De in een zwart gewaad met capuchon geklede figuur ligt op de buik in het water. Een drenkeling die het niet heeft gehaald. Een omhoog spartelend been is zijn laatste stuipstrekking. Deze sculptuur is de dramatische tegenhanger van de wulpse dame van George Grard die in de vijver aan het begin van de Leopold-II-laan permanent verleidelijk ligt te zijn. Het hoe en wat van de drenkeling wordt pas duidelijk in Mu.Zee. In een donker zaaltje liggen in een vitrine tekeningen uit de serie Black Mould van Michaël Borremans. We zien in zwarte gewaden geklede figuren met een kap over hun hoofd. Daardoor is onduidelijk of het gaat om mannen of vrouwen, en of ze jong of oud zijn. Ze voeren handelingen uit die doen denken aan inwijdingsrituelen van religieuze sektes, grensoverschrijdende handelingen die rieken naar seksueel misbruik en geweld. Borremans heeft zich laten inspireren door Francisco Goya. Die schilderde een klein meesterwerkje over kannibalisme, volgens Borremans een zeer precieze weergave van de menselijke conditie. We exploiteren de planeet en misbruiken elkaar om zelf te overleven. Als kunstenaar probeert hij de kijkers een spiegel voor te houden. In een tweede vitrine zien we een maquette van een van de vrouwelijke sekteleden die als een projectiel op het strand lijkt te zijn neergekomen, onderste boven. Rondom staan een paar piepkleine passanten die deze spectaculaire landing gadeslaan. Dit is een maquette van de reusachtige Rosa waarvoor Borremans een plek op het strand had uitgezocht. Kennelijk heeft hij zich bedacht want Rosa is niemand minder dan de drenkeling in de vijver voor de Kursaal. Een goede beslissing, want hier vormt Rosa de spectaculaire entree niet alleen tot Oostende, maar ook tot Het Vlot.

Floris Kaayk

Het is digitaal kunstenaar Floris Kaayk, die dit jaar de Witteveen+Bos-prijs voor Kunst+Techniek heeft gewonnen. Een opmerkelijke, maar zeer goed te verdedigen keuze van de jury. In de reeks eerdere prijswinnaars, waaronder Iris van Herpen, Geert Mul, Gerrit van Bakel en John Körmeling zou Kaayk in de hoedanigheid van digitaal kunstenaar als vreemde eend in de bijt kunnen worden gezien. Maar zowel zijn thematiek als mediagebruik maakt de uitverkiezing tot een logische keuze. De Witteveen+Bos-prijs voor Kunst+Techniek werd in 2001 ingesteld als een jaarlijks uit te reiken onderscheiding voor beeldend kunstenaars, die op een bijzondere manier de disciplines kunst en techniek wisten te verenigen. De prijs bestaat uit een geldbedrag, de uitgave van een publicatie in boekvorm en een presentatie van het oeuvre van de betreffende kunstenaar. De diversiteit in prijzen, die Floris Kaayk tot dusver heeft weten te verwerven, illustreert hoe moeilijk het is om hem onder te brengen in een hokje. De Volkskrant Beeldende Kunst Prijs naast een UK Music Video Award, een Edison Pop prijs naast een Gouden Kalf in de categorie Best Interactive. Hij ontvangt de Witteveen+Bos-prijs voor Kunst+Techniek voor zijn gehele oeuvre, hoewel Kaayk de eerste zal zijn om toe te geven, dat het bestaande oeuvre nog niet erg groot is. Hoe zou het ook kunnen? De projecten van Floris Kaayk zijn zonder uitzondering bijzonder arbeidsintensief en vergen enorm veel research. De toekenning van deze prijs voelt dan ook eerder aan als aanmoedigingsprijs, dan als terugblik op een gerijpt oeuvre.

Cristian Friedrich

Cristian Friedrich won de Cobra Kunstprijs Amstelveen en wordt geëerd met een tentoonstelling in het Cobra Museum. Kunstenaars die deze prijs krijgen, zijn verwant aan de geest van Cobra. Ze experimenteren, werken interdisciplinair en zijn radicaal. Friedrich zou, aldus de jury, ook ‘dicht op de pure underground opereren.’ Toch komt het werk erg intellectualistisch en kunstmatig over. Om greep te krijgen op zijn intenties moet je meer van de kunstenaar zien dan het werk in deze tentoonstelling. Tien werken dobberen in een grote witte zaal. Zes glazen voeten, drie langgerekte sculpturen met hersens in de top en de beenderen van voet tot heup daaraan bungelend. Elk heet Want. Het laatste werk is een geluidssculptuur. Het bestaat uit een kring van boxen met één grootbeeld scherm. De woorden van de titel Are You Warm? Did You Have Trouble Getting Here? Have They Treated You Well? lijken uit een totaal andere context geïmporteerd. Iets met een ontvangst door een zorgzame moeder bijvoorbeeld. De verbinding met het werk blijft cryptisch. Uit de boxen komt het geluid van een vallende druppel. Dan eens uit deze, dan eens uit die. Op het scherm zien we een gaatje waarin bij het vallen van de druppel wat licht opflikkert.

Maria Roosen
 

Wie glas zegt, zegt Maria Roosen. Deze kunstenaar heeft een indrukwekkend oeuvre opgebouwd en is vertegenwoordigd in tal van musea en collecties, nationaal en internationaal. Vanaf begin jaren negentig rees haar ster en in 1995 brak zij internationaal door toen ze, samen met Marlene Dumas en Marijke van Warmerdam, Nederland vertegenwoordigde op de Biënnale van Venetië. Nadien won ze in 2006 de prestigieuze Wilhelminaring voor beeldhouwkunst en in 2009 de Singerprijs voor kunstenaars middenin hun carrière. Omdat je het werk van Roosen vaak tegenkomt maar dan meestal in de vorm van één beeld in de openbare ruimte of in een groepstentoonstelling vond Kunsthal KAdE in Amersfoort het tijd voor een groot overzicht. De titel werd, heel toepasselijk: Vuur. Het vurige, energieke bepaalt niet alleen de uitstraling van haar werk, vuur is ook de basis om glas te doen ontstaan en te vormen en daarmee haar materiaal. Bij Maria Roosen smelten inhoud en vorm letterlijk samen. Roosen is een gepassioneerd verleidster. Want hoewel de tentoonstelling vol staat met bordjes dat het werk kwetsbaar is, zie je toch steeds mensen die het niet kunnen nalaten het werk even aan te raken, te strelen, te voelen. Vooral haar beelden en installaties met glas – ze gebruikt ook veel andere materialen – zijn voor sommige mensen onweerstaanbaar. Het zuivere van het materiaal, de intense kleuren en de vaak erotische vormen zijn daar samen verantwoordelijk voor.

Glass 4 Ever

In het Gorcums Museum is een tentoonstelling met glaskunst te zien. De bedoeling van de tentoonstellingsmakers is vooral om het publiek te laten kennismaken met de veelzijdigheid van glaskunst. Glasobjecten vind ik op hun mooist als licht en kleuren er in gevangen worden. Mijn ervaring is ook dat glaskunst kan afstoten, dat het kan uitmonden in ‘over de top’ barokke of juist harde glanzende objecten. Met enig voorbehoud ging ik op museumbezoek in Gorinchem en mijn vrees bleek deels terecht. Hoe kwam het dat ik Glass 4 Ever toch een verrassende en interessante tentoonstelling vond. Naast het glasblazen en glasgieten, kom je in de Gorcumse museumzalen minder bekende technieken tegen. De Oekraïense Natalya Vladychko bijvoorbeeld maakt werken van ‘pâte de verre’ oftewel glaspasta. Geïnspireerd door een oude met kant bewerkte zakdoek maakte zij vijf Mémoires, waarvan het materiaal eerder doet denken aan wit porselein dan aan glas. En de Nijmeegse Albert Hendriks beoefent de ‘flamework’ techniek, hij smelt glas met een brander tot uitgerekte, dunne draden. Zijn ragfijne, uiterst gedetailleerde kunstwerken vind ik fascinerend om naar te kijken: taferelen met een nostalgische draaimolen of een weelderige druivenoogst.

Het 6e Amsterdam Light Festival

Sinds jaar en dag zijn er in Europa lichtfestivals. Het Fête des Lumières te Lyon is het oudste festival dat jaarlijks rond 8 december plaatsvindt. Glow in Eindhoven heeft dit jaar voor de 12e keer plaatsgevonden. Daarnaast zijn er lichtfestivals in Portugal, Zweden, Finland, maar Gent moet even aangestipt worden. Het eerste lichtfestival in Gent in 2015 was adembenemend, en dat niet alleen vanwege de extreme koude. 640.000 bezoekers zagen die editie. Jaarlijks terugkerend bleek niet haalbaar, maar de tweede editie vindt in het laatste weekend van januari 2018 plaats. Het enige lichtfestival dat het mooist te ervaren valt vanaf een boot is het Amsterdam Light Festival. Voor de zesde keer viert Amsterdam in de wintermaanden dit lichtfestival. Dit jaar is het festival opgedeeld in twee delen, een water- en land- expositie met een rijke scharkering aan Nederlandse en internationale kunstenaars, ontwerpers en architecten die zich wagen op het terrein van lichtkunst. In een lang lint liggen, hangen 20 kunstwerken boven de wateren van het Oosterdok en de Herengracht of omarmen je begeleid door de rode draad Thinline dat letterlijk alle lichtelement met elkaar verbindt. Dit was een speciale opdracht aan de Chinese kunstenaar Ai Weiwei. Voor de wandelaars is er de landexpositie met 15 lichtkunstwerken op het Marine-terrein achter het Scheepsvaartmuseum. Lees meer…

William Kentridge 

In het St-Janshospitaal in Brugge is een selectie te zien van de werken van William Kentridge die hij de afgelopen dertig jaar maakte. Het betreft hier tekeningen, wandtapijten, beeldhouwwerken, film, dans en muziek. Het werk komt wonderwel tot haar recht in combinatie met dit Belgisch erfgoed. Het is al weer 20 jaar geleden dat ik tot mijn eigen verbazing op een overvolle Documenta X van 1997 de rust nam om een video voor een tweede keer te gaan bekijken. Het was mijn eerste kennismaking met het werk van Kentridge. Ik zag er de video Felix in Exile uit 1992. Deze editie van de Documenta betekende de internationale doorbraak voor Kentridge. Het zou niet verbazend moeten zijn om iets twee keer te bekijken. Je wilt natuurlijk niets missen als je een paar dagen op een van de locaties verblijft waar de curatoren je overvoeren met nieuwe ontdekkingen van over heel de wereld in ruil voor peperdure dagkaarten. Megatentoonstellingen vragen helaas haast van een toeschouwer met een beperkt budget. Kentridge bezocht de kunstacademie en studeerde daarna politicologie. Vervolgens reisde hij af naar Parijs om naar de theaterschool te gaan omdat hij eigenlijk acteur wilde worden. Al snel zag hij in dat acteertalent hem ontbrak en kunst werd de uit nood geboren tweede keus. Zijn studies die aanvankelijk een beetje als los zand aan elkaar hingen, kwamen samen in zijn sterk politiek geladen animaties. Zijn ouders waren blanke anti-apartheid advocaten in Zuid Afrika. De kunst van Kentridge kun je niet los zien van een politiek ethische opvoeding. Het geeft zijn werk een gelaagdheid die je kunt samenvatten in ‘art is feeling’. In Felix in Exile zie je een stervende man die zijn leven als blanke in Zuid Afrika aan het verwerken is. Je ziet nachtmerrieachtige beelden, achtervolgd door wat hij zag en wellicht zelf aanrichtte. Een dader verandert in slachtoffer als hij zijn eigen dominante positie overdenkt in een door apartheid gedomineerd land. 

Hetty Heyster

Onder de titel Lifeforce – Dier in beeld, Hetty Heyster & De Animalierkunst toont Museum Henriette Polak een overzicht van de diersculpturen, die Hetty Heyster vanaf 1972 tot op heden vervaardigd heeft. Eveneens tentoongestelde werken van bekende animaliers als Ewald Mataré en Rembrandt Bugatti vormen in dit verband zowel een vergelijkend als een historisch kader voor het specialisme in de beeldhouwkunst, dat zich richt op het realistisch weergeven van dieren. Het dier heeft, naast menselijke modellen, door alle tijden heen een uitdaging gevormd voor beeldend kunstenaars. Maar de interpretatie van het thema zwenkt breed uit over het hele gebied tussen allegorie en de realistische weergave. In de negentiende eeuw ontstond de term ‘Animalier’ als aanduiding voor de groep schilders en beeldhouwers, die het dier de hoofdrol gunden in hun oeuvre. Hetty Heyster is een van de bekendste animaliers in Nederland. Na een opleiding tot beeldhouwer aan de Rotterdamse Academie werd de dierentuin haar voornaamste werk- en studieterrein. En zoals de dierentuin in de loop van de geschiedenis veranderde van een exotische menagerie voor de aristocratische elite tot een attractiepark voor het brede publiek, zo is ook onze kijk op het dier veranderd. Opperde de Franse filosoof René Descartes nog de theorie, dat dieren niet meer waren dan mechanisch werkende automaten, in de huidige tijd leiden de onderzoeken van ethologen en biologen ons tot het inzicht, dat het dier veel dichter bij ons staat, dan we aanvankelijk meenden te weten. Heyster wil dan ook niet volstaan met het vormgeven van de uiterlijke verschijning in haar beelden. Ze tracht dieper te reiken en de levenskracht van het geportretteerde wezen tot expressie te brengen. Dat mag een beetje zweverig klinken, maar wanneer je ooit een kat van het ene moment op het andere ziet veranderen in een springveer op pootjes, stuiterend door de tuin om zo de samengebalde energie te kanaliseren, dan wordt het tot uitgangspunt nemen van de vitaliteit als verbindend element tussen onszelf en het dier geloofwaardig.

Recall sculpture

Wie een allegaartje wil zien van kleinsculpturen, is in het Braempavilioen hartje Middelheimpark aan het juiste adres. Sowieso ben je in het Middelheimpark/museum áltijd in het park to be, daar er in de wereld weinig (kunst)parken kunnen tippen aan dit Antwerpse nurture versus culture beeldenpark. Ik trok er naartoe zonder me te informeren, ideaal om de expositie met een open blik tegemoet te treden. Het valt me onmiddelijk op dat de sculpturen niet de hedendaagse beeldhouwkunst vertegenwoordigen en inderdaad, bij het nalezen van het informatiebord blijkt zoals gedacht dat de sculpturen vooral de periode 1950-1970 omvatten. Sculpturen tussen moderne, avant-garde en hedendaagse kunst, indertijd aangekocht na de biënnales die het Middelheim organiseerde door het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. Even een fijn wederzien dus na al die jaren voor deze kleinsculpturen, allemaal gecreëerd na het juk van de Tweede Wereldoorlog waar kunstenaars van alle nationaliteiten en stijlen graag de regels aan hun laars lapten. ‘Vrijheid ! Experiment !’ Dat was het motto. “Weg met de -ismen, dogma's of stromingen! Laat ons onze zin doen! Wég met de onderdrukking! Vrije artistieke meningsuiting zowel op vormelijk als inhoudelijk vlak!” En zo geschiedde. Diversiteit alom. Resultaat: eenheid is in deze expo ver te zoeken en onderlinge (kunst)relaties zijn er tussen deze 41 kleinsculpturen niet zo makkelijk uit te tekenen. Al zie je natuurlijk gelijklopende stillistische kenmerken.

Julio González

Wanneer de naam Julio González valt, herinneren veel mensen zich wel vaag dat hij met Picasso heeft samengewerkt, maar zijn eigen werk is hun nauwelijks bekend. Het Haags Gemeentemuseum dat zelf de beroemde Cactusman van González bezit, wijdt momenteel een fraaie tentoonstelling aan deze Catalaanse kunstenaar, die zich pas laat in zijn carrière ontwikkelde tot een belangrijke vernieuwer van de beeldhouwkunst. In samenwerking met het Instituto Valenciano de Arte Moderno (IVAM) dat de nalatenschap van González beheert, het Museo Nacional Centro del Arte Reina Sofia en met bruiklenen uit het Centre Pompidou en Musée Picasso, componeerde conservator Laura Stamps een overzicht van zijn totale oeuvre. Het is ironisch dat de beeldhouwer ondanks al deze aandacht, ook nu weer in de schaduw van zijn vriend en rivaal Picasso wordt gepresenteerd. Dit grote overzicht kent eigenlijk drie verhaallijnen: de ontwikkeling van González van siersmid en schilder tot de uitvinder van sculpturen van gelast ijzer; zijn artistieke vriendschappen en zijn stellingname in de Spaanse Burgeroorlog tegen het regime van Franco. Op cruciale momenten in zijn carrière kruist het pad van González dat van de iets jongere Picasso, terwijl ze ook jarenlang gebrouilleerd zijn geweest. Hun gedeelde verhaal doet me denken aan de Napolitaanse romans van Elena Ferrante. In haar romancyclus wordt glashelder uit de doeken gedaan dat het niet meevalt om een leven lang een ‘geniale vriend(in)’ te hebben. Ook González en Picasso komen niet los van elkaar: de successen van de één blijven verweven met die van de beroemde ander. En ook hier is het niet perse de meest begaafde die met de meeste eer gaat strijken, tenminste niet als we ons beperken tot de beeldhouwkunst alleen.

Jerry Kowalsky 

Tijdens een roadtrip van Venlo naar Budapest bedacht de meereizende vriend bij elke stad een nieuwe achternaam voor de als Jeroen Cremers geboren Limburger die hij Jerry noemde. De trip eindigde in Amsterdam en Cremers kreeg een tentoonstelling in New York aangeboden. Een keerpunt, de Limburgse jongen werd wereldreiziger en besloot dat de laatste naam die zijn vriend bedacht, zijn kunstenaarsnaam zou worden. Zo werd Jerry Kowalsky geboren. Daar hoorde een outfit bij bestaande uit een bolhoed, een maatpak en een donkere zonnebril. Waarmee de jonge kunstenaar in het voetspoor treedt van ene Joseph Beuys die steevast gekleed ging in een jeansbroek met een vissersjasje met talloze opgenaaide zakken en met als handelsmerk bij openbare optredens, de vilten Stetsonhoed. Ook David Bowie had zo zijn alterego Ziggy Stardust. In de roman The Strange Case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde wisselt het goede en het kwade in de mens per situatie van rol. Het alter ego biedt de ruimte van de camouflage om een ander gezicht te laten zien, om van aard en opzet te veranderen zonder dat het een het ander in de weg zit. Het alter ego is van alle tijden maar past natuurlijk naadloos in een tijd waarin nepnieuws de werkelijkheid over de knie legt. Want wat is waar? En met wie hebben we te maken? Het alter ego past in de politiek-geëngageerde kunst die Kowalsky/Cremers in deze eerste solotentoonstelling in zijn geboorte-omgeving laat zien en waarin geweld en conflicten een belangrijk thema vormen. Monumentale beelden in karton en series van kleine felgekleurde getourmenteerde  pasteltekeningen die in de verte naar Francis Bacon knipogen.

Ken’ichiro Taniguchi

De Japanse kunstenaar Ken’ichiro Taniguchi houdt zich al jaren bezig met het maken van afdrukken van kerven of deuken, zogenaamde hecomi’s. Hij voert ze vrijwel altijd uit in de kleur geel. Inmiddels is hij zover gevorderd dat hij hele installaties maakt, die op dit eenvoudige principe gebaseerd zijn. Voor de totstandkoming van zo’n hecomi gaat Taniguchi’s aandacht uit naar kerven en deuken in wand, vloer- of straatoppervlak. Beschadigingen die zijn ontstaan door natuurlijke krachten of gewoon door de tijd. In het begin - zo’n dertien jaar terug - hield ik tijdens zijn eerste tentoonstelling in Phoebus Rotterdam een voordracht over zijn werk. Taniguchi werkte in die dagen zijn ideeën nog op klein formaat uit. Nauwgezet en heel precies nam hij deuken en kerven over door met zijn vingers over het papier te wrijven. Daarna tekende hij de grillige vormen met potlood na. De getekende vormen werden vervolgens in geel vinyl uitgesneden en in kleine partjes verdeeld. Die losse deeltjes maakte hij daarna met behulp van minuscule brillenscharnieren weer aan elkaar, om zo de afzonderlijke deeltjes op verschillende wijzen naar binnen te kunnen vouwen en er telkens andere vormen mee te maken. Door het ineengevouwen object weer open te leggen, werd de oorspronkelijke plastische vorm opnieuw zichtbaar. Met deze poëtische, fragiele werkjes verwees Taniguchi impliciet naar de Japanse vouwkunst Origami.

1ste Biënnale Kunst in de Heilige Driehoek

Kunst en religie, hoe oud en hecht is de band tussen deze twee velden niet? Al heeft het Christelijke geloof hier en nu minder herkenbare vormen aangenomen, als inspiratiebron en onderstroom is het geenszins verdwenen. Een kunstbiënnale vanuit het bijna vergeten gebiedje bij Oosterhout dat bekend staat als de Heilige Driehoek, vestigt hier de aandacht op.  Drie aan elkaar grenzende, nog in gebruik zijnde abdijen stellen zich er letterlijk open voor hedendaagse kunst. Het programma dat de Stichting Kunst in de Heilige Driehoek heeft ontwikkeld ziet er aantrekkelijk uit. De organisatie heeft flinke ambities om het gebied te revitaliseren tot een internationaal centrum van hedendaagse, religieus geïnspireerde kunst ‘waar, in samenwerking met de drie kloosters, kunstacademies, conservatoria, scholen en musea alle ruimte is voor experiment, vernieuwing en educatie.’  Curator Guus van den Hout voormalig directeur van het Utrechtse museum het Catharijneconvent voor Christelijke kunst, lijkt hiervoor de aangewezen persoon. Voor deze start koos hij het thema ‘liefde’, terwijl voor de volgende edities dan ‘geloof’ en ‘hoop’ op het programma staan (1 Korinthe 13). In zijn inleiding noemt hij het zo populaire ‘ietsisme’ als teken van onze onstilbare honger naar spiritualiteit. “Voor sommige vragen kunnen we niet terecht in het laboratorium of de rekenkamer, het zijn de fundamentele vragen over leven en samenleven” aldus de curator. Hij kreeg uiteindelijk een budget van rond de half miljoen euro voor deze eerste biënnale waar 25 kunstenaars aan meedoen met in totaal 150 werken. 

Het atelier: Philippe Aguirre

Philip Aguirre is één van Belgiës bekendste beeldhouwers, daarom mogen we de Nederlanders een inkijk in zijn atelier zeker niet onthouden. Velen zullen zich misschien nog de opvallende sculptuur Fallen Dictator herinneren op de grootse sculpturenexpositie Vormidable op het Lange Voorhout in Den Haag. Niemand kon dan ook naast de sokkel met gevallen en afgebroken romp kijken. Dezer dagen pronkt de kunstenaar in de Antwerpse stadsexpositie Ecce Homo met nieuwe monumentale sculpturen in de tuin van het Tropisch instituut. We zien er klassiekere sculpturen zoals Vrouw draagt man in ontmoeting met abstracte 'totems'. Die tegenstelling klassiek-abstract vindt de kunstenaar een boeiend dialooggegeven. De Antwerpse beeldhouwer wil zich niet in een ‘vormen- of materialenvakje’ laten gieten. Aanvankelijk werkte hij in de 80-er jaren in een stijl der klassieken - verschillende sculpturen zou je een paar eeuwen oud hebben gegeven - in typische traditionele materie als gips, terracotta en brons. Veelal de mens uitbeeldend, later het landschap van zijn herinnering. De uitstapjes met zijn ouders naar het Middelheimbeeldenpark in Antwerpen is voor de kunstenaar dan ook een biografisch beginpunt. De 'modernen' sloegen op hem in - zie voor u: Rodin, Moore, Maillol en onze Belgische Wouters - en hebben hem nooit meer losgelaten. Tot op vandaag is een opvallend gegeven in zijn werk, zijn moderne en klassieke insteken in gesloten vormvolumes. Het klinkt contradictorisch, maar zijn klassieke beeldtaal is eigenlijk heel gedurfd. Het is een aspect waar hij bewust graag mee speelt en dat uitdraagt. Het hoeft voor de kunstenaar niet allemaal zo ondoorgrondelijk te zijn. Na de klassieke(re) exploitatie, stapte Aguirre over naar het werken met objects trouvés, maakte hij frisse assemblages, om dan eind jaren '90 terug zijn eerste liefde op te zoeken: de menselijke figuur. Maar nu de mens onderweg zijnde. Door zijn Baskische afkomst - die hij ook in zijn vormentaal niet kan negeren en blijft navleugelen in zijn werk - was hij al vroeg met de vluchtelingenproblematiek begaan. Engagement, humanisme en poëzie lopen in zijn werk hand in hand en enkele van Aguirre’s boegbeelden daarvan zijn ondermeer de Waterdrager en Matrassendrager. Sla er zijn boeken op na, of snuister op het internet om zijn veelzijdige sculpturenbeeldtaal te ontdekken. Volgens de kunstenaar himself is zijn inslag naast de klassieken eveneens conceptuele kunst, minimal, als popart en dada. Toch vind Aguirre het dogmatische van een –ismebeweging dodelijk voor de kunst. “Ik permiteer me om alles te gebruiken wat ik tegenkom. Ik hou me niet bezig met een stijl wat direct herkenbaar is als zijnde Philip Aguirre. Maar ik geloof erin dat dit product na verloop van tijd wel een duidelijk geheel zal zijn. Ik maak voor mezelf geen vastomlijnd werk, dat zou ik oersaai vinden.”

Tomás Saraceno 

De steden Hasselt en Genk werken, samen met Z33 Huis voor actuele kunst, aan wat De Unie Hasselt-Genk heet. Een kunstproject dat zich ontwikkelt tussen de twee Belgische centrumsteden. Een bijzonder geheel van projecten, kunstwerken en tijdelijke events die de twee steden, die zo’n 15 kilometer van elkaar af liggen, met elkaar moet verbinden. Het duidelijkst verbeeldt in een permanente beeldenroute, waaraan recentelijk Gravitational Waves van Tomás Saraceno is toegevoegd als zevende kunstwerk. Een werk midden in een bos van de Kattevennen, vlakbij de Cosmodrome, een basis voor een educatieve ontdekkingstocht langs planeten en sterren. Een locatie die, zo lijkt het, belangrijk was voor de kunstenaar aangezien deze zich niet in het gebied van de route tussen de steden bevindt maar ten noorden van Genk. Begrijpelijk als je bedenkt dat de ruimtefenomenen van de Cosmodrome ook herkenbaar zijn in het werk van Saraceno dat is geïnspireerd op wolkenformaties, neurale netwerken, sferen en spinnenwebben. Parkerend bij de Cosmodrome loop je het bos van de Kattevennen in, op zoek naar het werk, wat nog niet zo eenvoudig te vinden blijkt. Er staan meerdere werken in het bos, die niet bij de route horen en je krijgt niet echt een idee waar het werk zich bevindt, dus een dagje pracht cultuur en vooral dito natuur krijg je er zomaar bij cadeau. Na een tijdje ronddolen (laat me u de zomer hiervoor aanbevelen) ontdek je met wat mazzel kleine routepaaltjes die als tekentje een gestileerd spinnenweb hebben. 

Anish Kapoor

Op 16 september jl. is Sky Mirror van Anish Kapoor op het plein voor Museum De Pont in Tilburg onthuld. Het is misschien geen verrassing dat juist de Indisch-Britse Kapoor ter gelegenheid van het jubileum van dit museum de vlag buiten mag hangen. Hij en direkteur Hendrik Driessen kennen elkaar al ruim dertig jaar. Driessen heeft de artistieke carrière van Kapoor ruimhartig ondersteund door al vroeg werk van hem aan te kopen. De volledige naam van sluit een verwijzing naar Driessen in: (for Hendrik). De titel is naar zijn zeggen een ietwat ongemakkelijke eer voor Driessen die hoopt dat zijn naam langzaam zal oplossen in het werk. “De Pont heeft me altijd gesteund; dat is niet in geld uit te drukken”, vertelde Kapoor aan Rob Malasch in Het Parool. Een van de eerste werken van Kapoor die aangekocht werden was Descent into Limbo uit 1992 dat in een van de wolhokken permanent te zien is. Buiten voor de deur van het museum staat nu ook Sky Mirror. De twee werken, die de 25 jaren van De Pont omvatten, hebben meer gemeen dan je zou vermoeden. Het duidt zelfs binnen de beweeglijke en ook wispelturige wereld van de hedendaagse kunst op een mate van continuïteit. Sky Mirror is geen spiegel, maar een plaat van roestvrij staal. De plaat helt 6,5 meter hoog over naar achteren met een breedte van 2,5 meter. In de helling van de stalen plaat is ook nog een draai ten opzichte van de basis aangebracht. Volgens Driessen is de draaiing nader aan de 45 graden dan aan de 30 zoals beschreven staat. Bij Kapoor staan waarneming en feit altijd op gespannen voet. Het kostte vier man acht weken om de plaat te slijpen en te polijsten tot het glanzende en spiegelende oppervlak dat hemel en aarde weerkaatst. De achterkant is ruw en draagt nog krijtsporen van het maakproces. Behalve associaties met bijvoorbeeld een molenwiek, is Sky Mirror ook een verwijzing naar de Band van Mőbius. De Mőbius-band is een ontwerp uit de meetkunde en een uitvinding van de Duitse wiskundige August Ferdinand Mőbius. De band heeft één zijde en kan in twee richtingen draaien. Wanneer je over een volledige Mőbius-band zou kunnen voortbewegen, kom je aan alle zijden zonder een rand te passeren.

Nicolaas Dings

Deze zomer werd op een prominente plek in Nunspeet een nieuw beeld onthuld van Nicolaas Dings. Het stelt François Adriaan Molijn voor, een sleutelfiguur in de geschiedenis van het Veluwse dorp. Aan het eind van de 19de eeuw ontdekken de eerste kunstenaars het pittoreske Nunspeet. De ligging op het snijvlak van bos, hei en weiland, het authentieke karakter van de plaatselijke bevolking, hun schilderachtige behuizingen en de nabijheid van dromerige stadjes als Elburg en Harderwijk bieden veel potentiële onderwerpen om te verbeelden. De generaties kunstenaars volgen elkaar in rap tempo op. Het zijn voornamelijk schilders die werken in een (neo)impressionistische stijl. Nunspeet krijgt geleidelijk aan het imago van kunstenaarsdorp, al blijft het in de schaduw van verwante centra als Bergen en Laren. Tot voor kort was de aandacht voor het eigen artistieke verleden beperkt. Er werden wat wegen naar schilders vernoemd en er kwamen wat boeken uit. Wel bouwde de gemeente, min of meer ad hoc en zonder doelgericht verzamelbeleid, een aardige collectie op. Daarnaast kwam er een Vrije Academie waar aspirant-kunstenaars zich uit konden leven. Pas vrij recent zijn er actieve, doelgerichte stappen gezet om het imago van kunstenaarsdorp te versterken. Een mijlpaal is de oprichting van het Noord-Veluws Museum, gehuisvest in een fraai nieuw gebouw middenin het centrum. Het biedt plaats aan wisselexposities en aan een selectie van de gemeentelijke verzameling, die hier beter tot zijn recht komt dan vroeger in het gemeentehuis, en bovendien voor een breder publiek toegankelijk is door de openstelling in het weekend. Vrijwel tegelijkertijd werd Cultureel Centrum Veluvine gebouwd, waarin verschillende instanties zijn ondergebracht.

Femmy Otten

Het beeld And Life Is Over There is de jongste aanwinst van de bijzondere Beeldengalerij in het centrum van Den Haag: een jaarlijks uitdijende verzameling van driedimensionale kunst in de openbare ruimte. Met het androgyne naakt dat Femmy Otten voor de Kalvermarkt maakte, lijkt ze stelling te nemen in de actuele genderdiscussie, maar dat berust op een (gelukkig) toeval. Otten werkte in de stilte van haar atelier al vier jaar aan dit beeld. Het sluit wonderwel aan bij de tijdgeest, maar zegt vooral iets over haar eigen inclusieve mensbeeld. Femmy Otten is een succesvolle kunstenaar die zichzelf graag uitdaagt. Ze verwierf na haar studie een residentschap aan de Rijksakademie in Amsterdam en in 2013 won ze de Volkskrant Beeldende Kunstprijs. Weer een jaar later werd ze als één van de drie kunstenaars uitverkoren voor het statieportret van koning Willem-Alexander. Dat ze is gaan beeldhouwen is voor mensen die de ontwikkeling in haar werk gevolgd hebben geen verrassing: in haar schilderijen doken steeds vaker driedimensionale elementen op, waardoor het eigenlijk wandreliëfs werden. Haar autonome beelden vormen hierop een logisch vervolg. Ze maakt het zich in deze discipline bepaald niet gemakkelijk, want ze hakt haar figuren primair in lindehout. Het houten beeld And I began to forget where I came from uit 2014 is te beschouwen als een voorloper van haar eerste bronzen beeld in Den Haag. Werken met brons vindt ze enorm spannend, want door de ‘eeuwigheidswaarde’ van dit materiaal voelt ze zich gedwongen tot de hoogste perfectie. Lees meer...

Ontvang Beeldenmagazine ieder kwartaal bij u in de brievenbus. Een abonnement kost € 35,- per jaar. Het eerste jaar betaalt u maar € 25,-. Losse nummers € 9,25. S.P. Abonneeservice, Antwoordnummer 10016, 2400 VB Alphen a/d Rijn (een postzegel is niet nodig). Bel 088-1102034, of mail naar info@spabonneeservice.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Comments