Beeldengalerij

Galerij van beelden voltooid

Sinds ongeveer 1990 zie je in het Haagse centrum een groeiend aantal beelden op ovale sokkels staan. Niet zo groot, maar toch van voldoende formaat om boven het straatgewoel uit te steken. Twee lange rijen, op de kruisende assen van het Spui en de Grote Marktstraat. Een buitenexpositie, die een mooi beeld geeft van de diversiteit van ruimtelijke beeldende kunst in de afgelopen decennia. 

Door Ans van Berkum

Je kunt van beeld naar beeld lopen en het verhaal van de ontwikkelingen proberen te vatten. Je kijkt geboeid hoe de kunstenaars omgaan met het opgelegde formaat en het voetstuk dat altijd de basis moet vormen. Interessant, hoe de kunstenaars  binnen die knellende grenzen van sokkel en hoogte toch allemaal hun eigen identiteit vinden. Mooi ook om te zien, hoe deze galerij naar een idee van Peter Struycken in de praktijk werkt. De beelden worden gebruikt. Fietsen en mensen staan er tegenaan, blikjes en flesjes er op. Een man die aan rust toe is, zakt neer tegen een sokkel. Boven de hoofden van de passanten zie je steeds een ander springerig silhouet. Door hun plaats in de serie prikkelen de beelden de neiging om ze te vergelijken. De compacte opzet en de uniciteit van de aanpak vormen een verrijking voor Den Haag.

Binnenstadgoden

De expositie over de Beeldengalerij in het atrium van het Haagse Stadhuis verschafte een prettig overzicht van het geheel. Hier stonden de veertig modellen van de sokkelbeelden op ooghoogte opgesteld, op een kruisvormige houten stellage. De laatste twee objecten, van Ingrid Mol en Tony van de Vorst, zijn net onthuld. 

Wat Ingrid Mol deed, ligt in de lijn van de kunst die de omgeving bij het ontstaan van het beeld betrekt. Haar sculptuur moest speciaal voor kinderen leuk zijn, vond opdrachtgever Peter Struycken.[1] Daarom verzon Mol een verhaal over Binnenstadgoden, waarvan kinderen portretten gingen tekenen. Van de tekeningen maakte Mol een collage in drie dimensies, waarbij ze de vrijheid nam de kinderfantasieën te mixen. Het uiteindelijk in keramiek uitgevoerde beeld bestaat uit een rommelige stapel figuren, klein en groot door elkaar, in alle kleuren. Eén god kreeg het gezicht van een mobieltje. De benen van een moeder met baby zien er uit als vingers. Naast haar zit een Zwarte Piet in een joggingbroek. Bovenin domineert een boos rood gezicht, compleet uit proportie. Doet het er nog toe dat dit Binnenstadgoden zijn?
 
Kop noch staart
 

Je ziet vaak bij community art dat het proces interessanter is dan het beeldende resultaat. Misschien heeft Ingrid Mol zich geconcentreerd op het assembleren van haar zeer uiteenlopende materiaal en heeft ze daarnaast vooral aan kleur gedacht om de kinderen aan te spreken. Maar een beeld is ook vorm en moet over de kinderhoofden van vandaag heen boeiend kunnen blijven. Ik stap door naar het beeld van David Bade, even verderop. Bade staat bekend als een charismatische persoonlijkheid, die respect verdient voor wat hij doet voor de creatieve ontwikkeling en emancipatie van maatschappelijke groepen. Op Curaçao richtte hij een instituut op voor kunstprogramma’s, waaraan ook mensen met handicaps en achterstanden deelnemen. Het barst er van de creativiteit, maar wat je ziet heeft kop nog staart. Een zin die ook op Bade’s eigen werk van toepassing is. Van Bade zelf heb ik nog nooit een beeld of schilderij gezien waarin vorm een rol speelt. Het zijn haastige, lacherige beelden. Het spul en de thematieken die hij gebruikt, lijken altijd uiterst achteloos bij elkaar gekwakt. Wat toont hij hier? Een zwart geschilderd bronzen beeld van twee op elkaar staande Calimero figuren. Volgens de catalogus verwijst Bade hiermee naar het feit dat steeds meer mensen in onze samenleving zich de passieve slachtofferrol van Calimero aanmeten. Dat kun je stellen, maar is iets moeilijker te zien.

Tussensokkel

We gaan naar het beeld van Tom Puckey, die de laatste tijd adembenemend realistische beelden laat maken in marmer. Hier verbeeldt hij in brons de zelfgekozen dood van de machteloos aan het leven lijdende romanfiguur Eline Veere. Zij stamt uit het gelijknamige boek van Louis Couperus dat speelt in Den Haag, eind negentiende eeuw. De verbeelding van de laatste daad van Eline is clichématig, maar daardoor wel volstrekt duidelijk. Met één hand op haar borst gooit zij het stervende hoofd achterover. Maar waarom moet hier zo’n foeilelijke tussensokkel staan op de gegeven ovale basis van Geert Lap? Tony van de Vorst grijpt ook al naar dat middel. Haar Vriendinnenworden opgetild door een koperkleurige tussensokkel, die de indruk wekt dat het beeldje veel liever ergens op dat voetstuk in het gras had gestaan. 
Vriendinnenis een scherp geformuleerde verbeelding van de band tussen twee jonge vrouwen. Ze hebben hoofddoekjes om, want de opdracht van Struycken luidde: verbeeld een moslimvrouw, want er zijn er zo veel in Den Haag, terwijl je ze in de kunst nauwelijks ziet. Een leuke  opdracht voor Van de Vorst, die al zoveel krachtige portretten had gemaakt van vrouwen uit andere culturen. In Vriendinnenconcentreert ze zich vooral op de innige vriendschap tussen de meisjes. Ze heeft een voorwerp gevonden dat deze band perfect illustreert: een tablet waarop ze samen naar iets opmerkelijks kijken. Van de Vorst wisselt drie kleuren van plek in dit beeld. Blauw, kopergroen en wit. Het ene meisje heeft een blauw hoofddoekje en blauwe laarzen, het andere een groen hoofddoekje en groene laarzen. Het ene een wit vestje met blauw jurkje en het andere een wit jurkje met groen vestje. De kleuren wisselen tussen de meisjes, maar het geheel vormt een afgewogen en sympathieke symfonie van een mooie, vredevolle stemming. 
De Haagse PVV zag echter een ‘islamitisch gedrocht’ en vroeg de Raad:  “Wat doet dit vreselijke object van onderwerping en onderdrukking voor ons Stadhuis?” Uiteraard kreeg ze keurig antwoord, maar het is nogal wat om aannemelijk te maken dat dit beeld iets anders zou verbeelden dan intimiteit en vriendschap. Wie hier Islampropaganda in ziet, is er duidelijk alleen op uit de eigen standpunten te etaleren.
 
Goden en giganten

Wat opvalt in deze galerij van beelden is de moeilijkheid om voor de sokkel te moeten ontwerpen. Binnen het concept van Struycken is dat uitgangspunt logisch. Op deze manier schept hij samenhang in de verscheidenheid, die ongetwijfeld zou voortvloeien uit zijn uitgangspunt van elk jaar twee beelden toevoegen, en dat vele jaren lang. Een verscheidenheid, die in de stedelijke context van druk verkeer, bergen straatmeubilair, reclame, verkeersborden, fietsen, vuil en drommen passanten, gemakkelijk ten prooi zou kunnen vallen aan de visuele chaos die een woelige stad kan vormen. Struycken deed met zijn sokkels ook een gooi naar de museale status die de verzameling uiteindelijk, na veertig beelden, als vanzelf bemachtigde. Hier zien we de  beeldhouwkunst van de laatste 25 jaar aan ons oog voorbij trekken. Alle ‘namen’ zijn er bij. Weliswaar is zijn keuze nogal volgend en maakt hij weinig rebelse bewegingen, maar wat ontstond is een moderne galerij van Goden en Giganten, dwergen en misfits; spiegels van de opvattingen en trends van het moment. Ik zeg ‘volgend’, maar Struycken was met zijn opdrachten uiteraard ook weer trendsettend. Wie in deze rij geschaard wordt heeft al sporen verdiend, maar krijgt door de opdracht ook weer  een betere plek in de kunstwereld. 
Ook leuk is de enorme dosis humor van de beeldhouwkunst in Nederland in deze periode. Beeldhouwers zetten scherpe vraagtekens en relativeren met grappen en grollen. Kijk naar de Space Duck Racer van Hans van Bentem, naar Frog with Umbrellavan Karel Appel, dat refereert aan illustraties uit Beatrix Potters Peter Rabbit, en The he and the she and the is of it van Gijs Assman. Er zijn, zoals ik zei, beelden bij die de sokkel van Geert Lap proberen te ontkennen of te overstijgen. Anderen nemen die voor lief, terwijl hij absoluut niet nodig was voor hun beeld, zoals Maria Roosen ervoer. Er zijn ook kunstenaars die  een perfecte verhouding vinden tot het voetstuk en de gegeven maten en er juist op een prachtige manier op doorborduren, zoals Sigurdur Gudmundson en uiteindelijk ook Sonja Oudendijk, die een koker over de basis schuift, in een vorm en decoratie die treffend herinnert aan de hofnar.

Spreken

Elke deelnemer heeft binnen dit strakke concept een weg gevonden naar een weergave van het eigen unieke artistieke standpunt. Individualiteit staat in de ruimtelijke kunst van Nederland voorop. “Kunst heeft het vermogen om het ongewone in het gewone te laten zien, om de blik op de wereld te kantelen, gelaagdheid van de realiteit zichtbaar te maken, kortom: de vanzelfsprekendheid van de waarneming te ondermijnen. Kunst is hiermee een essentieel instrument voor de ontwikkeling van een kritisch bewustzijn van de burger”, schrijft Stroom in het kader van dit project op haar website. Het is heel wat, maar bij deze galerij kunnen bezoekers beeld voor beeld die stelling wegen. Veel werken slagen dan met vlag en wimpel.

Beelden van de BinnenstadAtrium Stadhuis Den Haag, 2 september t/m 3 oktober 2014, www.stroom.nl



[1]Beeldend kunstenaar Andé Kruysen is nu conservator en van de galerij en neemt de taak van Struycken over, die het concept bedacht en al die jaren de kunstenaars koos. Stroom heeft het complete project onder haar hoede en is het aangewezen communicatiekanaal.

 



Comments