Boeken

In ieder nummer van Beeldenmagazine bespreken wij zes tot acht boeken. Hieronder vindt u een selectie van de besproken boeken vanaf 2010.

Uit Beelden 1#2017

Marina Abramović

De memoires van Marina Abramović die werden opgetekend door de schrijver en journalist James Kaplan, worden geprezen omdat ze zo intiem en onthullend zouden zijn. Deze wereldberoemde kunstenaar is inderdaad openhartig in haar biografie. Marina Abramović verhaalt over haar knappe partizanenmoeder, die haar wel steunde in haar intellectuele ontwikkeling maar nooit eens zorgde voor een beetje gezelligheid, mooie kleren of een knuffel. Over de onzekerheid om haar uiterlijk, zelfs tot in haar volwassenheid maakte zij zich druk over haar ‘grote’ neus en hoe ze als kind werd opgesloten in een kast en daar met geesten praatte. Bovenzinnelijke ervaringen heeft Marina Abramović in haar leven veel gehad en het vergt moed hierover te praten omdat je al gauw voor gek versleten wordt. Openhartig dus. Tegelijkertijd is een biografie een reconstructie van de werkelijkheid en weet je dat Marina Abramović zelf nooit iets zal onthullen dat haar reputatie zou kunnen schaden. De beroemde performance op de Chinese muur (1988) wordt voorgesteld als een romantisch gebeuren: twee geliefden die elk aan één kant begonnen, om elkaar na een eenzame voettocht halverwege te ontmoeten voor een definitief afscheid. De werkelijkheid was helemaal niet romantisch, vertelt Abramović. Ten eerste waren zij en Ulay al een hele tijd uit elkaar, maar omdat het jaren gekost had om toestemming te krijgen van de Chinese autoriteiten, besloten ze het toch door te laten gaan en, in plaats van te trouwen wat het oorspronkelijke idee was, om van elkaar te scheiden. Onderweg werden ze voortdurend omringd door een horde soldaten van het Rode Leger. Ulay liep een vlak stuk van de muur en nam op gegeven moment een hotel waar hij op Marina wachtte. Zij had een moeizaam, bergachtig traject. Onderweg kwamen ze een berg tegen die Nooit Op Gestaan heette aangezien deze nog nooit door iemand was beklommen. Marina liet zich niet weerhouden en beklom als eerste de berg, waarna een majoor haar dapperheid prees. Wat Abramović doet, is een mythe doorprikken om daar meteen een nieuwe mythe - over zichzelf - aan toe te voegen. Desondanks blijft Marina Abramović een boeiende persoonlijkheid. Voor wie geïnteresseerd is in performances en de ‘Abramović-methode’ is deze biografie een waardevolle bron van informatie.

Walk Through Walls – Een memoir, Marina Abramović, James Kaplan, Nijgh & Van Ditmar, ISBN 978-90-3880-1957

Hieke Luik

De biomorfe beelden van Hieke Luik komen voort uit een zich toe-eigenen of het nabootsen van natuurlijke materialen. Zo maakt ze beelden die takken imiteren en waar ze vervolgens op doormodelleert. De vingerafdrukken van de kunstenaar zijn altijd duidelijk zichtbaar: de getuigen van haar zoekende handen die een idee willen vormgeven. In 2014 besloot Hieke Luik dat het tijd was om terug te blikken op wat zij de afgelopen decennia had gedaan en gemaakt. Ze zocht naar werken die ze nog eens of opnieuw wilde maken. Op bezoek bij de particuliere eigenaren ontdekte ze hoe haar beelden en tekeningen in hun leefomgeving ‘werken’ en wat de kunstwerken voor de huidige bezitters betekenen. In Hieke Luik Opnieuw/Reset is hiervan een fotoreportage opgenomen. Een tweede fotodeel toont dezelfde werken in Beelden aan Zee waar Hieke Luik een solopresentatie had (7 oktober 2016 – 12 februari 2017). In de Kleine Zaal en de aangrenzende patio waren aan elkaar gerelateerde beelden opgesteld zoals Stap en Adorant, beelden waar Luik in het midden van de jaren negentig aan werkte. Jan Teeuwisse vergelijkt in de inleiding van dit boek het oeuvre van Hieke Luik met een vingerplant; Laura van Grinsven verkent het werk in dialoog met de kunstenaar en noemde haar tekst: Mycellium en Vruchten. Het is duidelijk dat Luik’s beelden steeds weer doen denken aan de kracht en energie waarmee de natuur uitbot, tot wasdom komt en afsterft en dat haar oeuvre zich op vergelijkbare cyclische wijze herneemt en doorgroeit.

Hieke Luik /Opnieuw Reset, Laura van Grinsven, Hieke Luik, Jan Teeuwisse, ISBN 978-90-816074-0-7 

Wondertuinen

Ernst Veen, oud-museumdirecteur van de Nieuwe Kerk en Hermitage Amsterdam, raakte tijdens een bezoek aan Gibbs Farm in Nieuw-Zeeland onder de indruk van deze particuliere beeldentuin. Zakenman en multimiljonair Alan Gibbs transformeerde een stuk land van 400 hectare tot een geaccidenteerd weidelandschap met bomengroepen en meertjes: een perfecte omgeving voor een aantal indrukwekkende beelden die je maar één keer gezien hoeft te hebben om in je geheugen gegrift te worden. Zoals een stalen wand van Richard Serra die zich 257 meter door het landschap slingert of een gigantische rode trechter met twee hoornen van Anish Kapoor, steunend op een heuvelkam. Bij de totstandkoming van deze site-specific werken was Gibbs zeer nauw betrokken. De omvang van diens terrein en kunstwerken hebben haast mythische proporties, wat nog versterkt wordt door de vele exotische dieren die doodgemoedereerd tussen de abstracte kunstwerken lopen te grazen. Ernst Veen wilde zijn enthousiasme over Gibbs Farm met een breder publiek delen. Samen met vriend en oud-directeur van het Stedelijk Museum Gijs van Tuijl, fotograaf Paul Kramer en een kleine filmploeg ging hij terug en bezocht hij nog vijf andere bijzondere beeldentuinen in Europa en daarbuiten. Dit resulteerde in een serie documentaires voor de NTR (Tuinen van verwondering uitgezonden in november en december 2016) en dit boek. De stichters van deze ‘wondertuinen’ zijn stuk voor stuk gedreven persoonlijkheden die zich vaak maatschappelijk verantwoordelijk voelen. Bernardo Paz van Inhotim in Brazilië, een unieke combinatie van botanische tuinen en hedendaagse kunst, heeft zijn vermogen verdiend in de ijzererts. Ongeveer duizend mensen werken op zijn landgoed. Dit zijn mensen uit de regio die, nu de ijzerertsmijnen zijn uitgeput, anders werkloos zouden zijn. Of Christian Ringenes die in Oslo het Ekebergpark inrichtte met krachtige vrouwelijke beelden, als tegenhanger van het masculiene Vigelandpark verderop. Aangezien de kans klein is dat je tijdens jouw leven al deze tuinen zal bezoeken, is het fijn dat dit boek is verschenen. De tekst van Van Tuijl en de prachtige foto’s van Kramer brengen de ervaring dichtbij.

Wondertuinen / de mooiste beeldentuinen van de wereld, Gijs van Tuijl, Waanders Uitgevers, ISBN 978-94-6262-109-1 

Uit Beelden 4#2016

De kunst van het observeren

De belangrijkste vraag die je in je leven kunt stellen, is de vraag: wat is belangrijk? Want voor je het weet, sta je de kruimels op het aanrecht te tellen, in plaats van aandacht te besteden aan je geliefde, te werken aan een recensie, boek, promotie of iets anders dat er toe doet. In sommige beroepsgroepen is er geen tijd om over prioriteiten te contempleren. Brandweerlieden, politieagenten en hulpverleners moeten in een split-second beslissen wat urgent is. Levens staan vaak op het spel. Wat in moeilijke omstandigheden helpt, is dat je objectief en zonder vooroordelen kunt observeren. De Amerikaanse advocate en kunsthistorica Amy E. Herman ontwikkelde een training The Art of Perception, waarbij het kijken naar kunst het uitgangspunt was. Door bijvoorbeeld aandachtig te kijken naar de Waterlelies van Monet kunnen deelnemers leren strategisch en kritisch te denken, betere besluiten te nemen en empathisch te zijn. Studenten geneeskunde, FBI-agenten en anderen hebben er al baat bij gehad. Aangezien het voor iedereen van belang is om goed te kunnen observeren en daarover te communiceren, is haar training in boekvorm verschenen. Herman spoort de lezer aan om nog beter te kijken: wat zijn opvallende details? Of wat ontbreekt er juist in een kunstwerk: wat weten we niet? Ik vond het een interessante ‘hometraining’. Jammer dat de kunstwerken erg klein en donker zijn afgedrukt. Details ontgaan je omdat je ze eenvoudigweg niet kúnt zien. Tijd dus om op pad te gaan naar de echte kunstwerken. 

De kunst van het observeren. Scherper denken door aandachtig kijken, Amy E. Herman, Atlas Contact, ISBN 978-90-4502-8309

Doorkijken

Kunsthistoricus Merel Bem ervaart dat beeldende kunst heel troostrijk en bruikbaar kan zijn in het dagelijks leven. In haar hoofd draagt ze een hele verzameling kunstwerken met zich mee. Doet er zich iets voor, iets problematisch of ongemakkelijks, dan kan zij haar visuele geheugen aanspreken. Dat gaat bewust (nú heb ik een kunstwerk nodig, denkt Merel Bem als ze op de tennisbaan voor de zoveelste keer in het net slaat) of onbewust: opeens popt er een kunstwerk tevoorschijn waarin een gebeurtenis gespiegeld wordt. Een van de mooiste verhalen van deze bundel vind ik Markering van de tijd. Zoals zoveel mensen heeft Merel Bem op de zaterdag een aantal vaste rituelen. Dan gaat ze naar de markt en bestelt ze bij dezelfde kraam elke week dezelfde noten: “Graag vijfhonderd gram gemengd ongezouten en driehonderd gram macademia’s, ook ongezouten.” Soms geneert Merel Bem zich een beetje voor deze standaardzin, maar dan denkt ze aan On Kawara, de Japanse datumschilder die geen enkele dag onopgemerkt voorbij laat gaan. Elke zaterdag is een zaterdag die nooit meer terugkomt, realiseert ze zich. En dan bestelt ze weer langzaam en bewust haar gebruikelijke noten. Aan de bruikbaarheid van kunst lijkt wel een grens te zitten. Als haar zoontje per ongeluk een vriendje heeft verwond, laat ze hem kijken naar Der Lauf der Dinge, de film over de kettingreactie-performance van het kunstenaarsduo Fischli en Weiss. Wat Merel Bem haar zoon wil leren, is dat iets kleins kan exploderen; dat je niet altijd kunt voorspellen wat er gaat gebeuren en dat je daarom altijd na moet denken voor je iets doet. Nu haalde haar zoontje zijn schouders op, maar ja hij is zes en wie weet herinnert hij zich over een paar jaar wel wat zijn moeder illustreerde. “Kunstwerken zijn geen tutorials voor het leiden van een zorgeloos leven”, beseft Merel Bem. “Maar wie geduldig dóórkijkt merkt dat de blik kan kantelen.” Haar persoonlijke verhalen laten zien dat bij voortdurende betrokkenheid de ervaringen van kunst en leven elkaar over en weer kunnen versterken.

Doorkijken. Kunst voor het dagelijks leven, Merel Bem, De Bezige Bij, ISBN 978-90-2349-9541

Joost Zwagerman

Precies een jaar geleden schreef ik een recensie over Joost Zwagermans essaybundel De Stilte van het Licht (Beelden 4#2015). Hierin verhaalde de schrijver over allerlei vormen van stilte en verdwijnen in de kunsten die hem gevoelens van schoonheid of onbehagen bezorgden. Het boek was vlak na zijn zelfverkozen dood uitgekomen en ik kon de essays niet lezen zonder hier aan te denken. Aan hoe hij de ultieme stilte had opgezocht en voorgoed in zijn eigen werk was verdwenen. Deze bundel bleek nog niet de laatste postume uitgave te zijn. De gedichtenbundel Wakend over God volgde; en nu deze publicatie, geënt op de tentoonstelling Silence out Loud die van 15 december tot en met 12 juni 2016 in Museum Kranenburgh te zien was en waarvan Zwagerman de curator was. Ook deze tentoonstelling ging over Zwagermans zoektocht naar stilte: “Hoe kun je die stilte echt ervaren in een wereld waar de stilte steeds zeldzamer lijkt te worden?” Vanzelfsprekend wendde Zwagerman zich als kunstminnaar voor dit heil tot de beeldende kunst, want de stilte is daar bij uitstek een thema. Voor de tentoonstelling selecteerde hij kunstwerken van vooral twintigste-eeuwse kunstenaars uit Nederland en België (o.a. Tjebbe Beekman, Rob Sweere, Thierry de Cordier en Luc Tuymans), kunstenaars die “de broosheid en de stilte proberen te verbeelden.” De keuze van Joost Zwagerman is geen catalogus in strikte zin, want lang niet alle kunstenaars en kunstwerken zijn erin opgenomen. Het volgt wel de indeling van de tentoonstelling, de verschillende soorten van stilte die Joost Zwagerman onderscheidde, als stilte onder water, religieuze stilte en landschappelijke stilte. Elk hoofdstuk begint met een vaak ontroerend mooie tekst van Zwagerman. Ook zijn er verhalen over ontmoetingen met de schrijver. Die schetsen een beeld van een man die ongeduldig was, in alles haast had, maar die wel de tijd nam voor discussies en intense correspondentie. Zeer snel en zonder aarzelen maakte Zwagerman zijn keuzes in de kunstwerken. Feilloos voelde hij aan wat belangrijk was.

De keuze van Joost Zwagerman / Ode aan de Kunst, Maria Barnas, Yvonne Twisk, Joost Zwagerman e.a., Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum, Uitgeverij Terra Lannoo, ISBN 978-90-8989-7138

Uit Beelden 3#2016

Beelden. Stadsverfraaiing in Rotterdam sinds 1940

In het vorige nummer besteedde ik al kort aandacht aan dit boek over de beelden in Rotterdam. Mijn recensie schreef ik op basis van een digitaal inkijkexemplaar, het boek was nog net niet verschenen.  Nu de uitgave er is op papier, een lijvig exemplaar met prachtige foto’s en verhalen over hoe deze stad haar kunstwerken in de openbare ruimte wist te verwerven, sta ik er graag nogmaals bij stil.

Op de cover zien we een foto van jonge mensen bij de trappen van de Leuvehaven. De dames liggen te genieten in de zon, hun rokken zijn over de knie, het zijn de jaren vijftig. De Verwoeste Stad, het monumentale beeld van Ossip Zadkine, dat er in 1953 een plek kreeg, wordt geflankeerd door nog jonge bomen. Op de cover achterop staat Santa Claus van Paul McCarthy. Een beeld dat in 2001 werd aangekocht door de gemeente Rotterdam en na veel heibel en gedoe pas in 2008 haar definitieve standplaats kreeg aan het Eendrachtsplein. Hoewel de beelden uit totaal verschillende tijdperken komen, de een volle ernst uitdrukt en de ander complete ironie, zijn er wel duidelijke paralellen. Het zijn kunstwerken van internationaal vermaarde kunstenaars, die de stad niet zonder slag of stoot in haar midden accepteerde, maar die uiteindelijk een onmisbaar onderdeel zijn geworden van Rotterdam. Dat deze en andere kunstwerken er kwamen, is te danken aan enkele pioniers, geëngageerde pleitbezorgers van beeldende kunst. Dat waren ambtenaren, maar ook particulieren onder wie bankiers en ondernemers. Auteur Siebe Thissen besteedt in zijn boek wel enige aandacht aan het werk van gemeentelijke commissies en de percentageregeling, maar gaat voorbij aan ingewikkelde ambtelijke procedures. De eigenzinnige kunstpromotors en de kunstenaars zijn de hoofdfiguren in zijn met smaak vertelde verhalen.

Ongeveer duizend beelden telt Rotterdam driekwart eeuw na het bombardement. Een aanzienlijk deel is van hoge kwaliteit en deze internationale collectie begon met ‘de grote drie’: Ossip Zadkine, Naum Gabo en Henry Moore. Het eerste beeld was een geschenk van de Bijenkorf. Directeur Gerard van der Wal had zijn bedrijf door de oorlog heen geloodst toen haar eigenaren, de joodse broers Goudsmit, in het buitenland verbleven. Na de oorlog wilde de Bijenkorf-directie een gebaar maken naar haar personeel dat erg geleden had in oorlogstijd. Kunstliefhebber Van der Wal was eerder in het Stedelijk Museum onder de indruk geraakt van Monument voor een verwoeste stad. “Kijk”, had diens vriend en museumdirecteur Willem Sandberg gezegd, wijzend op het gipsmodel van Zadkine, “dat zou nu iets voor Rotterdam zijn.” Het duurde nog jaren van polemiek en discussie voordat het oorlogsmonument werkelijk geplaatst werd. Voor het constructivistische kunstwerk van Naum Gabo bij de nieuwe Bijenkorf-vestiging aan de Coolsingel, was Van der Wal eveneens initiatiefnemer. Dit open, speelse kunstwerk wees vooruit, naar de toekomst. Wall Relief No 1 van Henry Moore belichaamde bij uitstek de wederopbouw. Het werd gefinancierd door De Nederlandse Baksteenindustrie onder voorzitterschap van Otto Huisman. Voor baksteenfabrikanten was het een lucratieve tijd, met Rotterdam als grootste afnemer en Huisman was ‘de baksteenkoning’. Het muurreliëf aan het Weena, vijf opbollende organische vormen in een vlak van 19 bij 9 meter, werd uitgevoerd naar Moore’s ontwerp. Het was een abolute meesterproef voor de metselaars die het maakten.

Al in de jaren vijftig, met ‘de grote drie’ op zak, drong het besef door dat men in Rotterdam iets bijzonders bezat. In de loop der jaren werden nog meer autonome beelden van internationale kunstenaars aangekocht, als L’homme qui marche van Auguste Rodin (1961), La Grande Musicienne van Henri Laurens (1963) en Liggende figuur van Fritz Wotruba (1971). De commissie Stadsverfraaiing vond in de jaren negentig dat afzonderlijke beelden wel een esthetische oppepper konden gebruiken. Toen Rotterdam in 2001 Culturele Hoofdstad van Europa zou worden, heeft men de kades van de Westersingel omgevormd tot beeldenpark. Vanaf het Centraal Station ligt nu de zogenaamde ‘Culturele As’ die het muziek- en congrescentrum De Doelen", de Rotterdamse Schouwburg, Museum Boijmans, het Nieuwe Instituut ( voorheen het Nederlands Architectuur instituut) en de Witte de Withstraat met elkaar verbindt. Op de terrassen langs de kades staan de beelden van Rodin, Laurens, Wotruba en anderen opgesteld. Carel Visser maakte speciaal voor deze rode loper zijn Moeder en Kind.

Natuurlijk is het verhaal nog lang niet af. Nationale en internationale kunstenaars als Atelier Van Lieshout, Chris Evans en Elmgreen & Dragset, blijven de buitenbeeldencollectie versterken en zoals altijd is Rotterdam wel in voor een rel. Een proefopstelling van Kissing Earth van Olafur Eliasson voor het nieuwe Centraal Station maakte weer de tongen los. Het College van B&W verwachtte dat het kunstwerk in de loop van 2016-2017 opgeleverd zou worden, maar krijgt de financiën niet rond. Heel erg is dat niet, want aan het de grote lege ruimte voor het station was men in Rotterdam stiekem al gehecht geraakt. De vraag is nu niet óf maar wanneer het volgende spraakmakende kunstwerk zich aandient. “Blijf met je rotpoten van onze rotkunst af”, roept de Rotterdammer dan en sluit het nieuwe beeld weer in zijn hart.

Beelden. Stadsverfraaiing in Rotterdam sinds 1940, Siebe Thissen, JAPSAM Books, ISBN 978 94 90322 62 5

Rome’dam / een avontuur met Rotterdamse beelden

In deze ‘grafic novel’ van Giz La Rivière komen een paar dingen samen die het werk van deze kunstenaar typeren: ‘Rotterdamkunde’, verzamelwoede en een heel eigen gevoel voor humor. La Rivière bestudeert zijn geliefde stad, een stad die nooit af is, al zijn leven lang. Hij is gefascineerd door alle veranderingen op stedenbouwkundig gebied en is daar vaak kritisch op. Voor Rome’dam haalde de kunstenaar honderden foto’s van beeldende kunst, monumenten en gebouwen uit archieven en reeg deze afbeeldingen op een associatieve manier aan elkaar. In tekstballonnen over de afbeeldingen heen wordt er met horten en stoten een verhaal verteld. Poëtische zinnen en (flauwe) grappen wisselen elkaar af: Kom maar hier op mij rusten/ of hiero!/ en zwem weg als een vis in je dromen/ waar tranen parels kunnen worden/ waar tragedies kunnen leiden naar vormen/ die op hun beurt weer kunnen leiden/ tot alles wat je wilt. In kleine tekstballonnen geven de beelden, als ware ze levende wezens, commentaar op wat gezegd wordt en op elkaar. Daarnaast heeft het boek een informatieve kant: onderaan de pagina’s is er van alles te lezen over verplaatste en verdwenen beelden en gebouwen. Je hoeft niet helemaal naar Rome af te reizen om een stad vol rijkdom te zien, wil Giz La Rivière met dit boek laten zien. “Als je de stad als een stripverhaal ziet, dan besef je hoe gaaf het is om hier te mogen leven en wonen.”

Rome’dam / een avontuur met Rotterdamse beelden, Gyz La Rivière, Trichis , ISBN 978 94 920 7749 3 

Het wonder dat niet omvalt 

Ernest van der Kwast is al ruim vijf jaar talkshowhost van Rotterdam Late Night. Tijdens deze avonden in WORM (Instituut voor Avantgardistische Recreatie) zijn er interviews, muzikale optredens, korte films, en mini-hoorcolleges. De meest uiteenlopende Rotterdammers heeft Van der Kwast te gast in zijn veelbezochte show. Deze week staan een poppenspeler, de artistiek leider van het RO theater, een stadsverslaggever en een conservator annex fossielenkenner op het programma. De Rotterdamse post-punkhelden Spasmodique brengen live-muziek. Met een vrolijke waarschuwing vooraf: “verwacht zware donkere gitaarmuziek en teksten vol wanhoop, hartstocht, onmacht en andere zielepijn.” Wat de gasten van de Rotterdam Late Night shows gemeen hebben, behalve hun woonplaats, is dat ze met hun persoonlijkheid en met wat ze doen, kleur geven aan de stad. Ernest van der Kwast schreef over zijn gasten een kort verhaal en deze zijn nu gebundeld in Het wonder dat niet omvalt. Tegelijk met het verschijnen van dit boek opent in Museum Rotterdam de tentoonstelling Ode aan de Rotterdammer met ‘wonderlijke voorwerpen en iconische foto’s’ van Aad Hoogendoorn’.

Een vuistvol verhalen, zoals Het hout van vlees en Niets blijft wit, gaat over beeldend kunstenaars. Van der Kwast zocht de kunstenaars Ron van der Ende en Renie Spoelstra op in hun ateliers. Van der Ende is bekend van zijn basreliëfs; trompe-l’oeils van o.a. auto’s en scheepsrompen die hij opbouwt uit laagjes verlijmd hout, tweedehands geschilderd hout dat ‘karakter moet hebben’. ‘Het hout van vlees’ slaat op Ribeye, een kunstwerk dat in het vermaarde restaurant Gennaro hangt, op Amsterdam Avenue in New York. Van der Ende maakte het van een rode vloer waar tapijt met tape op was bevestigd. Dat zijn werk in deze setting niet per se als kunst gezien wordt, daar maalt deze kunstenaar niet om. “Ook leken moeten het kunnen begrijpen en mooi kunnen vinden.” Ron van der Ende “praat met liefde over het fineer dat door zijn handen gaat” en “vertelt dat het in de winter zo koud kan worden in zijn werkplaats dat de houtlijm niet werkt. Hij stapt dan over op vissenlijm, die hij in een pannetje warm moet houden. Ook bij min zeven werkt hij door aan zijn sculpturen. Eén vingertopje heeft hij moeten opofferen aan de zaagmachine.” Kunstenares Renie Spoelstra heeft ook iets met haar handen. “Haar nagels zijn altijd gelakt, omdat ze niet meer schoon te krijgen zijn.” Spoelstra werkt uitsluitend met houtskool en dat gaat overal in zitten. Ook in haar poriën. “Daarom bezoekt ze om de zes weken de schoonheidsspecialist, die denkt dat ze een uitzonderlijke probleemhuid heeft. Niets blijft wit in haar werk. “Zelfs als ik het zou willen; er dwarrelt van alles over het papier.” “Telkens maakt ze haar vloer schoon en één keer per jaar krijgt haar atelier een schilderbeurt. “Maar het zwart komt altijd terug.”

De grote passie die mensen hebben voor hun werk, daar gaat het vaak om in de verhalen van Ernest van der Kwast. Om idealen en dromen die in moeilijke omstandigheden, vaak tegen de klippen op, verwezenlijkt worden. Zo komt onze schrijver ene Bob Smit in één weekend driemaal tegen. Op vrijdagavond in café De Schouw in de Witte de Withstraat waar hij glazen ophaalt en de volgende dag in Lof der Zoetheid aan het Noordplein waar hij de afwas doet. Op zondag ziet hij Bob Smit in diens eigen galerie Bob Smit. Smit promoot onder andere het werk van Olaf Mooij. Om zijn torenhoge galeriehuur te kunnen betalen, werkt hij zo keihard in de horeca. “Ik heb alles over voor de kunst’ zegt de 25-jarige galeriehouder, ‘want er is niets wat mij meer vervult.” Dit verhaal laat maar weer de enorme betrokkenheid zien van mensen die in de kunstsector werken. In geen enkel andere beroepsgroep is men bereid om zo hard te werken voor zo weinig geld omdat (het beleven van) kunst zelf uiteindelijk de beloning is. De portretten van al deze bijzondere karakters zijn lekker puntig geschreven. Zestig verhalen die lezen als een trein. Naast de vaak wat academische boeken in deze rubriek, is het prettig om af en toe luchtige, documentaire fictie te mogen aanbevelen, zoals deze verhalenbundel.

Het wonder dat niet omvalt, Ernest van der Kwast, De Bezige Bij, ISBN 978 90 23498 33 9

Uit Beelden 2#2016

Boekman 106 / De nieuwe kunstkritiek

Een half ingevuld LinkedIn profiel, een WordPress website en blog die al jaren offline staan te sudderen. Voor een ‘digital immigrant’ zoals ik, is het een hele uitdaging om “in het huidige landschap van gedrukte, visuele en sociale media een weg te vinden.” (Ingrid Commandeur) De nieuwe werkelijkheid dwingt mij om mijn werk te bevragen en als het ware opnieuw uit te vinden. Ga ik een nieuw recensieformat bedenken om jonge mensen aan te spreken? Ga ik nu eindelijk die website optuigen met blog, vlog en een reactiepagina? Of ga ik me van deze hele santenkraam niets aantrekken en me richten op de inhoud? Keuzes, keuzes, keuzes.

Boekman 106 gaat over deze (noodgedwongen) heruitvinding van de kunstkritiek. Een voorbeeld zouden wij kunnen nemen aan de eerste volwassen generatie ‘digital natives’. “Die kent het internet op hun duimpje en benut de mogelijkheden ten volle”, schrijft Edo Dijksterhuis. De twintigers van nu zijn “ongekend geëngageerd en hongerig naar kennis” en “vinden het heel normaal om te betalen voor iets dat alleen online bestaat, zolang ze het maar kunnen lezen op hun smartphone. Die professionele kunstkritiek moet echter anders worden aangeboden. Niet meer de top-down benadering van de ouderwetse kunstpausen en ook niet het u-vraagt-wij-draaien van de commerciële pr. De criticus moet naast de lezer staan in plaats van erboven of eronder. Bovendien moet hij af van het in beton gegoten recensie-format. Dat vlaggenschip van de traditionele kunstkritiek is gezonken wegens de totale desinteresse van de lezers. Een recept voor een alternatief is er nog niet.”

Voor wie zich online begeeft, is het een lastige opgave om met diepgang en nuance te blijven schrijven, zegt Miriam Rasch. “Dat ligt niet aan de critici en hun talent en enthousiasme, maar aan de middelen. De logica van het internet zorgt enerzijds voor openheid – iedereen kan meedoen, op alle mogelijke manieren – en anderzijds voor een structuur waarin commerciële bedrijven zoals Google en Facebook de dienst uitmaken. Dat is de spagaat waarin de online kritiek – de kritiek van de toekomst – zit.” Volgens Rasch moet een criticus blijven streven naar onafhankelijkheid, zowel tegenover de kunst waarover geschreven wordt als tegenover de digitale middelen. Wat helpt is om helder voor ogen te hebben voor wie je schrijft, wie er geld aan verdient en wat je er mee wil bereiken. Rasch gelooft dat de beste aanpak een verdeel-en-heerstactiek is. Ze noemt het ook wel ‘hybrid criticism’: “verspreid kritieken over zoveel mogelijk kanalen, betaald en onbetaald, lang en kort, met persoonlijke inslag en als expert, et cetera. Zo bereik je niet alleen een groter en diverser publiek, maar komt ook de kunstkritische praktijk op een ander, hoger niveau. Het maakt verschil of je twee-, drieduizend woorden aan een betoog kunt besteden, of in vijf minuten praten voor de camera tot de kern moet komen. En juist het bestuderen van de medium-specifieke kenmerken (in dit geval van video) kan leiden tot een heel andere invulling van de kritische opdracht die je jezelf stelt.” 

Van kunstcritici wordt dus heel wat experimenteerdrift gevraagd en er zal nog wel een hele tijd overheen gaan voordat de generatie van ‘digital immigrants’ het internet goed voor zich kan laten werken. (Of voorgoed de boot mist.) Recensent Merel Bem zit er niet mee. De veranderingen die zij heeft doorgemaakt, hebben weinig van doen met de digitale ontwikkelingen. Online of op papier, kunstkritiek is pas interessant als het een persoonlijke reflectie is gebaseerd op ervaring: “Uit jarenlang musea en galeries bezoeken, uit steeds weer voor dat kunstwerk gaan staan, en voelen, bedenken, proberen te begrijpen wat het met me doet. En uit honderden keren achter de laptop schuiven. Alleen door dat steeds opnieuw te doen, bouw je een beeldenbank op en een woordenschat die daarbij past: gereedschap waarmee je vrijelijk kunt associëren, waardoor je steeds meer wilt zien en schrijven en je jezelf nog eens verrast.” Voor mij is recenseren een voortdurend slijpen aan gedachten, aan teksten, om uiteindelijk zo goed mogelijk te kunnen verwoorden van wat ik heb gezien. Alle boeken die ik lees, vormen de extra bagage van medepassagiers op mijn ontdekkingsreis. Daar doe ik het voor. En om mijn stille lezers en mijzelf zo goed mogelijk uit te leggen waarover kunst kan gaan, wat mij enthousiast maakt en wat mij raakt. Die website komt er wel, al wordt het waarschijnlijk wel een zonder toeters en bellen. In Boekman 106 zijn nog meer essays en columns opgenomen over de ‘kunstkritiek in beweging’ en een onderzoek van de Erasmus Universiteit Rotterdam naar de geloofwaardigheid van traditionele en internetgerelateerde critici.

Boekman 106 / De nieuwe kunstkritiek, Ineke van Hamersveld (red.), Boekmanstichting, ISBN 978-90-6650-138-6

Kunstkritiek in een tijd van vervagende grenzen

In Boekman 106 en New Spaces for Criticism, besproken in Beelden 1#2016, staan vooral de omstandigheden centraal waarin de kunstkritiek tegenwoordig plaatsvindt. Sommige kunstcritici ervaren deze als een crisis, terwijl anderen nieuwe mogelijkheden zien. Kunstkritiek in een tijd van vervagende grenzen gaat over de inhoud en het karakter van de Nederlandse kunstkritiek. Het is het achtste deel uit een reeks waarin enkele honderden kritieken en journalistieke teksten integraal gepubliceerd en geanalyseerd worden. Dit deel bestrijkt 1989-2015, een periode waarin de wereld ongelooflijk veranderde door de globalisering, het oprukkend marktdenken en de opkomst van nieuwe mediatechnologieën. Hoe reageerden kunstcritici op een beeldende kunstpraktijk die door al deze ontwikkelingen steeds complexer en diffuser werd? Drie kunsthistorische debatten over ‘grensvervagingen’ worden belicht: het nieuwe engagement in het werk van kunstenaars, de cross-overs tussen beeldende kunst en design en de greep van het grote geld op de kunstwereld. De artikelen worden steeds met een inleiding in de tijd geplaatst en geduid. In alle artikelen gaan uitgesproken meningen samen met een persoonlijke schrijfstijl; het is dan ook een plezier om ze te (her-)lezen. Zoals de kunstkritiek van Lucette ter Borg die in Vrij Nederland (2004) ageerde tegen de ‘gewetensvolle’ kunst en haar als hol en vrijblijvend bestempelde. Haar tekst is ook een prachtige litanie in naam van de kunst, die onder het gewicht van alle betekenissen die in de loop van de tijd aan haar zijn toegekend, bijna is bezweken.

Kunstkritiek in een tijd van vervagende grenzen. Over engagement, design en commercie 1989-2015, Annemarie Kok (red.), NAi010 uitgevers, ISBN 978-94-6208-133-8

Constellations of Art, History, and Knowledge

Nu het vooruitgangsdenken als beeld voor de geschiedenis heeft afgedaan en ook de kunstgeschiedenis niet meer in een lineaire optocht van elkaar opvolgende stromingen begrepen kan worden, komen vragen op over de functie van kunst: is kunst alleen nuttig doordat zij weigert van enig nut te zijn? Of kan kunst een hoger doel dienen in onze wereld? In deze bundel essays onderzoeken de schrijvers de (mogelijke) functies van kunst. Hoe kunst heeft gefunctioneerd in de loop van de geschiedenis, hoe kunst nu functioneert in de beroepspraktijk en in tentoonstellingen. Het initiatief voor deze uitgave komt voor een belangrijk deel van het Van Abbe Museum. Dit kunstinstituut onder leiding van Charles Esche heeft altijd al een politiek-maatschappelijke benaderingswijze van kunst gehad en daar sluit deze ‘critical reader’ bij aan. In de reader zijn brieven opgenomen van de Chinese kunstenaar Li Mu gericht aan Charles Esche. In een klein en kleurloos plattelandsdorp in China deed Li Mu een kunstproject, dat exemplarisch is voor enkele centrale ideeën in deze publicatie.

December 2012 gaat Li Mu terug naar zijn geboorteplaats Qiuzhuang om daar als kunstenaar, via zijn kunstproject, weer aansluiting te vinden bij zijn dorpsgenoten en zijn familie. Wat hij als eerste doet, is een bibliotheek openen. Li Mu wil een publieke ruimte creëren, waar de bewoners kunnen samenkomen en via hem in aanraking komen met cultuur en ook hun eigen geschiedenis. Op geen enkele wijze leken de bewoners zich namelijk bewust te zijn van hun geschiedenis. Alles in het dorp gebeurde gewoon en ging voorbij, zonder dat iets werd vastgelegd. Li Mu besluit enkele oude dorpelingen te gaan interviewen om verhalen van vroeger boven water te krijgen, voor een boek over de geschiedenis van Qiuzhuang. 

Twee jaar had Li Mu gewerkt aan de voorbereiding van zijn project want zijn plan was om een aantal kunstwerken uit de collectie van het Van Abbemuseum te gaan kopiëren voor publieke en private ruimtes. Samen met dorpsgenoten gaat Li Mu werken namaken als John Körmelings lichtinstallatie HI HA en Sol Lewitt’s muursculptuur The Turning Ladder. Voor de werkmannen was het vaak de eerste keer dat ze bepaalde materialen gebruikten. Zo werkte een team van een werkplaats vier dagen om van Sol Lewitt’s aluminium ladder 15 kopieën te maken. De kunstwerken werden bij verschillende families ondergebracht. Li Mu ontdekte dat de ladders bij sommige families als kunstobject fungeerden, anderen gebruikten ze als handig rekje voor spullen of als ereplaats om trouwfoto’s in te stallen.

In de brieven aan Esche vertelt Li Mu over alle hobbels in het project, over dingen die anders uitpakten dan hij van tevoren had bedacht. Bijvoorbeeld over hoe de kunstwerken soms wonderwel opgingen in de omgeving of over de verschillende reacties van mensen op deze Westerse kunstwerken; zo bleken ze Warholl’s portretten van Mao spuuglelijk te vinden vanwege de felle kleuren en de abstracte ladders van Lewitt juist heel mooi.

De meest ontroerende reactie vond ik die van Li Mu’s vader. Zijn vader had eigenlijk nooit begrepen waar hij als kunstenaar mee bezig was. Op een dag legde Li Mu op de binnenplaats van zijn ouderlijk huis een kopie van Carl André’s vloersculptuur Twenty-fifth steel Cardinal. Nadat zijn vader een tijdje naar het kunstwerk had gekeken, haalde hij zijn verzameling vogelkooien te voorschijn en zette hij op elke stalen plaat één kooi. ”He lit a cigarette and enjoyed his work for a while. He asked me with a smile on his face: “Is this art?”. I answered: “Yes, it is installation art.” Het hele project van Li Mu werd gefilmd en in totaal was er aan het einde van het jaar 350 uur video. Hiervan maakte Li Mu een documentaire in de vorm van een videodagboek.

Wat zegt dit project over de mogelijke functies van kunst? Allereerst dat kunst het best begrepen kan worden in een sociale context. Als object is kunst niet alleen l’art pour l’art, een nutteloos ding op zich, of alleen een gebruiksvoorwerp, het is iets dat zich hier tussenin beweegt. Daarnaast is kunst niet alleen een cultureel object in de geschiedenis waarover wij iets kunnen leren, nee kunst brengt zelf cultuur en geschiedenis voort en is de aanjager van nieuwe kennis. Kunstenaars maken steeds vaker gebruik van ‘montage’: met kunst worden verbanden gelegd tussen (denkbeelden uit) het verleden en het heden. Er ontstaan nieuwe constellaties die dwars door de geschiedenis heen lopen. Wie deze kritische reader wil lezen en doorgronden, moet overigens ruim de tijd nemen, want je hersens worden flink aan het werk gezet.

Constellations of Art, History, and Knowledge. A Critical Reader, Nick Aikens, Thomas Lange, Jorinde Seijdel, Steven ten Tijhe, Valiz, ISBN 978 9492095 12 1

Uit Beelden 1#2016

Spaces for Criticism

De kunstpagina’s in kranten worden wegbezuinigd, kunsttijdschriften verdwijnen, op de schermen heerst de particuliere mening en online heeft de kunstkritiek zich nog niet duidelijk gemanifesteerd. In de bundel Spaces for Criticism proberen verschillende auteurs een antwoord te vinden op de crisis waar de kunstkritiek zich in bevindt en zij richten zich op nieuwe plaatsen voor een dialoog met het publiek, kunstwerken en academici. Pascal Gielen en Thijs Lijster willen de tanende autoriteit van de kunstcriticus een halt toeroepen. Een manier om dit te bereiken, is volgens hen om buiten de kunstinstituten op zoek te gaan naar kruisbestuivingen met bijvoorbeeld maatschappelijke organisaties. Door in andere kringen te acteren,  krijgt de kunstcriticus (weer) invloed in het publieke domein. Ik vraag me af of deze strategie gaat werken. Om van waarde te willen zijn voor de maatschappij hebben kunstenaars eenzelfde gang gemaakt en is een hele tak van onderzoeks- en wetenschapskunst onstaan. Het kunstenaarschap is echter niet opeens in achting gestegen van bijvoorbeeld de anti-hobbyisten. Ik voel me meer aangesproken door auteurs in deze uitgave die de realiteit niet willen veranderen maar deze anders bekijken. Zoals John Ellingsworth, een theatercriticus die zijn carrière beschrijft en die vindt dat kunstkritiek vooral zijn geest heeft aangescherpt. Van recenseren word je niet rijk, zegt Ellingsworth, wel bouw je een netwerk op en groeit je vertrouwen in andere toekomstige projecten. Of Ingrid Commandeur die van mening is dat we op moeten houden met het onderscheid maken tussen kunstkritiek in gedrukte en online media. Het is niet zo dat journalisten in kranten en tijdschriften uitsluitend ‘echte en onafhankelijke’ kritiek bedrijven, zegt Commandeur, want geen enkel medium kan ontkomen aan de invloed van het neoliberale kapitalisme. De realiteit is dat we leven in een gefragmenteerd landschap van gedrukte, visuele en sociale media en dat het een uitdaging is om daarin een weg te vinden. Welke vorm van kritiek spreekt welk publiek aan en via welk medium kan het bereikt worden? Dit zijn vragen die een kunstcriticus scherp kunnen houden in deze verwarrende tijden.

Spaces for Criticism / Shifts in Comemporary Art Discourses, Thijs Lijster, Suzana Milevska, Pascal Gielen, Ruth Soreregger e.a., Valiz, ISBN 978-90-78088-75-2

Prix de Rome 2015

In de introductie van dit cahier op de Prix de Rome editie 2015 houdt Lucette ter Borg een vurig betoog tégen de in zwang zijnde beleveniskunst. De betekenis van deze vaak inmense totaalinstallaties is in één oogopslag te bevatten, zegt Ter Borg. Het lijkt er op dat er nog weinig begrip is voor de noodzaak om minder toegankelijke kunst te maken en dat zelfs gedacht wordt dat dit ‘slechte’ kunst is. Ze pleit juist vóór ‘moeilijke’ kunst, voor kunst die slechts zich langzaam aan de beschouwer prijsgeeft of misschien wel nooit. Beeldende kunst als vermoeden is dan ook de titel van haar artikel. Ter Borg is er gelukkig mee dat de jury van de Prix de Rome, onder voorzitterschap van Birgit Donker van het Mondriaan Fonds, vier kunstenaars genomineerd heeft, die “discursieve en op onderzoek gerichte kunst” maken. “Duizelingwekkende ervaringen waarbij je uit je schoenen wordt geblazen zijn afwezig. In plaats daarvan is er sprake van versplintering, fragmentatie, poëzie en hier en daar een vonkje helderheid.“ De genomineerden en het nieuwe werk dat zij speciaal voor de Prix de Rome maakten en in de Appel Arts Centre tentoonstelden, worden in aparte artikelen besproken: de politiek geëngageerde kunstenaar Christiaan Nyampeta, het activistische duo Foundland - een werkverband van kunstenaars Lauren Alexander en Ghalia Elsrakbi, Hedwig Houben die installatiekunst maakt en steeds meer richting performancekunst beweegt en Magali Reus die video’s maakt en aan het minimalisme verwante beeldhouwwerken. Voorop het cahier is in de kaft het juryrapport gestoken over de winnaar: Magali Reus. Haar presentatie “is er één die de jury het meest overtuigde van de recent doorgemaakte ontwikkeling. Deze kunstenaar werkt doelgericht en beheerst aan een nieuwe koers, maakt daarbij heldere keuzes en vertaalt dit in een prikkelende presentatie.” Magali Reus heeft voor haar onderscheiding een geldbedrag gekregen van € 40.000,- en een werkperiode aan de American Academy in Rome. De traditie dat de winnaar van de Prix de Rome ook daadwerkelijk naar Rome gaat om zich onder te dompelen in de klassieke cultuur en daarvan te leren, is nog niet zo lang geleden in ere hersteld. Deze traditie wordt belicht in een artikel van Mirjam Beerman over de geschiedenis van de Prix de Rome.

Prix de Rome 2015. Beeldende Kunst, Birgit Donker, Lucette ter Borg e.a., nai10 uitgevers / Mondriaan Fonds, ISBN 978-94-6208-252-6

Dichterbij/Kunst in details

Kunstrecensente Wieteke van Zeil schrijft al zo’n twaalf jaar over oude kunst in de Volkskrant. In deze tijd vroeg zij zichzelf regelmatig af, en haar lezers ook, hoe naar deze kunst te kijken. “Wat moeten we met kunstwerken van eeuwen geleden, die uit hun context zijn gehaald en met onderwerpen die voor velen niet tot de opvoeding horen?” Met deze vraag in haar achterhoofd ontdekte Van Zeil een andere manier van kijken. Wanneer ze zich ging focussen op een detail van een kunstwerk in plaats van het totale werk, kreeg ze uiteindelijk meer begrip van het afgebeelde verhaal en het kunstwerk zelf. De persoonlijke connectie met de kunstwerken werd bovendien groter en het gaf haar een nieuw inzicht in de rol die kunst kan spelen bij het leven. Over ruim vijftig van dergelijke nieuwsgierig makende details schreef Wieteke van Zeil een verhaal en deze verhalen zijn gebundeld in dit boek. Een vers gevild dier, mieren in bloemen, een man die gebukt onder zijn eigen oksel door kijkt, een morsdode voet, van alles komt er voorbij. Bijna held gaat als enige vertelling over een beeldhouwwerk, van Gian Lorenzo Bernini, de meester van de barok. Het is een beeld van David, die op het punt staat zijn steen weg te slingeren en daarmee de reus Goliath zal verslaan. Het gedraaide lichaam van David is één en al beweging. Zijn gezicht met diepe frons en samengeperste lippen vormt het enige rustpunt in dit beeld. “Langer dan tien tellen hiernaar kijken zonder te gaan fronsen, is niet makkelijk. En dat is, voor een ding van marmer, best een prestatie.” Dit beeld van David, de ultieme underdog en hero-to-be, deed Van der Zeil realiseren hoe fysiek je kunt reageren op bewegingen en spanningen van anderen als je meeleeft. Van der Zeil was onlangs gastconservator in het Frans Hals Museum bij de tentoonstelling Ik zie, ik zie…wat jij niet ziet. Bezoekers konden met haar verhalen als aanwijzing, allerlei verborgen details in het museum ontdekken. Ik ben benieuwd hoe hier haar ‘dichterbij-methode’ heeft uitgepakt.

Dichterbij/Kunst in details, Wieteke van Zeil, Atlas Contact, ISBN 978 90 450 2992 4

Uit Beelden 4#2015

De Stilte van het licht / Schoonheid en onbehagen in de kunst

In deze essays verhaalt Joost Zwagerman over allerlei vormen van stilte en verdwijnen in de kunsten, die hem gevoelens van schoonheid of onbehagen bezorgen. Over Giorgio Morandi, de kunstenaar die uitsluitend potten en flessen schilderde, zegt hij: “hoe langer je een stilleven van Morandi bekijkt, hoe sterker je ervaart dat je, in verwantschap met de dingen, dat verdwijnpunt in wordt getrokken. Je kijkt – en je bestaat steeds minder.” De bombastische en karakterloze objecten van Jeff Koons, aan wie Zwagerman ook een essay wijdt, bevinden zich aan het andere uiterste van het spectrum. Zwagerman noemt hem een ‘horrorkunstenaar’; alle argumenten die je tegen zijn werk zou kunnen inbrengen, gebruikt Koons juist om het te verkopen. Als een veelkoppig monster dat je nooit kunt verslaan, zo heeft Jeff Koons de schrijver in zijn greep. Wat ik in deze essays van Joost Zwagerman waardeer, is zijn prachtig taalgebruik, de verbanden die hij legt tussen beeldende kunst, literatuur en muziek en bovenal de passie waarmee hij over zijn onderwerpen schrijft. Hij beweegt je om opnieuw naar kunst te kijken. En zo komt het dat ik verbluft naar een zelfportret van Rembrandt staar. Op De kunstenaar in zijn atelier heeft Rembrandt zichzelf geschilderd als een klein mannetje zonder duidelijke gelaatstrekken. Op de voorgrond staat een enorm, donker schildersdoek dat van voren wordt belicht. Wij zien niet wat ‘Rembrandt’ op het canvas ziet. Het is bijna abstracte kunst en dat voor een werk uit 1629! Behalve over allerlei grootheden uit de kunstgeschiedenis, als Jan van Eyck, Mondriaan en Rothko, schrijft Zwagerman ook over Nederlandse auteurs, zoals Frans Kellendonk, de schrijver uit zijn gloriejaren, de jaren tachtig. Diens verhaal Letter & Geest eindigt zonder een punt, alsof de hoofdpersoon uit de roman is gevallen. Niet tot mijn verbazing eindigt dit boek eveneens zonder punt. Je kunt deze essays niet lezen zonder aan de zelfgekozen dood van Joost Zwagerman te denken. Hoe deze schrijver nu met dit laatste boek voorgoed in zijn eigen werk is verdwenen.

De Stilte van het licht / Schoonheid en onbehagen in de kunst, Joost Zwagerman, Arbeiderspers, ISBN 978 90 295 89888/nur 320

De bomen van Buisman

“Na enkele experimenten met zaden, vruchten en kamerplanten”, schrijft Werner van den Belt, “zette hij [Sjoerd Buisman] eind jaren zestig de wereld van de natuur en de kunst letterlijk op zijn kop door een aantal bomen (..) omgekeerd in zijn Haarlemse atelier te hangen en te zetten (..) Met kluit wel te verstaan, om het groeiproces ongehinderd door te laten gaan.” De auteur noemt dit werk iconisch en vanwege de implicaties zelfs een sleutelwerk voor de naoorlogse kunst.

Het is niet alleen een conceptueel kunstwerk, het gaat verder dan dat omdat het werk het element van de tijd in zich draagt. Elke keer als men een werk van Buisman beschouwt, bevindt het zich in een andere fase (van groei). In publicaties over deze kunstenaar worden zijn beelden die gebaseerd zijn op de groeivormen van de Phylotaxus en de Ouroboros, vaak centraal gesteld en worden de werken met natuur als een soort opmaat naar deze kunstwerken toe beschreven. Deze uitgave, waarin het accent op zijn boomprojecten ligt, maakt duidelijk dat Buisman eigenlijk altijd hetzelfde beoogt: of hij nu optreedt als registrator of manipulator van de natuur of als maker van ‘natuurachtige’ beelden, altijd probeert hij ons de ogen te openen voor de plastische gebeurtenissen en wetmatigheden in de natuur. In Museum burgh te Bergen zag ik recent werk van Buisman gebaseerd op een combinatie van een maretak en een Dividivi, een boomsoort die in de Caraïben voorkomt. De passaatwinden zorgen ervoor dat de takken van deze ‘waaiboom’ allemaal één richting op groeien. Buisman hult deze stakerige beelden in felle, onnatuurlijke kleuren. Werner van den Belt legt uit hoe deze kleuren in Buismans wereld toch een natuurlijke mogelijkheid zijn. In de jaren zeventig deed de kunstenaar proeven met fotosynthese, waarmee bladeren afwijkende kleuren konden krijgen. Dit recente werk lijkt hier op terug te grijpen. De lezer heeft met dit boek overigens een echte boom van Sjoerd Buisman in handen. In de kaft van geschept papier zijn boombladeren verwerkt uit La Ferrière-Duval, zijn landgoed in Frankrijk.

De bomen van Buisman, Werner van den Belt, Waanders & De Kunst, ISBN 978 94 6263 013 0

In de luwte van de tijd / Essays over Jan Fabre

De Vlaamse kunsthistoricus Jo Coucke volgt het werk van multi-kunstenaar Jan Fabre al meer dan dertig jaar. Als jonge wetenschappelijk medewerker in Gent weet hij Jan Hoet enthousiast te maken voor diens persoon en werk. Kort daarvoor heeft Coucke Fabre’s Het is theater zoals te verwachten en voorzien was gezien, een legendarische voorstelling alleen al omdat deze acht uur duurde. In 2012 ziet Coucke dit toneelstuk in de herneming en maakt een tekst van de aantekeningen uit de jaren tachtig die hij aanvult met recente ervaringen. Deze manier van schrijven, het recyclen van eigen werk, is verwant aan de aanpak van Jan Fabre die zijn eigen kunstwerken eveneens regelmatig herneemt. Aan de hand van deze gebundelde essays kun je als lezer de ontwikkelingen volgen in het oeuvre van Fabre. Binnen een bepaalde periode zit er een zekere overlap in de teksten. In de tijd dat Fabre vooral blauwe Bic kunstwerken maakt, brengt Coucke herhaaldelijk naar voren dat ‘tekenen’ aan de basis ligt van al het werk van Fabre, ook aan diens theaterproducties. Niet alleen gebruikt hij blauw be-Bic-te toneeldoeken en rekwisieten, ook “bewegen de acteurs in structuren zoals de pen (…) op het papier in lijnen beweegt: zo geordend of zo toevallig.” Een rode draad in de teksten is de preoccupatie van Jan Fabre met het gegeven van ‘de tijd’. De kunstenaar, die aan slapeloosheid lijdt, werkt vooral tijdens de stille nachtelijke uren; hiervan getuigen zijn zogenaamde Nachtboeken. Fabre’s meest recente theaterproductie Mount Olympus duurt een compleet etmaal. Vanwege basale fysieke behoeften kan je het stuk als toeschouwer nooit helemaal ervaren. Coucke ondervindt dat de tijd een continuüm wordt als hij in de zaal zit, alsof de tijd wordt vervangen door beelden. Buiten de zaal is hij zich ervan bewust dat het theaterstuk doorloopt zonder hem en ervaart hij juist het verstrijken van de tijd. Een kunstwerk van Jan Fabre laat zich nooit doorgronden. Jo Coucke blijft dit desondanks proberen en maakt de lezer in deze reeks boeiende essays deelgenoot van diens ervaringen.

In de luwte van de tijd. Verzamelde essays over Jan Fabre 1983 – 2015, Jo Coucke, De Bezige Bij, ISBN 978 90 234 9716 5 

Uit Beelden 3#2015

Scott McCloud – De beeldhouwer

Deze grafic novel van de Amerikaanse stripmaker en media theoreticus Scott McCloud is een echt stripverhaal, waarin de hoofdpersonen helden zijn en allerlei wonderlijke avonturen beleven, maar dan met een volwassen inhoud. Een jonge beeldhouwer is vastgelopen in zijn carrière. Eigenlijk ligt heel zijn leven op zijn gat: hij staat op het punt om dakloos te worden, heeft bijna geen vrienden, geen liefde, geen geld en er komt niets meer uit zijn handen. Dan heeft hij een ontmoeting met de duivel, die de gestalte van zijn oom Harry heeft aangenomen. Hij sluit met hem een pact in ruil voor zijn leven: voortaan kan hij met zijn handen maken wat hij maar wil en zal hij naam gaan maken als kunstenaar.

Wat diens kunstenaarschap inhoudt, behalve het maken van grote, indrukwekkende en levensechte beelden, is niet echt duidelijk. Een paar keer slaat McCloud wel de spijker op zijn kop als het gaat om de kunstwereld; de lastige dingen waar je als kunstenaar mee te dealen hebt. Maak je je afhankelijk van galeriehouders (“Die gasten willen een toegespitste enkelvoudige visie zien”) en van geld? De held in dit Faustiaanse verhaal laat zien dat het gaat om eigenheid, buiten de gebaande paden treden, om zelfvertrouwen en overgave aan de tijd, aan liefde en de kunst. Er zit een enorme vaart in de zwart-wit tekeningen die je meeslepen op weg naar de spannende ontknoping. Zou het dan toch…?

De beeldhouwer, Scott McCloud, Scratch, Softcover ISBN 978-94-92117-13-7, Hardcover ISBN 978-94-92117-12-0

Shinkichi Tajiri – Universal Paradoxes

In het Japanmuseum Sieboldhuis te Leiden is van 12 juni tot en met 29 november een tentoonstelling gewijd aan de kunstenaar Shinkichi Tajiri. Bij deze tentoonstelling verscheen een boek met essays en beeldmateriaal die het leven en werk van Tajiri, die in 2009 overleed, opnieuw belichten. Centraal staan de schijnbare tegenstellingen in het Leitmotiv van de kunstenaar: de Krijger, de Knoop en de Muur. Vanaf 1948 begon Tajiri met het maken van sculpturen gebaseerd op middeleeuwse pantsers, modern oorlogstuig, Japanse Samoerai e.a. Hoewel het uiterlijk van zijn Krijgers in de loop van de jaren veranderde, bleven zijn beelden in wezen hetzelfde: verticale, staande figuren, meestal samengesteld uit vormen van plaatmateriaal. Je herkent er altijd wel schilden en wapens in en vaak hebben de Krijgers een kniebeschermer en een hoornvormig object als kop.

Vanaf de jaren zestig maakte Tajiri objecten van knopen. Helen Westgeest maakt duidelijk aan de hand van een kunst- en cultuurhistorisch overzicht dat zowel aan Krijgers als aan Knopen positieve en negatieve associaties kleven die te maken hebben met verbinden en scheiden, leven en dood. Krijgers kunnen dood en verderf zaaien én als bewakers optreden voor de veiligheid van een bevolking. Knopen zorgen in de scheepvaart voor waarborging én kunnen gebruikt worden om de vijand te knevelen. De Krijgers en Knopen van Tajiri zijn tijdloze, universele thema’s die in alle culturen betekenis hebben. The Wall, het derde Leitmotiv, was een project van Tajiri om de Berlijnse muur te registreren.

In de essays wordt ingegaan op het onderwerp identiteit, dat bij Tajiri nogal ingewikkeld lag. Hij was een Amerikaan, geboren uit Japanse ouders. Na Pearl Harbour werd hij met zijn familie in een interneringskamp gezet. Uiteindelijk diende hij vrijwillig in het Amerikaanse leger en hielp hij bij de bevrijding van Europa. Hij woonde in Parijs, Amsterdam en het Limburgse Baarlo. Het kunstenaarschap van Tajiri kan worden opgevat als een lange zoektocht naar wie hij was. Pas een jaar voor zijn dood wist hij waar hij thuis hoorde en koos Shinkichi Tajiri voor het Nederlands staatsburgerschap.

Shinkichi Tajiri – Universal Paradoxes, Helen Westgeest, Giotta & Ryu Tajiri e.a., Leiden University Press, ISBN 978 90 8728 232 5

Nic Jonk – een leven vol beelden

Museum en beeldentuin Nic Jonk in Grootschermer bestaat vijftig jaar en ter gelegenheid hiervan schreef Rob Bouber een biografie over deze kunstenaar. Nic Jonk (1928 – 1994) maakte monumentale beelden, veelal in brons, in een eigen, herkenbare stijl. Het zijn vooral geabstraheerde vrouwenfiguren met ronde zachte vormen, gebaseerd op klassieke thema’s uit de bijbel of Griekse mythologie; naakten die eerder een moederlijke dan een erotische uitstraling hebben. De kans dat je een beeld van Nic Jonk tegenkomt, is tamelijk groot. Er zijn namelijk maar liefst 250 van zijn kunstwerken in de openbare ruimte te vinden, in Nederland en daarbuiten. Dat Jonk veel opdrachten wist te verwerven bij gemeentes en bedrijven en voor zijn kunst een eigen beeldentuin oprichtte, is er mede debet aan geweest dat hij te boek stond als ‘commercieel’, als een handige jongen. In die tijd van de BKR-regeling had dat een een negatieve connotatie. Rob Bouber stelt dat dit een onterecht verwijt is geweest. Nic Jonk had een gezin te onderhouden en het kostte hem grote inspanningen om opdrachten los te krijgen. De oprichting van zijn beeldentuin was ook een project van de lange adem.

Deze biografie is organisch geschreven en heeft een natuurlijke verteltrant. Wat jammer is, is dat er veel herhalingen in voorkomen. Verder heeft Bouber een summier hoofstuk aan de Nederlandse Beeldhouwtraditie gewijd, dat hij beter achterwege had kunnen laten aangezien de visie niet meer actueel is. Interessant aan deze biografie zijn de vele citaten van mensen die Nic Jonk goed gekend hebben; Vincent Pijpers die als marketingmanager bij Nashua werkte, vertelt hoe de hoogste baas van dat bedrijf, Huub van de Boomgaard, op een tentoonstelling in gesprek raakte met Nic Jonk en onder de indruk was van diens ondernemerschap. Hij besloot om hem voor drie jaar te sponsoren. Nic Jonk was een selfmade man in wie de CEO van Nashua zich herkende. Wellicht heeft dit ook meegespeeld in de toekenning van een financiële bijdrage voor dit boek door de VandenEnde Foundation. 

Nic Jonk – een leven vol beelden, Rob Bouber, Uitgeverij De Liefde, ISBN 978-90-79915-25-5 

Uit Beelden 2#2015

herman de vries

Dit boek over het recente werk van herman de vries dat te zien is op de Biënnale in Venetië, heeft geen kapitalen. De kunstenaar schrijft sinds jaar en dag zijn eigen naam zonder hoofdletters - omdat hij hiërarchie wil vermijden - en in deze uitgave is deze afwijkende schrijfwijze overgenomen. De kern van deze publicatie bestaat uit een tweegesprek tussen herman de vries en Jean-Hubert Martin, mede-oprichter van het Centre Pompidou. Martin weet door te dringen in de gedachtenwereld van herman de vries en diens verbluffend eenvoudige wijze van kunst maken: de kunstenaar loopt rond op een plek waar hij wil zijn, in Venetië waren dat de eilanden van de lagunes en de stad, en bekijkt hetgeen waar zijn oog op valt met aandacht; vindt hij een object bijzonder dan neemt hij het mee en presenteert het later als onderdeel van een verzameling. Toeval speelt in zijn werk niet alleen een grote rol, herman de vries vertrouwt er zelfs op. In dit boek zijn foto’s opgenomen van de kunstwerken in het Rietveldpaviljoen, zoals de Earth Rubbings, een vloersculptuur van rozenblaadjes, een serie foto’s met details van de stad Venetië en het voormalige melaatseneiland in de lagune dat herman de vries in zijn geheel tot kunstwerk omdoopte. Deze publicatie is een plezierige en complete introductie op het werk van de kunstenaar die “de wereld als zijn poëzie” beschouwt.

herman de vries - to be all ways to be, Cees de Boer, e.a., Valiz i.s.m. Mondriaan Fonds, ISBN 978-90-78088-99-8

Roel Teeuwen en Marry Teeuwen - de Jong

Ter gelegenheid van beider zeventigste verjaardag van deze kunstenaars is een oeuvrecatalogus uitgebracht. Het bestaat uit twee delen in één band. Roel en Marry Teeuwen zijn in het dagelijks leven een echtpaar, ze hebben hetzelfde beroep en  maken allebei beelden maar wel met een geheel eigen signatuur.

Roel Teeuwen maakt kunstwerken die refereren aan de natuur. Als basis gebruikt hij vaak de vorm van een bol of een stengel. Omphalos II is bijvoorbeeld een bronzen afgeplatte bol met een deuk in het midden, de navel van de aarde. Roel Teeuwen heeft opvallende beeldengroepen voor de openbare ruimte gecreëerd die geënt zijn op stengels. Sommige bestaan uit meerdere stengels van wel twintig meter hoog. In de top van deze beelden ‘gebeurt’ altijd wat. Daar lopen ze spits toe, zijn ze geknikt of van een ander materiaal, zoals Geest en Aarde dat aan een oever in Zwijndrecht staat. Het beeld bestaat uit één licht gebogen stengel van zwart essenhout dat aan de top is bekleed met bladgoud. Een subtiel en markerend ruimtelijk werk. Roel Teeuwen gebruikt verschillende materialen, als epoxy, cortenstaal en beton en natuurlijke materialen als wilgentenen, leem en sisal. Roel Teeuwen schrijft op zijn website dat hij op zoek is naar archetypische vormen met een algemene geldigheid. “Vanuit hun oorsprong worden deze vormen, over alle culturele bepaaldheid heen, tot symbolen van verbondenheid van mens met aarde.”

Marry Teeuwen - de Jong gaat bij haar kunstwerken altijd uit van een geometrische grondvorm. Ze zoekt naar het meest eenvoudige, sobere beeld dat toch interessant blijft. Ze bereikt dit met ingrepen als kantelen, draaien, stapelen of met een bepaalde ordening. Marry Teeuwen maakt ook samengestelde beelden van zich herhalende vormen. Over deze seriële werken zegt ze dat de afzonderlijke elementen elkaar nodig hebben om te bestaan: ze versterken elkaar en genereren zo zeggingskracht. Door de elementen los te presenteren blijft de mogelijkheid open tot herstructurering van het beeld; het is dus geen statisch eindproduct. Aanvankelijk werkte Teeuwen met vrij gladde materialen, tegenwoordig hebben haar kunstwerken een door de elementen aangetaste materiaalhuid. Teeuwens beelden verwijzen zelden naar iets uit de werkelijkheid. De Vier Windstreken doet dit wel. Het staat midden in het dorp Ablasserdam, de geboorteplaats van Marry en de plaats waar het echtpaar nog altijd woont en werkt. De tien meter hoge driehoeken van koperen platen lijken op zeilen en refereren aan de geschiedenis van het dorp, waar in vroeger tijden zeilschepen werden gebouwd.

Auteur Piet Augustijn heeft in de teksten voor verschillende benaderingen gekozen. De tekst over Roel Teeuwen is een vrij analytische tekst over diens werk. In de band over Marry Teeuwen is er aandacht voor biografische gegevens van de kunstenaar en zijn er ook meer persoonlijke foto’s opgenomen. Leven en werk lijken één geheel te vormen. Het initiatief voor deze oeuvrecatalogus kwam van een speciaal voor deze gelegenheid opgericht Comité Teeuwen 70, dat in mei en juni van dit jaar ook een overzichtstentoonstelling organiseerde in hun woonplaats. Elias Gijze, voorzitter van CT70 verwoordt waarom: “Diverse beeldbepalende kunstwerken van Roel en Marry hebben in Alblasserdam en de regio een plek gekregen, maar wat het echtpaar uniek maakt, is hun aandeel in het sociale leven in een brede kring rondom hen heen.” Voor de Nederlandse Kring van Beeldhouwers en het blad Beelden is Roel Teeuwen een pleitbezorger geweest. Samen met Lucien den Arend was hij in 1996 oprichter van de Stichting Beeldenpark Drechtoevers. Hun idee was om de beeldhouwers van de NKvB de mogelijkheid te bieden om kunstwerken te exposeren aan de oevers van de Drechtsteden en om deze zes plaatsen te verbinden met beeldende kunst. De beeldenparken in Zwijndrecht en Papendrecht zijn gerealiseerd en blijven zich vernieuwen, een beeldenroute in Alblasserdam wordt dit jaar uitgerold. In 1997 gaat Roel Teeuwen de zakelijke kant oppakken van Beelden. Hij vindt dat de NKvB een goed communicatiemedium verdient. De directe link met de NKvB is er tegenwoordig niet meer, maar aandacht voor Teeuwens verdiensten is hier op zijn plaats: samen met hoofdredacteur John Blaak heeft hij ervoor gezorgd dat het blad zich ontwikkeld heeft tot het volwassen en kritische kunsttijdschrift dat het nu is.

Roel Teeuwen / organische vormentaal, refereert aan de natuur en Marry Teeuwen - de Jong / beelden van eenvoud, Piet Augustijn, Uitgave Comité CT 70, ISBN 978-94-622863-2-0

Armando

Er zijn twee kunstenaars die ik moeilijk kan verdragen: Anselm Kiefer en Armando. Toen ik hun kunstwerken voor het eerst bewust zag, in de jaren ‘80 en ‘90, werd ik terstond ongelukkig. De treurigheid bij Kiefer, met zijn bruintinten in de voren van zompig land en het onbarmhartige bij Armando, in het zwart van monsterachtige vlekken en gevaarlijk wapperende vlaggen. Het zijn kunstwerken waar ik in meegezogen werd en ik heb er sindsdien niet meer naar durven kijken. Dit ernstige effect had natuurlijk een trigger moeten zijn, om dit werk juist op te zoeken. Want van wat angst inboezemt, kan een mens juist iets leren, over zichzelf.

De oeuvrecatalogus die nu is verschenen over Armando is voor mij een hernieuwde kennismaking met zijn werk en ik kan zeggen, dat het me heeft opgelucht. Ik wist niet dat hij ook tekeningen maakte met heel veel ruimte erin; het is vaak bijna niets, een paar lijntjes of veegjes op papier en voor het eerst voel ik iets van ontroering. Vanaf het millennium heeft Armando kleur herontdekt. Niet dat zijn thematiek luchtiger is geworden; nog steeds gaat zijn werk over het verwerken van de Tweede Wereldoorlog, over angst en geweld dat getransformeerd wordt tot verschrikkelijke schoonheid, tot kunst. Een groene monstervogel tegen een lichte achtergrond is voor mij net iets beter te verteren dan een intens zwart beest. Nu zijn het overigens de ruimtelijke werken die mij angst inboezemen. Armando maakt van de thema’s die hij gebruikt in zijn werken - zoals ladders, wielen, vlaggen en beesten - beelden in brons. Het zijn vrij plompe, zware beelden met een pasteuze huid. Het komt mij voor of ze net uit de materie kruipen, alsof zij zich nog aan het vormen zijn, tot iets heel donkers.

In deze monografie wordt Armando’s oeuvre vanuit diverse invalshoeken beschreven: het belang van zijn kunst voor Nederland en Europa, biografische aspecten, kunsthistorische plaatsing en invloeden. Ook is er aandacht voor Armando als multitalent; behalve beeldend kunstenaar is hij violist, dichter, schrijver, journalist en acteur. Eén artikel is gewijd aan diens poëzie. Armando gebruikt flarden uit gesprekken en teksten. Ruim 250 afbeeldingen geven een goede indruk van Armando’s kunstenaarschap dat zich over zes decennia uitstrekt.

Armando /Tussen het weten en begrijpen, Antoon Melissen (red.), NAI010 Uitgevers, ISBN 978-94-6208-185-7

Uit Beelden 1#2015

Hans Hovy – Sculptissimo

In het prachtige strijklicht van de projectenzaal in het Gemeentemuseum Den Haag liggen achttien wit-roze beelden op identieke witte sokkels. Deze beelden van Hans Hovy hebben een ronde hoofdvorm van poederachtig en doorschijnend albast. Allerlei ronde openingen geven een blik op het binnenste van de steen. Kleinere onderdelen van roze speksteen, een soort worstjes of bolvormen, stulpen uit de hoofdvorm of penetreren deze, het is maar hoe je het bekijkt. De ronde vormen, zachte kleuren en textuur roepen associaties op als snoepgoed, marsepein, zeekomkommers, menselijke huid en billen. De auteurs van deze uitgave bij de tentoonstelling, Benno Tempel en Dominic van den Boogerd benoemen de zinnelijkheid van Hovy’s sculpturen, de verleiding tot aanraken. En “dat is frustrerend, want kijken mag, maar aankomen niet. Genot gaat gepaard met verbod.” Hans Hovy speelt bewust een spel met de toeschouwer, een spel “tussen verleiding en restrictie”. De namen van de beelden als Licking en Wanting verhogen de suggestie van dubbelzinnigheid. Toch bewaren Hovy’s sculpturen door een zekere kinderlijke speelsheid, hun onschuld en worden ze nooit onbetamelijk.

Sculptissimo is de titel van deze catalogus, een niet bestaand woord dat men zou kunnen opvatten als de overtreffende trap van sculptuur. Hans Hovy is voor alles een beeldhouwer, ook als hij keramieken sieraden of vazen maakt. In 2014 begon Hovy met een reeks keramische werken die hij Sculptramics noemde, een samentrekking tussen sculpture en ceramics. Deze objecten zijn hooggebakken en geglazuurd en kunnen prima dienst doen als bloemenvazen, alhoewel ze niet op deze functionaliteit zijn ontworpen. Tot nu toe heeft Hovy hier veertig van gemaakt. In deze catalogus is slechts één Sculptramic afgebeeld. Alle ruimte is gegeven aan de Sculptissimo reeks. De grote kleurenfoto’s brengen de zinnelijkheid van Hovy’s sculpturen goed in beeld. Het verfijnde, rustige ontwerp van de catalogus was in handen van Rutger Fuchs en past goed bij het werk van Hans Hovy dat ook niet van de daken schreeuwt. De tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag liep van 29 november 2014 t/m 6 april 2015.

Hans Hovy – Sculptissimo, Benno Tempel en Dominic van den Boogerd, Gemeentemuseum Den Haag en Galerie Onrust Amsterdam, ISBN 978-90-76135-17-5

Ron van der Ende

Dit Engelstalig boek over het oeuvre van Ron van der Ende verscheen tegelijk met een grote overzichtstentoonstelling van 20 december 2014 t/m 1 maart 2015 in de Kunsthal van Rotterdam. Een aanzienlijk deel van de werken was afkomstig uit privé-verzamelingen en was niet eerder voor een publiek te zien. Jannet de Goede, curator van de tentoonstelling, schrijft in het voorwoord dat het niet toevallig is dat Van der Ende’s werk zo gewild is bij verzamelaars. Van der Ende maakt beelden in bas-relief die hij opbouwt uit stukken hout. De objecten die hij construeert zijn vaak technische gebruiksvoorwerpen, als Amerikaanse auto’s, vliegtuigen en apparaten. Het zijn concrete, uitgesproken voorwerpen die herinneren aan jongensachtig speelgoed als dinky-toys. Samen met de schilderachtige kwaliteit van het oppervlak, maakt dat zijn kunstwerken direct aanspreken. Dit is ook de ervaring van auteurs die Ron van de Ende uitnodigde om op zijn werk te reflecteren: de fotografe Hester Keijser en Rijksbouwmeester Frits van Dongen. Keijser gaat in op wat haar als fotografe opvalt, namelijk dat Van der Ende zijn objecten altijd vanaf een specifiek standpunt laat zien en dat zijn werken ondanks de grote afmetingen toch echte bas-reliefs zijn van slechts enkele tientallen centimers diep. Frits van Dongen belicht de schilderachtige kwaliteit van diens werk. Van der Ende schildert zijn werk nooit zelf maar gebruikt geverfd tweedehands hout. Dichtbij zie je het mozaïek van de stukjes vernis die hij bijeen heeft gebracht.

De kern van het boek wordt gevormd door foto’s van het vroege werk, experimenten en schetsen, gevolgd door afbeeldingen van de bas-reliefs die hij maakte vanaf het millennium. Voor wie zich verder wil verdiepen in het werk, bracht Van der Ende allerlei bronnenmateriaal bijeen. The Factory Set, de titel van het boek en de tentoonstelling, baseerde de kunstenaar op het muziekstuk bij een beroemde scene uit Charlie Chaplins film Modern Times. Daar valt het hoofdpersonnage Little Tramp, gespeeld door Chaplin, in slaap boven de lopende band. Zijn baas komt vervolgens vast te zitten in het raderwerk van zijn eigen fabriek. Op de kaft van het boek zien we een dergelijk rader. Maar anders dan het gefabriceerde object, reconstrueerde Van der Ende het via een arbeidsintensief proces tot een uniek (na-)beeld.

The Factory Set / Ron van der Ende, Jannet de Goede, Hester Keijser, Frits van Dongen, Braden King, Ron van der Ende, Frame Publishers, ISBN 987654321

Onderzeebootloods

In de meeste boeken die ik voor een recensie krijg toegestuurd, begin ik na een korte blik op de titel meteen te bladeren en te lezen. Bij deze uitgave keek ik eerst een poos naar de kaft. De kleurcontrasten, van een felrood gekleurde industriële loods omgeven door zachte kleuren, en de bijpassende typografie van een ouderwets aandoend stoer lettertype, vind ik bijzonder mooi. Het is een ontwerp van Thonik, het bureau dat ondermeer verantwoordelijk is voor de huisstijl van Museum Boijmans Van Beuningen.

De tentoonstellingen in de Onderzeebootloods waren een samenwerking tussen het Havenbedrijf Rotterdam en Museum Boijmans Van Beuningen en deze hebben in Beelden al uitgebreid aandacht gekregen. Peke Hofman schreef over Joep van Lieshout en diens spraakmakende tentoonstelling Infernopolis (Beelden 2#2010). “In de loods van 5.000 m2 heeft hij een setting gecreeërd die zowel huiveringwekkend en sinister, als aantrekkelijk en humoristisch, utopisch en hedendaags als realistisch en fantastisch te noemen is.“ Ook over de The One & The Many van Elmgreen & Dragset schreef Hofman een recensie (Beelden 2#2011). Dit kunstenaarsduo bouwde de loods om tot een gigantische ‘filmset’ van een stad waarin acteurs van het RO Theater figureerden. Hofman vond dat Elmgreen & Dragset er in geslaagd zijn de toeschouwer te activeren, te prikkelen en uit te dagen. “Of je nu wilt of niet: je wordt zelf onderdeel van een surrealistisch verhaal. Het is alsof je in je eigen film speelt.” Ballads, het project van de Armeense kunstenaar Sarkis, werd beschreven door Piet Augustijn (Beelden 2#2012). Sarkis liet de ruimte van de Onderzeebootloods in tact. Centraal stonden twee installaties; een grote klokkentoren van boomstammen met daarin een carillon dat een compositie van John Cage speelde en een 16 meter hoge ijle zuil beplakt met donsveertjes. Augustijn vond dat de loods het karakter kreeg van een kathedraal. “Het is geen spektakel voor je ogen, maar voor je geest.” Alleen de tentoonstelling XXXL Painting (2013) bleef onbesproken omdat het onderwerp buiten de scope van Beelden valt.

De tentoonstellingen zijn in foto’s en verhalen vastgelegd in dit boek; de curatoren schreven heldere stukken over het ontstaan van de projecten, met achtergrondinformatie over de kunstenaars. Deze uitgave sluit een periode af. In maart heropent de Onderzeebootloods, om voortaan onderdak te bieden aan culturele en havengerelateerde evenementen.

Onderzeebootloods Submarine Wharf 2010-2013, Maartje Berendsen, Sjarel Ex, Nicolette Gast, Els Hoek, Saskia van Kampen-Prein, Museum Boijmans Van Beuningen, ISBN 978-90-6918-282-7

Uit Beelden 4#2014 

How to visit an art museum

Hoe leer ik gitaar spelen? Hoe maak ik mijn eigen buitenkachel? Voor alles is tegenwoordig wel een instructie te vinden, online of in de boekhandel. Johan Idema schreef een handboek voor museumbezoekers. Hoe kunnen zij er zelf voor zorgen dat hun museumbezoek echt de moeite waard wordt? Op de kaft zien we de eerste tip: stop wandering, start acting! Een beetje gedachtenloos langs kunstwerken dwalen, is niet bevredigend, zegt Idema. Kunst gaat pas leven als je vragen stelt bij wat je ziet en je openstelt voor de gevoelens die kunstwerken bij je oproepen. Idema reikt ideeën aan om ontvankelijk te worden. Neem jonge kinderen mee, is er één van. Kinderen zeggen wat er in hun hoofd opkomt en dat zijn vaak bijzondere associaties. De auteur stimuleert bezoekers om de grote stilte in musea te doorbreken. Knoop gesprekken aan met suppoosten, museumgidsen en medebezoekers, zegt hij. Zij vertellen je dikwijls mooie, persoonlijke verhalen. Neem je eigen muziek mee en kijk wat er gebeurt tussen jou en de kunstwerken. Kijk hoe anderen kijken. Ga er goed voor zitten. Pauzeer in het museumrestaurant en praat over wat je gezien hebt. De eenvoud van Idema’s instructies is prettig. Soms gaat hij iets te kort door de bocht, bijvoorbeeld hoe goede en slechte kunst van elkaar te onderscheiden. Dit Engelstalige gidsje is niet voor professionals geschreven. Kunstliefhebbers vinden tussen de vele frisse tips en kijkaanwijzingen van Johan Idema ongetwijfeld aanknopingspunten voor een plezierige én zinvolle rondgang door de museumzalen.

How to visit an art museum, Johan Idema, BIS Publishers, ISBN 978-90-6369-355-8

Wat kunst is

Na zijn studie filosofie volgde mijn man een curriculum kunstgeschiedenis. Het contrast met zijn eerdere studie was groot. Had hij zich in de zes jaar ervoor gebogen over teksten, nu bestond zijn studiemateriaal grotendeels uit afbeeldingen. Tijdens het eerste college vroeg mijn man de docent om een definitie; wat is kunst? Tot zijn onsteltenis volgde er geen antwoord, zelfs geen werkdefinitie. Nog steeds vindt hij het onbegrijpelijk dat je een vak bestudeert, laat staan doceert, zonder dat je weet wat je onderwerp eigenlijk is.

De hedendaagse filosofen komen er ook niet echt uit. Vanwege de enorme verscheidenheid aan verschijningsvormen van kunst wordt uitgegaan van een open, ondefinieerbaar concept. De Amerikaanse kunstcriticus en filosoof Arthur C. Danto (1924-2013) nam hier geen genoegen mee en ging op zoek naar gemeenschappelijke kenmerken van alle kunstwerken, dus naar een gesloten concept. In het eerste hoofdstuk van zijn boek Wat kunst is bespreekt hij in vogelvlucht de kunstgeschiedenis en filosofische ideeën over kunst. Met de komst van de moderne kunst zijn de aloude definities van kunst, als imitator van de werkelijkheid of drager van schoonheid, voorgoed van de baan. Een nieuwe definitie laat op zich wachten. Danto komt tot het inzicht dat filosofen geloven in een open concept omdat ze geen gemeenschappelijke zichtbare kenmerken kunnen ontdekken. Aan de hand van het werk van Donald Judd en Andy Warhol laat Danto zien dat het juist gaat om gemeenschappelijke kenmerken die ‘onzichtbaar’ zijn. Hij stelt dat een kunstwerk altijd gedefineerd wordt door twee noodzakelijke voorwaarden: ‘de belichaming van betekenis’ en ‘het droomachtige karakter’. Danto besteedt in zijn boek de meeste aandacht aan het eerste. “De belichaming (…) van betekenissen is misschien alles wat we nodig hebben als filosofische theorie van wat kunst is. Maar kunstbeschouwing, die bestaat uit het vinden van de manier waarop een idee is belichaamd, verschilt per werk.” Dit laatste verklaart mogelijk de verwarring van de docent kunstgeschiedenis en waarom deze het antwoord op de vraag van mijn man schuldig moest blijven. Arthur C. Danto bespreekt in Wat kunst is bijdragen van filosofen als Descartes, Kant en Hegel en kunstenaars als Michelangelo, Poussin en Duchamp. De gepassioneerde vertelling en heldere uitleg, maakt dit onderzoek naar een fundamenteel en complex vraagstuk goed verteerbaar voor de lezer

Wat kunst is, Arthur C. Danto, Prometheus – Bert Bakker, ISBN 978-90-351-4242-8

Anthony McCall

De Britse kunstenaar Anthony McCall maakt in de jaren zeventig Land-Art, performances en installaties op het grensvlak van film en beeldende kunst. Met zijn Solid Light Films heeft McCall iets bijzonders gecreëerd, iets dat even eenvoudig is als revolutionair. De basis van zijn film Line Describing a Cone bestaat uit een lijntekening van wit gouache op een zwart vlak. Het tekenen van deze lijn legt hij vast met animatie en deze animatiefilm projecteert hij in een lege, donkere ruimte. De toeschouwers staan met hun gezicht naar de projector, dus met hun rug naar het projectievlak. De film start met een lijn, zoals een laserstraal, en ontwikkelt zich in ongeveer een half uur tot een complete, holle kegel. Stofdeeltjes en rook reflecteren in de lichtstraal en geven ‘substantie’ aan de kegel. De toeschouwers staan midden in een driedimensionale film!

Na de jaren zeventig gaat McCall werken als grafisch ontwerper. Vanaf 2001 wijdt hij zich weer helemaal aan zijn lichtinstallaties, met digitale remakes van zijn oude werk en nieuwe installaties. Filmmuseum EYE maakte een tentoonstelling en een bijbehorende catalogus. Maxa Zoller, samen met Jaap Guldemond curator van de tentoonstelling, interviewt McCall. Zij is vooral geïnteresseerd in de verbanden tussen het oude en nieuwe werk. Hebben zijn werken in de jaren zeventig een performance karakter, nu zijn het doorlopende projecties in galeries en musea. Zij worden als sculpturen ervaren, mede door de andere projectierichting, horizontaal in de jaren zeventig en verticaal tegenwoordig. Maar in feite, zegt McCall, is alles gebaseerd op een kleine set ideeën, die met elkaar samenhangen en door veranderende omstandigheden (o.a. analoog versus digitaal) nieuwe betekenis krijgen. Kunsthistoricus Luke Smythe schreef een essay over de ‘somaesthetische’ kwaliteit van McCalls Solid Light installaties. In de huidige maatschappij raken mensen vervreemd van hun eigen lichaam. Snelle computergames en extreme sportbeoefening, overprikkelen de zintuigen en het lichaam. McCalls werken ontwikkelen zich langzaam in de ruimte en belasten de zintuigen minimaal. Zij kunnen mensen weer in balans brengen. In deze uitgave is ten slotte een artikel van Anthony McCall zelf opgenomen. Hij duidt het werk uit de jaren zeventig, met aandacht voor het artistieke milieu waarin het is ontstaan.

Anthony McCall. Face to Face, Sandra den Hamer, Jaap Guldemond, Anthony McCall, Luke Smythe, Maxa Zoller, nai010 uitgevers, ISBN 978-94-6208-175-8

Uit Beelden 3#2014 

Nederlandse beeldhouwkunst – Een apologie 

Tijdens mijn studie kunstgeschiedenis in Nijmegen was er geen aparte cursus voor beeldhouwkunst. Sculptuur kwam ‘tussendoor’ aan de orde. Achteraf is dat vreemd, want intussen was Nederland al vol gezet met beelden en monumenten. Jan Teeuwisse, directeur van Museum Beelden aan Zee/Sculptuur Instituut betoogt dat Nederland wel degelijk een beeldhouwland is maar dat wij nog schromen dat te erkennen. We gaan bovendien slecht met onze beeldhouwkunst om en hebben weinig kennis. Dit statement is de kern van zijn oratie waarmee Teeuwisse de bijzondere leerstoel ‘Geschiedenis, theorie en praktijk van de moderne beeldhouwkunst’ aan de Universiteit van Leiden aanvaardde. De tekst van zijn ‘apologie’ oftewel ‘verweerschrift’ is nu met illustraties en noten in boekvorm verschenen. In het eerste deel van zijn betoog, gaat Teeuwisse in op het al dan niet bestaan van een traditie in de beeldhouwkunst, zoals dat in de kunstgeschiedenis is voorgesteld. Een algemeen beeld is dat de traditie met de Beeldenstorm van 1566 werd doorbroken en dat zij vanaf 1900 aan een wonderlijke herrijzenis begon. Er zijn in de loop van tijd tal van argumenten opgevoerd die verklaren waarom Nederland van nature géén land van beeldhouwers zou zijn (religie, volksaard, landschap, natuurlijke bronnen). Teeuwisse is deze allemaal nagegaan en draagt voorbeelden aan van historische sculpturen die deze argumenten ontkrachten. Onze calvinistische en nuchtere volksaard zou zich niet verdragen met persoonsverheerlijking. Teeuwisse vond alleen al vijftig 19e eeuwse standbeelden van Nederlandse ‘helden’. Vervolgens spreekt hij over de pleitbezorgers van de beeldhouwkunst in Nederland verbonden aan universiteiten, musea en tijdschriften. Jammer genoeg noemt Teeuwisse de Nederlandse Kring van Beeldhouwers, niet evenals dit tijdschrift, terwijl Beeldenmagazine toch al decennialang een bron van kennis is en opinievormend op het gebied van de ruimtelijke kunst. Als laatste schetst hij het doel van zijn leerstoel: “een grote tentoonstelling met een overzicht van de Nederlandse Beeldhouwkunst uit de twintigste eeuw die alle ruimten van museum Beelden aan Zee zal vullen en een lijvige publicatie in grote oplage (…)”. “Binnen de driehoek Universiteit Leiden, het Sculptuur Instituut en museum Beelden aan Zee zal het project gestalte krijgen in samenwerking met studenten, promovendi, collega’s en kunstenaars”. “Kortom er is werk aan de winkel!”

Nederlandse Beeldhouwkunst – Een apologie, Jan Teeuwisse, Waanders Uitgevers, Sculptuur Instituut, ISBN 978 94 91196 76 9

Steen in water 

Wie in google maps de volgende coördinaten intypt (51.9538653, 4.02313700), krijgt zicht op de eerste Maasvlakte en een fabriek in een opmerkelijk golvende omgeving van cirkels, dalen, heuvels en lijnen. Dit zijn de overgebleven structuren van wat veertig jaar geleden het grootste Land Art-kunstwerk van Nederland was. Het was ontworpen door de kunstenaars Kees Verschuren en Teun Jacob, voor de omgeving van de toen nieuwe elektriciteitscentrale van Rotterdam. (Teun Jacob was, samen met Annet Chavannes, tot aan het eind van zijn leven een van de drijvende krachten achter het vakblad voor beeldend kunstenaars BK-informatie.) In een bescheiden boekje voor een dergelijk ambitieus en grootschalig project, verhaalt Sandra Smets over de achtergrond en het ontstaan. Verschuren en Jacob vonden een eigen vorm van Land Art uit. Ideeën van aardwerken in de natuur combineerden zij met de omgevingskunst van de Arnhemse school. Naast beplanting verwerkten ze veel industriële materialen zoals asfalt en beton in hun ontwerp. Het duurde maar liefst vijf jaar voordat het project werd opgeleverd. Dit had te maken met de omvang maar ook met de heersende inspraakcultuur, typisch voor de jaren zeventig. Voor Jacob en Verschuren was het lastig werken; op bijeenkomsten en tentoonstellingen was er weinig belangstelling, terwijl men achteraf allerlei kritiek had. Het aardwerk van Jacob en Verschuren is langzaam aan het verdwijnen, door de komst van nieuwe fabrieken en de werking van de natuur. Uiteindelijk zal alleen documentatie - schetstekeningen, foto’s en teksten – van het kunstwerk resten. Met de komst van de tweede Maasvlakte is het goed dat dit boekje nu is uitgegeven, als ode aan een bijzonder maar onbekend aardwerk en haar kunstenaars.

Steen in water. Een onbekend aardwerk voor de 1e Maasvlakte, Han Lörzing, Sandra Smets, ICU art projects Rotterdam, ISBN 978-90-819835-1-8

De vlammende wereld 

Dat het nemen van wraak op de wereld en op mannen vrijwel nooit tot triomf leidt voor de wraakneemster, had de hoofdpersoon van deze roman eigenlijk wel kunnen weten; belezen als ze was en ingevoerd in de klassieken. De New Yorkse kunstenares Harriet Burden bedenkt een undercoverproject om alsnog erkenning te krijgen voor haar werk. Ze is dan al op leeftijd. Haar man, de rijke kunsthandelaar Ethan Lord naar wie ze zich altijd uit liefde heeft gevoegd ondanks zijn overspelige aard, zijn kinderen gebaard en gastvrouw gespeeld, is overleden. Ze benadert drie kunstenaars met haar ideeën voor een kunstwerk, om aan te tonen dat als haar werk in naam van een jonge en mannelijke kunstenaar de wereld ingaat dit wel aandacht krijgt en op waarde wordt geschat. Wat ook gebeurt. Echter, van tevoren had zij zich voorgesteld dat de jongemannen slechts als ‘maskers’ zouden fungeren voor haar kunstwerken; in de praktijk werden het samenwerkingsprojecten zonder dat zij dit zelf in de gaten had. De eerste kunstenaar, erg jong en onervaren, beschuldigt haar ervan zijn puurheid te hebben ontnomen en neemt de benen. De tweede is een zwarte homoseksuele man die het spel meespeelt. De laatste kunstenaar, de niet-intellectuele rouwdouwer Rune, maakt het haar het meest lastig door het verhaal om te keren. Hij marginaliseert haar invloed op ‘zijn’ kunstwerk en gaat met alle eer strijken. Dit zijn enkele feiten die je als lezer uit het verhaal kunt destilleren, maar hoe het allemaal precies zit daar kom je niet achter. De roman bestaat uit dagboekfragmenten, knipsels en interviews met mensen uit Burdens omgeving die elk een andere visie op het gebeuren geven. De roman heeft een grote gelaagdheid. Ondanks de ingewikkelde structuur is het een spannende roman.  Hustvedt snijdt allerlei ‘feministische’ thema’s aan en roept ook vragen op over kunst, bijvoorbeeld de vraag  in hoeverre de persoonlijkheid van een kunstenaar in een kunstwerk gevangen kan worden. Nu zie ik het. De namen van de hoofdpersonen zijn niet toevallig gekozen. Harriet Burden, last in het Engels, is de vrouw die de lasten draagt en Ethan Lord, de man die nog altijd koning is. 

De vlammende wereld, Siri Hustvedt, De Bezige Bij, ISBN 978 90 234 8279 6

Uit Beelden 2#2014

Beeldenpark Drechtoevers

Deze catalogus brengt twee kunstroutes van de Drechtsteden Papendrecht en Zwijndrecht in beeld. Sinds 1996 is in Zwijndrecht het Beeldenpark Noordpark geopend, dat indertijd is opgezet als een semipermanent buitendepot voor beelden van leden van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers, maar inmiddels ook open staat voor werk van niet leden. De kunstenaars hebben de 38 sculpturen ‘om niet’ ter beschikking gesteld en zorgen ook voor de exploitatie van het beeldenpark. De meeste werken zijn abstract en non-figuratief. Er zijn beelden die je als ‘robuust’ kan betitelen (Ton Kalle, Herbert Nouwens en Leo de Vries). Daarnaast zijn er beelden met een open structuur, zoals de constructie van Wieke Terpstra, gelast van honderden witte staafjes. Een ogenschijnlijke wirwar, maar als je wat langer kijkt, zie je een leeuw tevoorschijn komen. Aan de tegenover gelegen Papendrechtse oever is sinds 2010 de buitententoonstelling Riverside te zien. Hier vooral beelden die de mensfiguur als uitgangspunt hebben. Ook deze groep van 11 beelden is veelzijdig. Van een grove aanduiding van het menselijk lichaam in hout (Maria Glandorf), tot volumineuze bronzen torso’s (Maïté Duval) en een Engel op zuilengalerij (Caius Spronken). Op elk hun eigen wijze vinden deze drie sculpturen hun oorsprong in klassieke beeldhouwkunst. De selectiecommissie koos een reeks sterke kunstwerken - zonder al te grote verrassingen - die een goed beeld geeft van de ontwikkelingen in de beeldhouwkunst vanaf 1996. In de catalogus begeleiden ter zake doende teksten van Piet Augustijn de mooie, full colour foto’s van de kunstwerken. Het boek heeft een prettig breed formaat. Jammer alleen dat het kaft zo dun is. Mij maakt het enthousiast om deze Drechtsteden met hun kunstwerken aan het water te gaan verkennen. Wie gaat er mee?

Beeldenpark Drechtoevers. Drie rivieren route Zwijndrecht en Papendrecht, Piet Augustijn, Uitgave van Stichting Beeldenpark Drechtoevers

Hilde van Canneyt

“Wat speelt zich af achter het gordijn van het atelier en het beeldende kunstgebeuren? Wat gebeurt er tussen de eerst gedachtekronkel en het afgewerkte product? Waarom sluit iemand zich op om te communiceren via een creatie.” Met deze en andere vragen ging Hilde van Canneyt op pad en interviewde 85 Belgische kunstenaars. Alle interviews samen onthullen mogelijk iets van wat het betekent om kunstenaar te zijn en kunst te maken. En samen vormen een soort archief; zijn ze een weerslag van het kunsdiscours over de periode 2008 tot en met 2013. Ik heb ongeveer vijftien interviews gelezen in deze bundel, onder meer met de ruimtelijk werkende kunstenaars Berlinde De Bruyckere, Nick Ervinck, Robin Vermeersch en Koen Vanmechelen. De interviews lezen als spannende verhalen. Door de scherpzinnige vragen die Van Canneyt stelt en haar open houding, gebeurt er echt iets tussen de interviewer en kunstenaar. Haar vragen lijken (deels) spontaan tijdens het gesprek naar boven te komen. Het is duidelijk dat Van Canneyt zich van tevoren goed inleest. Af en toe geeft ze een samenvattende inleiding en poneert deze stellig. Niet alle kunstenaars vinden het fijn min of meer voor het blok gezet te worden. Soms dreigt een interview zelfs uit de hand te lopen, zoals dat met Johan Tahon. Van Canneyt geniet echter zoveel sympathie dat kunstenaars bereid zijn om weer aan te sluiten. Dit organisch gegroeide archief groeit door want Hilde van Canneyt vraagt door! Nu ook aan Nederlandse kunstenaars. Voor een volgende uitgave adviseer ik een groter lettertype of meer wit tussen de regels. De combinatie van lappen tekst op grijs papier maakte het lezen een vermoeiende onderneming.

Hilde vraagt/Hilde van Canneyt interviewt 85 Belgische kunstenaars, Design and Publishing Goup,
ISBN 9789082148909

Ann Meskens

De Vlaamse filosofe Ann Meskens verbleef van 2010 tot 2012 als writer-in-residence aan de Gerrit Rietveld Academie. The making of is een weergave van deze periode. Meskens was voortdurend op zoek naar haar rol en functie binnen de academie. Ze knoopte gesprekken aan met studenten die net zo zoekende bleken te zijn als zij zelf: “Ik weet niet wat ik op al jouw vragen moet antwoorden”, zei een student tegen haar. “Ik weet zelfs niet goed waarom ik het doe of wat kunstenaar zijn of worden betekent.” Vanwege het experimentele karakter besloot Meskens om voor dit boek niet voor één literaire vorm te kiezen. Haar verhalen, essays, voordrachten, fragmenten uit logboeken die ze tijdens haar verblijf schreef, bracht ze samen in deze bundel. Ruim baan gaf ze aan citaten van filosofen - zoals aan de anti-kunstenaars-filosoof van het eerste uur Plato - die de lijn in haar redeneringen ondersteunen. Het boek heb ik vaak weggelegd, om de informatie te kunnen verwerken en om af en toe smakelijk te lachen, want wat Meskens overkomt, vertelt ze met kleur en humor. Alle, vaak opmerkelijke gebeurtenissen heeft ze aangegrepen om over kunst te schrijven.

In het openingsverhaal over de taxirit die haar voor het eerst naar de academie brengt, begint de taxichauffeur zonder duidelijke aanleiding te foeteren dat kunst tegenwoordig weinig voorstelt en larie is. Kunstenaars zijn eigenlijk niets meer dan apen, meent de chauffeur. Hij refereert aan een achterhaald onderzoek over schilderende apen; dat het publiek geen verschil kon zien tussen de kunstwerken van apen en kunstenaars. Voor Meskens, te overdonderd om direct te reageren, is deze gebeurtenis een beweegreden om een innerlijke dialoog aan te gaan met de taxichauffeur. Zo krijgt ze weer in het vizier wat een wezenlijk verschil is tussen mens en dier: dat mensen alleen staan in hun drang uit zichzelf kunst te maken én te voltooien. Meskens gaat deelnemen aan activiteiten zoals aan UnCut dat plaatsvindt in het najaar. Studenten werken dan buiten de academie en treden bewust in contact met het publiek. De presentatie vindt plaats in De Brakke Grond. Voor UnCut2 was het fenomeen ‘hacken’ het thema. Studenten zouden die avond allerlei media gaan hacken. Ann Meskens hackte de boel metaforisch door ongevraagd de microfoon te grijpen en haar visie te geven: dat hacken net als kunst verbeeldingsruimte is. Meskens verwachtte dat zij aan het eind van haar onverhoedse, steeds luidkeelser wordende optreden op zijn minst van het podium afgevoerd zou worden. “Maar het resultaat was (...) dat de grote baas Tijmen van Grootheest in plaats van mijn schrijfopdracht af te nemen, mij ruimhartig trakteerde op een glaasje rode wijn. Ik heb mij zelden zo onbegrepen gevoeld.” En dat begrijp ik dan weer niet. Een ‘anti-autoritair’ optreden in een kunstenaarsomgeving is eerder norm dan uitzondering en je kunt dan toch niet verwachten dat dit enige weerstand oproept?

In de week van de eindexamens is de Rietveldacademie een en al bedrijvigheid. Meskens ziet de studenten met bleke neuzen en vermoeide gezichten in de gangen zitten. Er staat veel voor ze op het spel. Zij wordt gevraagd om als writer-in-residence op de eindexamententoonstelling aanwezig te zijn. Het eerste jaar houdt Meskens kantoor in de lift van het gebouw. Omdat mensen ervan in de war raken (ben ik hier wel goed?) en het een nogal beweeglijke toestand is, besluit ze het tweede jaar een caravan te betrekken. Ondanks het informatieblaadje aan de buitenkant, denken sommige bezoekers toch dat dit een eindexamenproject is. Meskens schrijft in haar logboek: “Daarna schreef ik (..) op een tweede A4’tje: This is not Art!”. Meteen besefte ze dat dit, met Margitte’s Ceci n’est pas une pipe! indachtig de verwarring alleen maar groter maakte. “Soms geraak je niet meer uit een kunstdiscours, zelfs al zou je willen. Duchamp zette een urinoir in een museum, en het werd mogelijk om dit als kunst te zien. Ik zette een caravan op de binnenplaats van de Rietveld Academie en het is bijna onmogelijk om het niet als kunst te zien. Ik waaide hier aan, en zal ook weer wegwaaien. Maar ik zal nooit meer uit het denken over kunst raken.” Een fijn boek is The making of, zinnig, grappig en poëtisch. En heel anders dan het dichtgetimmerde pamflet van Alain de Botton, geeft deze bundel van Ann Meskens juist alle ruimte voor je eigen gedachten over kunst en filosofie.

The making of/werkplaats voor mogelijke kunst, Anne Meskens, Uitgeverij Lemiscaat en Gerrit Rietveld Academie, ISBN 978 90 477 0604 5

Uit Beelden 1#2014

Margriet Luyten

Negen verstilde videoportretten maakte Margriet Luyten van kunstenaars op leeftijd: Armando, Ata Kandó, Ger Lataster, Loes van der Horst, Henk Peeters, Roger Raveel, Nono Reinhold, JCJ Vanderheyden en Co Westerik. Bij aanvang van het project in 2010 behoorden zij tot de oudste generatie kunstenaars van naam in ons land. Vijf van hen waren inmiddels overleden toen Levenswerk onlangs in De Pont tentoongesteld werd. In het boek over dit kunstproject zien we steeds een foto van de kunstenaar als jongeman of –vrouw, gevolgd door stills uit de video. De oude kunstenaar zit vaak te midden van zijn of haar kunstwerken te peinzen of is aan het werk. Na een inleidende tekst van museumdirecteur Hendrik Driessen reflecteren drie auteurs op Levenswerk. Douwe Draaisma brengt het in verband met Vanitas schilderijen, waarin soms een jong portret gecombineerd werd met een oud portret of objecten als een schedel of gedoofde kaars. Wat Draaisma opvalt, is dat in de vroege foto’s van de kunstenaars eigenlijk méér leven zit dan in de bewegende filmportretten. “Het is alsof er in de zestig, zeventig jaar die intussen zijn verstreken iets tot rust is gekomen.” Wel ontwaart hij een spanning bij de kunstenaars nu ze in het kunstwerk van Luyten worden vastgelegd; ze lijken te beseffen dat dit kunstwerk er nog is als zij zelf zijn verdwenen. Net als hun eigen kunstwerken. Peter Sonderen verhaalt over de beeldhouwer Canova die als eerste kunstenaar gipsafdrukken van zijn werken samenbracht en zo kon terugblikken op een oeuvre. Deze oude kunstenaars doen dat ook. Sommige zijn content, andere niet zoals Loes van der Horst. Zij vindt dat haar werk slechts ten dele is erkend. In de collectie van het Stedelijk Museum, voor haar en haar generatie het hoogst haalbare en referentiekader bij uitstek, zijn er nog geen tekeningen van haar opgenomen. Leo Delfgaauw schrijft ondermeer over de verbeelding van de gang van jong naar oud in de kunst. Margriet Luyten portretteert deze kunstenaarslevens niet lineair (op weg naar het einde) maar op cyclische wijze. Een eindeloos opnieuw beginnen. Co Westerik en Armando zijn nog elke dag in hun atelier te vinden. Naar buiten kijken, is niets voor hen. Het najagen van beelden houdt hen op de been.

Levenswerk - Life’s Work, Margriet Luyten, Hendrik Driessen, Douwe Draaisma, Peter Sonderen en Leo Delfgaauw, Uitgeverij Pels & Kemper, ISBN/EAN 9789079372126

Jan van Munster

Koude handen krijg ik van het boek over het IK-eiland van Jan van Munster. Het heeft een metalen cover met daarin uitgesneden de letters I en K. Daarachter een foto van een staalblauwe zee, waarin mijn ik subliem kan verdrinken. Dit koele begin is snel vergeten als ik me verdiep in het boek. Het werk van Jan van Munster gaat over de voortdurende zoektocht naar identiteit en hoe dit vorm te geven. Want wie of wat is ‘ik’? Van Munster liet ooit een ECG maken van zijn hersengolven. Stukjes uit zijn Brainwave vormde hij in neon. Deze lichtsculpturen kun je op veel manieren bezien: als concept, interessante vorm, als uitbeelding van een lichaamsfunctie, de gedachten en persoonlijkheid van de kunstenaar. ‘Ik’ is zowel het meest persoonlijke en intieme dat een mens heeft als iets algemeens, want iedereen heeft een ‘ik’. Met de creatie van het IK-eiland biedt Jan van Munster de optimale ruimte aan zichzelf en de ander. Vanaf 2005 heeft hij i.s.m. Stichting IK op een terrein rond de oude watertoren van het Zeeuwse Oost-Souburg een kunstenclave ontwikkeld. In de watertoren kwam zijn atelier; hij ontwierp een rond woonhuis voor zichzelf en twee ruime paviljoens in de vorm van de letters I en K. Hier kunnen kunstenaars een tijdlang wonen, werken en hun kunst tentoonstellen. David Bade, Maja van Hanno, Koen Vermeulen en Birthe Leemeijer e.a. zijn er al te gast  geweest. Edwin Jacobs, directeur van het Centraal Museum Utrecht, schreef een tekst over Jan van Munster en de ‘ik’ in de kunst dat zijn aanvang nam met Caspar David Friedrich. In het werk van Jan van Munster komen de letters I en K, als vorm, vaak terug. Jacobs vermoedt dat het niet toevallig is dat de paviljoens dezelfde vorm hebben als veel van zijn beeldend werk. Jan van Munster stelt als het ware zijn eigen IK/kunstwerk open voor anderen. “Geen andere Nederlandse kunstenaar heeft zich op een dergelijk omvangrijke schaal blootgesteld aan het meest kwetsbare dat mensen elkaar kunnen aanbieden, namelijk kunst.” Wat mij vooral treft, is de enorme scheppingskracht die in dit totaalkunstwerk tot uitdrukking komt. Deze plek heeft Jan van Munster in al haar facetten naar zijn wil vormgegeven. Als de gelegenheid zich voordoet, zal ik graag een keer bij het IK-eiland ‘aanmeren’.

IK-eiland, Edwin Jacobs, Piet Vollaard, Bea Weuthen en Riëlle Boerland, 99 Uitgevers/Publishers, ISBN 978-90-78670-32-2

Marjolijn Mandersloot

In kunst, design en sociale media stuwen beelden van dieren ons knuffelhormoon-gehalte tot grote hoogte of leiden juist tot enorme ergernis. De wereld lijkt bevolkt door konijnen, honden en katten opgeblazen tot reuzenformaat. Vooral het hert (in haar geheel of alleen het gewei) is helemaal trendy. Nu op de cover van het boek over het werk van Marjolijn Mandersloot pontificaal een hert prijkt, moet ik me eerst over mijn wantrouwen heen zetten. Als snel begrijp ik dat het werk van Mandersloot niet oppervlakkig is maar meerdere betekenislagen heeft. Een recent kunstwerk is Helpdesk, dat bestaat uit op elkaar balancerende stoelen en tafels waar bovenop stokstaartjes staan uit te kijken. Stokstaartjes zijn nerveuzige beestjes die leunend op hun staarten halsreikend hun omgeving afspeuren. Dreigt er gevaar? De tafels en stoelen staan in een onmogelijke balans en lijken elk moment om te gaan vallen. Aan deze helpdesk van Marjolijn Mandersloot word je helemaal niet geholpen, deze brengt je juist in gevaar: help! desk!. Haar beelden roepen vaak deze dubbele gevoelens op; van geruststelling door een lief of vriendelijk uiterlijk maar bij nader inzien ook ongerustheid. Je weet nooit ‘whodunit’. Mandersloot heeft een heel eigen materiaalgebruik. Van vuilniszakken maakt ze een olifant en die vorm giet ze weer in brons. De knoop van de vuilniszak is het staartje. Bijzonder zijn haar dieren in leer. Ze werkt samen met het modehuis Hermès, dat bekend staat om de toepassing van luxe leersoorten. Whodunit kun je lezen met een kind op schoot, maar ook als aanleiding voor een aardige discussie over de betekenis van deze kunstwerken.

Marjolijn Mandersloot, Whodunit, Annabelle Birnie en Edwin van Onna, Frame Publisher, ISBN 978-9491727-31-3 

Uit Beelden 4#2013

Peter Zegveld

Een vreemde gewaarwording om in alle stilte een boek te lezen over kunstwerken die bewegen, knarsen en roepen; die exploderen tot je oren ervan tuten. De luidruchtige werken van Peter Zegveld, een veelzijdige kunstenaar, die ook actief is in het theater, zijn vaak gebaseerd op natuurkundige principes: de werking van licht, lucht, geluid en zwaartekracht. Bekendheid kreeg hij in de jaren tachtig toen hij een concertpodium bouwde over de nog niet in gebruik genomen snelweg tussen Almere en Amsterdam; Dynamica Tumultus was een muziekstuk voor orkest en langsrazende auto’s en wagens met sirenes voor het dopplereffect. Naast kunstwerken die subtiele geluiden voortbrengen, zoals zijn Noppenfolievernietiger, waarbij noppenfolie traag door een pers wordt gewalst, heeft Zegveld tal van kunstwerken gemaakt die ontploffen, vandaar de titel Exploded View. Met een verfbazooka bestookte hij de muren van Aorta in Amsterdam en in de Schouderklop van God konden bezoekers zelf vrijwillig een explosie ondergaan. Aan deze catalogus werkten veel schrijvers mee, onder wie Marina de Vries, Dirk van Weelden, Marijn van der Jagt en Alex de Vries. Het is dan ook ontzettend leuk om te schrijven over Peter Zegveld en zijn rebelse en verwondering oproepende installaties. Een bijzondere vermelding waard is het boekontwerp van Irma Boom. Letters van de naam van de kunstenaar en titel waaieren over het kaft en de schutbladen. De vormgeving past goed bij het werk van deze speelse kunstenaar.

Peter Zegveld/Exploded view, Marina de Vries, Dirk van Weelden, e.a., Van Tilt Uitgeverij, ISBN 978 94 6004 147 1

Sjoerd Buisman

Uit de bibliografie in de catalogus die verscheen ter gelegenheid van de 65ste verjaardag van Sjoerd Buisman en de overzichtstentoonstelling van zijn werk in het Coda Museum Apeldoorn dit jaar blijkt dat veel auteurs die betrokken zijn bij dit blad over deze kunstenaar geschreven hebben. Terecht, want Sjoerd Buisman is een kunstenaar met een bijzonder en uniek oeuvre. Hij heeft een eigen kunstvorm uitgevonden die door de auteurs vaak beschreven wordt met het woord ‘groeivormen’. Vlak na zijn academietijd en de Ateliers ‘63 begon Buisman met het manipuleren van planten, bomen en gewassen. Hij snoerde pompoenen in met een riem, liet sanseveria’s twee kanten opgroeien, hing wilgen op hun kop; ingrepen om te laten zien welke groeiprocessen en ‘sculpturale gebeurtenissen’ er plaatsvinden in de natuur. Buisman wilde de natuur in de kunst brengen en hiervoor bestudeerde hij haar als een bioloog. Wat nu helemaal in zwang is, om als kunstenaar op grond van wetenschap kunstwerken te maken, deed Sjoerd Buisman al in de jaren zestig. Ook ging hij monumentale kunstwerken maken die hij afleidde van groeiwijzen van planten, zoals bleekselderij. Mijn persoonlijke favoriet blijft Ouroboros. In deze reeks sculpturen, waarvan de naam verwijst naar het archetypische symbool van de slang die in zijn staart bijt, bereikte Buisman een prachtige balans tussen natuur en abstractie. De eenvoudigste Ouroboros bestaat uit een dubbele winding van vierkante takken die in zichzelf terugkeren. Opgehangen aan de wand lijkt de in brons gegoten sculptuur bijna een tekening van lijnen en fijne puntjes (de doornen aan de takken). Deze catalogus is een mooie maar bescheiden uitgave, met teksten van Cherry Duyns, een vriend van Sjoerd Buisman die zijn persoon op poëtische wijze neerzet en van Cees de Boer, die een goed overzicht geeft van de ontwikkeling in het werk van Sjoerd Buisman. Feeërieke foto’s staan er in het boek van het landgoed in Normandië dat Buisman als tuinier en huisman tot een paradijselijke plek heeft omgevormd. Voor mijn gevoel zouden de foto’s op een groter formaat nog beter uitkomen en ook beter passen bij ‘de staat van dienst’ van de kunstenaar Sjoerd Buisman.

Sjoerd Buisman in de tuin van de kunst, Cherry Duyns en Cees de Boer, Uitgeverij de Kunst, ISBN 978 94 91196 55 3

Jan Hoet

In de lente van 2012 werd Jan Hoet op het vliegveld van Hamburg onwel, toen hij hard rennend zijn vliegtuig wilde halen. Vlak voor de gate zakte hij in elkaar en raakte in coma. Alle media in Vlaanderen, Nederland en daarbuiten maakten melding van deze gebeurtenis. Mensen waren bedroefd omdat ze beseften dat de kunstwereld een icoon zou gaan verliezen. Maar dat gebeurde dus niet. Hans den Hartog Jager kreeg een half jaar na zijn herstel de kans om Jan Hoet te interviewen. Hoet was bereid om nog één keer uitgebreid te vertellen over zijn carrière, zijn ideeën over kunst, zijn leven. Den Hartog Jager hoopte om de persoon Jan Hoet anders te treffen dan als de orakelende ‘kunstpaus Hoet’ “die met zijn vele mediaoptredens het zicht beneemt op dat waar het werkelijk om draait: de kunst zelf.” En dat is gelukt. Den Hartog Jager heeft met zijn vragen Jan Hoets fascinaties en drijfveren bloot weten te leggen. Wat ik opmerkelijk vind, aangezien Jan Hoet niet vies is van egostrelerij, is dat hij de Documenta (1992) niet als zijn grootste verdienste ziet, terwijl dit hem grote internationale erkenning heeft opgeleverd. Terugblikkend vindt Hoet zijn Chambres d’Amis (1986) belangrijker. Het idee hiervoor kreeg hij op een conferentie in Bari waar men een nieuw museum wilde bouwen. Amerikaanse museumdirecteuren stelden voor om voor dit museum een deel van de oude binnenstad af te breken. Dit gebrek aan gevoel voor historie stuitte Hoet tegen de borst. Hij vond dat je dan beter kunstenaars zou kunnen vragen om de vervallen huizen op te knappen. Na Bari bedacht Hoet om kunst in de huizen van gewone mensen te brengen. Behalve dat het een uniek tentoonstellingsconcept was, vestigde hij als museumdirecteur zonder gebouw meteen de aandacht op zijn huisvestingsprobleem in Gent. Chambres d’Amis is de aanzet geweest voor een eigen ruimte van het S.M.A.K. dat opende in 1999. Hoet verhaalt ook over zijn ontdekking van kunstenaars als Matthew Barney en Juan Muñoz; dat dit altijd op basis van gevoel en intuïtie is gegaan. Hij herkende vrijwel direct (met een flits, zoals in een openbaring) het eigen universum van deze kunstenaars. In dit kleine boekje is het interview met Hoet, die in volstrekt heldere taal spreekt, integraal weergegeven.

Jan Hoet, Hans Den Hartog Jager, Uitgeverij Hannibal, ISBN 978 94 9137 659 7

Uit Beelden 3#2013

TINKEBELL.

Kunstenares TINKEBELL. schreef een boek over haar leven tot nu toe. Uitgeverij Atlas vroeg haar hiervoor, naar aanleiding van haar Pietje Bell lezing in 2011. Deze jaarlijkse lezing “wil het sympathiek ondeugende erfgoed van de Rotterdamse Pietje Bell levend houden”. TINKEBELL. verkondigde om Nederland maar aan China te verkopen. “We verdelen de winst en worden allemaal Chinees. (…) Misschien wel fijn, zo’n communistisch regime, dan heeft het volk meteen niets meer te zeggen. In de prullenbak: Geert Wilders. Wie dat niet wil, verhuist gewoon naar België.” En zo gaat de tekst lekker tegendraads verder. Het schrijven van dit boek kwam goed uit. Beroemd en berucht geworden met haar dierenprojecten - kattentas en hamsterbollen - krijgt TINKEBELL. toch de handen niet op elkaar voor een volgende tentoonstelling met dieren; men is wellicht controverse-moe. In De Duitsers zijn uitgeschakeld verzamelde ze naast autobiografische verhalen, allerlei juridische documentatie rond haar hamsterproject en een verslag van Kamervragen. Schokkend vond ik om de stroom aan hatemail te lezen die ze ontving. De stupiditeit van mensen, met hun primaire reacties. De titel van het boek verwijst overigens niet naar een of ander heldhaftig oorlogsverhaal of voetbalzege, maar naar de list waarmee TINKEBELL. een groep Duitsers uitschakelde die haar voor een verkeerd karretje probeerde te spannen. TINKEBELL. schrijft soepel, soms wel nog meisjesachtig. De Pietje Bell lezing is al volwassener van toon. Dat past beter bij een meisje dat geboren is in 1979. 

De Duitsers zijn uitgeschakeld en andere waargebeurde verhalen beleefd en verteld door een meisje met de zelfbedachte naam TINKEBELL., Uitgeverij Atlas Contact, ISBN 976 90 450 2226 0

Oscar Jespers

Als jonge vrouw doorkruiste José Boyens België per scooter, om zich een beeld te vormen van de Belgische beeldhouwkunst. Het werd haar duidelijk dat Oscar Jespers (1887 – 1970) van al de Belgische beeldhouwers het meest ‘een oeuvre’ had geschapen. Daarom besloot zij zich op diens werk te concentreren. De beeldhouwer zelf hoopte op “een rijk geïllustreerde monografie”. Dat was in 1963. Boyens promoveerde uiteindelijk op het beeldhouwwerk van Jespers en nu, vele decennia later ligt er een oeuvre-catalogus, waarin ook de tekeningen van Jespers zijn opgenomen. Voor mij was het verrassend om te ontdekken dat de auteur van Ruimte in het beeld, een boek dat mij gevormd heeft in het kijken naar kunst, juist de bij uitstek ‘gesloten’ sculptuur van Oscar Jespers is toegewijd. Voor iedereen die geïnteresseerd is in Belgische beeldhouwkunst of figuratieve beeldhouwkunst in het algemeen is dit boek de moeite waard om te lezen. Boyens plaatst het werk van Jespers niet alleen in Belgische en internationale context, maar geeft vooral inzicht in sculpturale principes. Hoe Jespers invloeden van het kubisme, Art Deco en expressionisme toeliet, nooit vanuit een oppervlakkig aanmeten van een stijl maar altijd omdat hij in deze stromingen zijn eigen preoccupaties herkende. Welke keuzes hij maakte ten aanzien van het materiaal, welke principes hij verwierp en omarmde om uiteindelijk – via een lang en taai proces - tot een eigen beeldtaal te komen. Niet voor niets koos Boyens als eerste kunstwerk in de catalogus voor het beeld van een WorstelaarOscar Jespers zei over zijn eigen werk dat hij de “menselijk gestalte wilde herleiden tot de onbeweeglijkheid van de steen”. José Boyens ziet als rode draad in zijn sculpturen en tekeningen, dat het een ode is aan het vrouwelijk naakt. “Deze voortdurende aandacht voor het vrouwelijk naakt doet het werk in 2013 tot de kunst-geschiedenis behoren, maar maakt het ook tijdloos.” In het voorwoord van de catalogus stelt Boyens zich de vraag: “Zou de beeldhouwer, die zo veeleisend was, zoals velen van zijn studenten getuigden, er desondanks tevreden over geweest zijn? Ik kan me niet anders indenken dan dat Jespers zeer content geweest zou zijn. Aan diens simpele wens om een rijk geïllustreerde monografie is met honderden afbeeldingen ruimschoots voldaan. José Boyens heeft bovendien Oscar Jespers en zijn werk tot op de huid onderzocht en compleet in beeld gebracht.

Oscar Jespers / beeldhouwer en tekenaar 1887 – 1970, José Boyens, Uitgeverij Noord-Holland , ISBN 978 90 78381 63 1

De handgezaagde ziel

Borduren en breien is hot en ook in de kunst zien we deze huiselijke technieken steeds vaker toegepast worden. Cornel Bierens beschouwt dit als een teken dat het handwerk in de kunst weer belangrijk wordt gevonden. In zijn essay voor het Mondriaan Fonds, stelt Bierens deze trend tegenover de conceptuele kunst van de vorige eeuw, waarin alles om het idee ging en er bijna neergekeken werd op techniek en ambachtelijkheid. Voor wie in zijn of haar kunsthistorische geheugen graaft, werkt het woordje ‘terugkeer’ in de ondertitel op zijn minst verwarrend. Want hadden we bijvoorbeeld in de jaren tachtig niet Berend Strik die zijn schilderijen borduurde? En waagde een conceptueel kunstenaar als Peter Struycken zich daarvoor al niet aan monumentale wandkleden? Verderop in zijn essay wordt duidelijk dat hij zelf ook genoeg kunstenaars voor ogen heeft voor wie ambachtelijkheid in de twintigste eeuw juist cruciaal was en sterker nog, dat zelfs Marcel Duchamp, de ‘Godfather’ van de conceptuele kunst, jarenlang minutieus werkte aan zijn Large Glass, eigenhandig. De handgezaagde ziel is interessant omdat Bierens het onderwerp techniek en ambachtelijkheid in de kunst vanuit veel verschillende invalshoeken benadert. Uiteindelijk, zegt Bierens, gaat het niet om idee of techniek maar om bezieling. Werken met alleen het hoofd resulteert in zielloze kunst. Als hoofd en hand op natuurlijke wijze samengaan, ontstaan de beste kunstwerken. “Want dat is van de ziel het grote geheim: dat hij nooit zo mooi ijl, zo hoog en zo vrijzwevend is als wanneer hij met hand wordt gezaagd.“

De handgezaagde ziel/ Over de terugkeer van de ambachtelijkheid in de kunst en omstrekene, Cornel Bierens, Essay 008 Mondriaan Fonds, ISBN 978 90 76936 36 9

Uit Beelden 2#2013

Mijn kleine zusje

Het is mij een keer overkomen, dat ik rustig naar een kunstwerk stond te kijken en iemand naast mij snoevend opmerkte: “dat kan mijn zoontje van vijf ook.” Verbaasd dat mensen deze cliché-uitdrukking echt gebruiken en omdat ik denk dat kortzichtigheid niet te genezen valt, heb ik wijselijk mijn mond gehouden. Auteur Will Gompertz, voorheen kunstredacteur bij de BBC en verbonden aan de Tate Gallery in London, liet het daar niet bij zitten. Hij schreef een boek om uit te leggen waarom moderne kunst kunst is en geen kinderknutselwerk. Als we een nieuw kunstwerk zien, weten we gewoon vaak niet wat we ervan moeten vinden, zegt Gompertz, en dat is nogal intimiderend. De echte vraag is volgens hem niet of je een kwaliteitsoordeel over een kersvers eigentijds kunstwerk kunt geven – dat zal de tijd ons leren – maar om te begrijpen hoe en waarom dat werk in het verhaal over de moderne kunst past. “Alles wat je nodig hebt om een basaal houvast te krijgen, vind je in dit verhaal over de moderne kunst die anderhalve eeuw oud is”, belooft hij. Dat klinkt heel fijn, maar voor wie is Dat kan mijn kleine zusje ook nu eigenlijk geschreven? Het boek is systematisch van opzet en volgt de geijkte aaneenschakeling van stromingen. Gompertz legt heel goed uit hoe men in de beschreven tijd tegen kunst aankeek en welke nieuwe ideeën kunstenaars in hun kunst tot uitdrukking brachten. Toch is het geen standaard overzichtswerk. Gompertz voert de helden van de moderne kunst waaronder Picasso en Duchamp, namelijk op als levensechte romanfiguren. Soms gaat hij daarin heel ver en schrijft hij alsof hij bij hen aan tafel zit en hun dialogen heeft genoteerd. Allemaal verzonnen natuurlijk, maar dat geeft hij ook toe. Gompertz wilde geen wetenschappelijk boek schrijven, maar een levendig verhaal met veel feiten. De smeuïge verteltrant maakt het uitermate geschikt voor mensen die van plan zijn om zich een keer te verdiepen in moderne kunst, bijvoorbeeld studenten die geen problemen hebben met ruim vierhonderd bladzijden en relatief weinig afbeeldingen. Voor kunstkenners is het ook een fijn boek, lezen met de benen omhoog, want ‘hoe zat het ook al weer?’ Zuurpruimen die niet willen toegeven dat ze niets van kunst begrijpen, zullen dit leuke boek nooit gaan lezen.

Dat kan mijn kleine zusje ook / Waarom moderne kunst kunst is, Will Gompertz, Meulenhoff, Amsterdam, ISBN 978 90 290 8813 8

Dijkshoorn kijkt kunst

Columnist en dichter Nico Dijkshoorn maakte een audiotour voor het Kröller-Müller Museum. Zijn motivatie: hij wilde wel eens de blikken van mensen sturen met zijn stem. Vervolgens bundelde hij nog meer verhalen en gedichten over kunstwerken in het Kröller-Müller. De achterflap van Dijkshoorn kijkt kunst stelt “(…) als je met hem hebt meegekeken, kijk je nooit meer hetzelfde.” Is dat zo, vraag ik mij af, veranderen de teksten van Dijkshoorn onze blik op kunst? Als je de rol van kunstdocent of rondleider hebt, word je uitgedaagd om mensen mee te nemen in een verhaal, aan de hand van de kunstwerken zelf. Dijkshoorn doet dat een aantal keer heel briljant. Over Stervend paard van Carel Visser schrijft hij: “stil/ hij wil nog/ iets zeggen”. Dat is goed geobserveerd; het paard dat in stervensnood nog net zijn hoofd opheft. Of hij wijst op een detail in een stilleven, waar hij van alles kunsthistorisch over zou kunnen zeggen, maar dat hem vooral aan ‘ribbelchips’ doet denken. Andere associaties zijn losjes naar aanleiding van een kunstwerk geschreven. Een drijvende witte sculptuur doet hem denken aan zijn jeugd. Hoe bij een partijtje voetbal steevast de bal, uiteindelijk tóch in de sloot belandde. Dit soort verhalen zijn vermakelijk om te lezen en ontroeren soms. Daarnaast zijn er ook flauwe teksten in de bundel opgenomen. Zoals drie fictieve brieven van leraren aan ouders die een kunstvoorstel doen voor het gymlokaal in hun school. Werken van Ellsworth Kelly, Richard Long en Donald Judd zouden vervolgens wel of niet de sportiviteit van de leerlingen stimuleren. Dat Dijkshoorn weinig opheeft met abstracte kunst is duidelijk. Daarin kun je meegaan of niet, maar dit verandert je blik op kunst helemaal niet. Toch zal ik, bij een volgend bezoek aan het Kröller-Müller puur uit nieuwsgierigheid, want een stem maakt ook veel uit, de audiotour van Dijkshoorn doen. Hij ontregelt, maakt je aan het lachen, is briljant en soms ronduit plat. Kortom, een ideale vriend voor in de kroeg, maar dan in een museum.

Dijkshoorn kijkt kunst, Nico Dijkshoorn, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, ISBN 978 90 450 2235 2

Ruud Kuijer

Treinreizigers zien het industriegebied de Lage Weide bij Utrecht, waar de reusachtige betonconstructies van Ruud Kuijer staan, in één opslag. Automobilisten, fietsers en opvarenden van boten op het Amsterdam-Rijn kanaal zien de zeven Waterwerken langzaam aan zich voorbij trekken. Zij krijgen steeds een ander gezichtspunt waardoor de verschillen in formaat en oriëntatie tussen de beelden duidelijk worden. Zo is Waterwerk IV horizontaal uitgestrekt, met een soort slang die door het beeld kronkelt. Deze vorm resoneert in de trein die over de spoorbrug glijdt, verderop. Voetgangers, veelal fabriekswerknemers die buiten hun pauze nemen, kunnen de meeste details zien; de verschillende structuren en sommige herkenbare objecten waaruit de werken zijn samengesteld, zoals een surfplank of badkuip en andere elementen die verwijzen naar het water. De Waterwerken van Kuijer zijn duidelijk kunstwerken hoewel ze ook lijken op ‘kunstwerken’ in civieltechnische zin; ze zijn helemaal met industriële middelen en methoden gemaakt. Speciaal voor Kuijer ontwikkelde een betonfabrikant in de buurt een fijne grijze beton. Deze catalogus verscheen naar aanleiding van plaatsing van beeld VII, waarmee dit locatiegebonden project (2001-2013) voltooid werd. Ze bevat interessante bijdragen, waaronder een tekst van Rudi Fuchs en een interview met Kuijer door Jon Wood. Vele paginagrote foto’s laten de bedrijvigheid zien in enorme loodsen, stoere mannen met bouwhelmen en de uiteindelijk geplaatste Waterwerken in allerhande weertypen. De omslag van het boek lijkt op een strak vormgegeven architectuurboek; het is dan ook een nai010 uitgave.

Ruud Kuijer Waterwerken / Waterworks, Pieter Beelaerts van Blokland, Rudi Fuchs e.a., nai010 uitgevers, Rotterdam, ISBN 978 94 62080 72 0 

Uit Beelden 1#2013

Joost Zwagerman en Gijsbert van der Wal

In De Wereld Draait Door weet Joost Zwagerman altijd bevlogen over kunst te praten. In zijn boek Kennis is Geluk. Nieuwe omzwervingen in de kunst schemert deze bevlogenheid door. In het programma Boeken van Wim Brands van 9 december 2012 komt de kunstcriticus Gijsbert van der Wal aan het woord over zijn boek Wijd open ogen. Stukken over kunst en kijkplezier. Zijn bevlogenheid is minder uitbundig maar zeker aanwezig. Bevlogenheid werkt aanstekelijk. Zwagerman koppelt persoonlijke kunstervaringen aan kennis en opinies van anderen. In zijn essays merk je dat hij behalve naar kunst kijkt ook veel over kunst leest. Hij legt naast zijn ervaring dat wat deskundigen erover schrijven en wat de kunstenaar zelf zegt. Toch staat Zwagermans eigen mening voorop en bepaalt dat de sfeer van de artikelen. Zwagerman heeft iets met Vermeer dat is zeker. Als hij het Brieflezend meisje bij het venster dat hij in de Gemäldegalerie Alte Meister in Dresden ging bekijken beschrijft, staat hij voor het werk als aan de grond genageld. Ik heb zelf het werk nooit in het echt gezien, maar bij zijn beschrijving groeit mijn behoefte te gaan kijken. Hij beschrijft andere kunstwerken die een parodie op dit werk zijn; ze staan niet allemaal in het boek. Jan Banning’s foto van het Marokkaanse meisje dat voor een gesloten venster een aanvraagformulier voor een inburgeringscursus doorleest, ken ik. De werken die niet in het boek staan woekeren mijn kunst-kijkhonger aan en dat zal zeker met Zwagermans’ idolatrie voor kunst te maken hebben. Leuk vond ik het artikel over het vrouwelijk geslachtsorgaan in de kunst en het probleem van de naamgeving hierbij; zeg je kut, kutje of vagina ? De schrijver doet het voorstel de term ‘beaver shot’ te gebruiken wat mij weer tegenstaat. Bij het artikel staat een prachtige afbeelding van een schilderij van Marlene Dumas, Miss Pompadour, waarbij een voorover gebogen naakte vrouw haar geslachtsdelen toont. “Dumas weet van porno poëzie te maken” stelt Zwagerman; en zo is het maar net. Als ik de essays van Zwagerman lees dan denk ik: hier is een literatuurman aan het woord, een man die overal poëzie in ziet, ook in de kunst, muziek en film. Hij kijkt als een kunstenaar en schrijft wat hij ziet op als romancier.

Het boek Wijd open ogen van Gijsbert van der Wal heeft een heel andere sfeer. De kunsthistorische achtergrond tempert de persoonlijke beleving. Zijn kijken naar kunst neigt meer naar het kijken van een professional. Ik heb me al vaker afgevraagd of een beroep als kunstcriticus niet eigenlijk iets is dat tussen jou en het kunstwerk in komt te staan. Van ons critici verwachten lezers objectiviteit. Een literaire schrijver kan dit onbeschroomd loslaten en komt daardoor nader tot het werk. In het artikel Onder de gordel geeft Van der Wal ook aandacht aan de genitaliën. Er volgt een opsomming van penissen in de kunst en hoe zij bedekt of onbedekt werden afgebeeld. Verder in het artikel beschrijft hij de vagina’s. Het is boeiend om het artikel van Zwagerman met dat van Van der Wal te vergelijken. Wijd open ogen is een goed geschreven boek maar de schrijver verdwijnt naar de achtergrond, zoals je verwacht bij een kunsthistorisch stuk. Wat al die penissen en vagina’s met hem doen weet ik niet. Bij Zwagerman zie je de schrijver als verteller bij de werken staan, de persoonlijke beleving vermengt zich met kennis. Er zijn artikelen bij Van der Wal waarbij de afstand minder wordt en zijn compassie met kunst meer voelbaar wordt. Eerlijk gezegd houd ik daarvan, schrijvers die zichzelf kwetsbaar opstellen en lak hebben aan journalistieke en kunstwetenschappelijke conventies. Naar mijn mening bestaat objectiviteit sowieso niet in de kunstschrijverij, een beschreven werk is een gezien werk. Kennis en persoonlijke smaak kleuren de beleving. Via de tekst zie je een kunstwerk verschijnen door de ogen en beleving van de ander. In Wijd open ogen citeert Van der Wal de schrijver Gerard Reve in een radio interview in 1987 “Elk boek is een autobiografie, elk gedicht een autobiografisch gedicht en elk schilderij van elke schilder is een zelfportret. Ook een landschap. Alles. Is een zelfportret. Denk ik.” Ik kan niet anders dan Reve’s opinie delen. Zelfs iedere kunstkritiek en elke kunsthistorische tekst is een verkapt zelfportret. Kunstkritische zelfportretten brengen de kunst terug naar de menselijke maat en dat inspireert.

Kennis is Geluk. Nieuwe omzwervingen in de kunst, Joost Zwagerman, Arbeiderspers, Amsterdam 2012, ISBN 978 90 295 8390 9

Wijd open ogen. Stukken over kunst en kijkplezier, Gijsbert van der Wal, De Bezige Bij, Amsterdam 2012, ISBN 97890234 7314 5

Het disruptieve museum

Het disruptieve museum is een boek van Arnoud Odding. Odding is museoloog en kunsthistoricus. In 2004 publiceerde hij samen met Tiziana Nespoli het boek Het gedroomde museum. Het gedroomde museum gaat terug naar de 18e eeuwse wortels van musea als plekken waar kennis geïnterpreteerd werd en waar interpretaties bediscussieerd werden. In 2011 schreef hij dit vervolg. Het disruptieve museum is een netwerkmuseum op zoek naar bestaansrecht. Hij beschrijft dit aan de hand van gesprekken die hij voerde met vijftien vertegenwoordigers van diverse musea. Overheden trekken hun subsidiërende handen af van musea waardoor zij gedwongen worden hun positie te heroverwegen. Je krijgt als lezer een goed beeld van de diversiteit aan opvattingen die de verschillende museumdirecteuren hebben. Sommige directeuren begrijpen de bezuinigingen waaronder de directeur van het wereldmuseum Stanley Bremer, die er niet tegen is om een deel van de collectie te verkopen. Ik zie het al voor me: iedere museumdirecteur gaat de markt op met wat hem niet bevalt en dan gaat de volgende het eventueel weer terugkopen omdat hij de handelingen van zijn voorganger een misser vond. Andere museumdirecteuren kiezen voor minder extreme opties. Zo probeert het museum in Kampen meer mensen naar binnen te lokken door laagdrempeligheid en toegankelijkheid te bewerkstelligen. Voor de ramen hangen afbeeldingen van Kampenaren. Museum Rotterdam gaat de straat op om te kijken wat de mensen willen met het project Muze op straat. Je ervaart in dit boek dat de museumdirecteuren zoekende zijn. Er is nog geen consensus over nieuw beleid. Het lijkt een experimentele overlevingsfase waar ze in zitten. Waren het eerst de ivoren torens en gesloten bastions, nu zoeken ze mensen die zich met het museum willen bemoeien. Het boek is goed geschreven en je merkt hoe men worstelt om te overleven. Wel blijf ik met een tweeslachtig gevoel zitten. Een zich terugtrekkende overheid heeft voordelen, maar ook heel veel nadelen. Ik heb mijn twijfels bij het verkopen van historische werken, misschien heel soms. Daarnaast vraag ik mij af wat te doen bij de volgende bezuinigingsronden, want zoals ik de politiek de laatste decennia ken, komen ze steeds opnieuw met weer nieuwe bezuinigingen in de kunstsector.

Het disruptieve museum, Arnoud Odding, O dubbel d, Den Haag, 2011, ISBN 978 90-808484-0-5 

Uit Beelden 4#2012

Vincent

Er zijn boeken waar ik blij van wordt. Het boek Vincent van Barbara Stok is zo’n boek. Eigenlijk is het een stripverhaal over de Franse periode van Vincent van Gogh. De laatste jaren verschijnen er verschillende analyses over het leven van Van Gogh. Hij zou aan een borderline persoonlijkheidsstoornis lijden of aan manische depressies. Zijn zelfmoord zou geen zelfmoord zijn, maar een noodlottig ongeluk waarbij dorpskinderen betrokken waren en het afsnijden van het eigen oor zou ook wel eens een ander verhaal kunnen zijn. Kortom het leven van Van Gogh spreekt tot de verbeelding en velen willen hem graag herschrijven vanuit nieuwe speculaties. Stok speculeert niet maar herschrijft het verhaal door er beelden aan toe te voegen. Het overtuigt en dat is belangrijk. Vincent komt erin naar voren als een behoorlijk dwangmatige persoon. Hij kon mensen tot waanzin drijven en zichzelf ook. Tegelijkertijd beschrijft hij zijn eigen ziekte vrij realistisch. Hij gelooft niet er ooit van te kunnen genezen. Stok gebruikt dialoog, monoloog, dagboekaantekeningen en verbeelding om het verhaal compleet te maken. Ze laat je de wereld beleven vanuit wisselend perspectief waarin zijn blik en haar blik elkaar afwisselen. Alsof ze soms even in zijn huid kruipt om door zijn ogen de wereld te zien. De velden, bomen, bloemen, mensen en sterrenhemel zoals de kunstenaar dat toen beleefde met zijn obsessieve blik. Ik weet iets van psychiatrische stoornissen omdat ik een periode in de GGZ werkte. Ik zie geen borderliner, maar eerder een obsessieve persoon met manische trekken uit het boek oprijzen. Getalenteerd en lastig met een enorme schilderdrang. Ik lees deze strip in een keer uit en geniet van de laatste bladzijde waar je Vincent aan zijn laatste schilderij bezig ziet. De kraaien zitten ook op het pad. Het landschap wordt nog twee keer weergegeven zonder Vincent en de kraaien vliegen nu over het veld. Opgeschrikt door geweerschoten wellicht. Een beetje jammer dat zo’n stripverhaal snel uit is. De vraag rijst “Is dit nu kunst, of een boek over kunst”. Ik houd het op een ode van een kunstenaar aan een bewogen kunstenaarsleven.

Vincent, Barbara Stok, Nijgh & Van Ditmar en het Van Gogh Museum, Amsterdam, 2012, ISBN 978 90 388 9631 1

Joost Conijn

Piloot van goed en kwaad staat op het kaft van een boekje over de bizarre vliegreis van de kunstenaar Joost Conijn. Hij bouwde zelf een vliegtuig waarmee hij het luchtruim koos. Hij vloog vanuit Europa naar Afrika en bezocht gebieden die door andere piloten overgeslagen worden. Behalve kunstenaar is hij een echte avonturier en over dit vliegavontuur schreef hij een zeer leesbaar boek. Dat hij het lot behoorlijk tartte blijkt al uit de eerste zinnen van dit boek waarin twee vrienden hem vertellen over de gevaren van vliegen als je je niet aan de regels houdt. Een beetje een avonturier heeft ook iets van een anarchist die zijn eigen regels maakt. De eerste regels zijn pakkend en bepalend. Ik wil gelijk doorlezen. In het begin vliegt zijn vriend Wart mee die vanuit Marokko teruggaat, dan gaat Conijn alleen verder. Tijdens het lezen ontdek je hoe hij zijn vliegbewijs haalt in Tsjechië en over andere avonturen verhaalt. Je leest hoe hij in benarde situaties belandt omdat hij noodlandingen moet maken en aan de willekeur van plaatselijke autoriteiten is overgeleverd. In Mauritanië vergezelt een nieuwe vriend, Menno, hem die helaas geveld wordt door malaria en terug naar Nederland moet. Joost zelf komt er iedere keer goed mee weg. Het is een beetje een wonder met dit kleine vliegtuig met kleine benzinetank; regelmatig moet hij met een jerrycan op zoek naar nieuwe brandstof. Behalve dagboekachtige aantekeningen bevat het boek tevens afbeeldingen van landschappen, plekken en mensen. Het is een grensverleggende onderneming. Onwillekeurig komt de herinnering aan Bas Jan Ader boven die met een roeiboot de zee opging als performance in 1975 en ergens tussen Massachusetts USA en Ierland verdween. Conijn is van 1971 dus een reïncarnatie kan het niet zijn, maar Bas Jan Ader is wel een kunstenaar waarmee ik hem onwillekeurig associeer. Te jong om te sterven heet het eerste hoofdstuk. Dat was Ader ook toen hij verdween. Conijn kwam na vele ontberingen heelhuids thuis, maar met iets minder geluk was hij een tweede Ader geworden. Beiden zeer boeiende kunstenaars met ongezond veel lef.

Joost Conijn, Piloot van goed en kwaad. De bezige Bij, Amsterdam, 2012. ISBN 978 90 234 74425

Bas Maters

Een vierkantje laten lachen staat er op een overzichtsboek van Bas Maters. Maters stierf in 2006 op de veel te jonge leeftijd van 56 jaar. Hij had toen wel al 35 jaar lang Nederland voorzien van kunstwerken. Bij mij om de hoek staat een mooi exemplaar en ik kan me nog herinneren dat dit er zo’n 22 jaar geleden neergezet werd. Ik vind het werk terug in het boek, het hele plein was er toen op aangepast en zag er mooi uit. Een paar renovaties later staat het beeld er nog steeds, maar het plein lijkt niet meer op wat het ooit was. Rotterdam is heel goed in het renoveren of vernieuwen van wat waarde had. Hele wijken worden grondig kleurloos gemaakt. In het boek over Maters zie ik mooie monumentale beelden staan, tijdloos en modern. Een mooie foto zie ik van een beeld dat in Delsen staat. Een stukje omgevallen zuil met een enorm rotsblok dat daarop balanceert. Evenwicht speelt bij veel beelden van Maters een rol. Naast de vele gerealiseerde werken staat het boek vol imposante schetsen en foto’s van de kunstenaar als opgroeiende jongen en als volwassen man. Jammer dat hij zo vroeg stierf. Ondanks dat zijn oeuvre best indrukwekkend is had er best nog het een en ander bij gekund. Hij was nog lang niet klaar wat mij betreft.

Bas Maters. Een vierkantje laat lachen, W BOOKS, Zwolle 2012, ISBN 9789040007200

Uit Beelden 3#2012

Wim Delvoye

Voor me ligt een hele dikke oeuvrecatalogus met de titel Wim Delvoye. Introspective. Het boek werd uitgegeven ter gelegenheid van zijn tentoonstelling in het Louvre in Parijs. Het boek valt op, omdat het een uitstraling heeft die je niet vaak ziet in de kunstwereld. Je denkt eerder aan een klassiek werk of een bijbel. Als je goed kijkt zie je echter dat de versiering op het kaft bestaat uit motieven zoals schakelkettingen, fietskettingen, kogelhouders en DNA reeksen. Daarnaast zie ik prikkeldraad en tandwielen. Delvoye houdt ervan om objecten te versieren met krullen en tierelantijnen. Ik ervaar zijn werk als iets wat barok en gotisch. Het neemt de functionaliteit aan van origine functionele objecten. De voetbaldoelen van glas in lood zijn daar een mooi voorbeeld van, daar schop je geen bal in. Interessant zijn ook de vele getatoeëerde varkens die hij als kunstwerk in tentoonstellingen bracht. Het is een kunstwerk van beperkte levensduur; maar een echte Delvoye naar de slachter brengen dat doe je zomaar niet. Een paar jaar geleden zag ik de film Sybille waarin je een opeenvolging ziet van sterk uitvergrote uitgeknepen puistjes. Soms heeft zijn werk een fascinerende viesheid en soms een overdreven schoonheid. Dit tilt het alledaagse uit de context. Bladerend door het boek bevestigt dit wat ik al vond. Dit is een boeiende kunstenaar met een heel eigen beeldtaal; die diversiteit niet schuwt.

Wim Delvoye. Introspective, Dirk Snauwaert e.a., Mercatorfonds, Brussel, 2012, ISBN 9789061535027

Karin van Dam

Karin van Dam staat er op het kaft van een boek met installaties van deze kunstenares, dat uitkwam ter gelegenheid van  een tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag dit jaar. Afbeeldingen van haar werken domineren in het boek. Een bescheiden introductie en een interview achteraf kan je als leidraad zien en geeft iets van inzicht in haar werken. Verbinden en bouwen zijn de twee woorden die bij mij binnenkomen als ik naar haar installaties kijk. Haar installaties staan voor het reizen door steden en de kunstenares ziet zichzelf ook als een reiziger. Het boek begint ook met een serie foto’s over chaotische straatbeelden in steden. Sommige werken van haar lijken compact en ondoordringbaar; anderen zijn open en je kunt je er in verliezen. Van Dam werkt vaak met industriële materialen die kant-en-klaar zijn en hieruit bouwt zij grote ruimte vullende installaties. Mooi vind ik Ulaan Bataar 2 dat bestaat uit groene buizen die tot een compacte vorm zijn verbonden. De wolkachtige vormen in een andere installatie die zijn opgebouwd uit verknipte stads- of landschapsplattegronden spreken me ook aan. Ze zijn onderdeel van de installatie Cry out for joy, your lower parts of the earth! De wolken contrasteren met de zwarte buizen en draperieën. Ik associeer het met de raffinaderijen in Pernis die mij als stadsbeeld altijd fascineerden. Dat is vast niet Van Dams associatie.

Karin van Dam, Meta Knol e.a., NAi Uitgevers Rotterdam, 2012, ISBN 978-90-5662-858-0

Hans van Bentum

Het werk van Hans van Bentum is zonder meer pompeus en barok te noemen. Veel kleur en tierelantijnen, glinsterende kroonluchters, glimmende keramieken beelden met heel veel vormaspecten. Tegelijkertijd is het uniek en autonoom. In deze rubriek beschrijf ik ook het boek over de straatkunstenaars LASTPLAK en ik kom er niet onderuit een verband te zien. Dit is de driedimensionale uiting van de door strips geïnspireerde straatkunst. Tegelijkertijd kun je onmogelijk Lastplak en Van Bentum zomaar op een hoop gooien. In de graffiti-kunst zit een bepaalde snelheid omdat deze kunstenaars begonnen in de illegaliteit en als persoon niet gezien wilden worden. In de driedimensionale vorm zie je juist die vertraging. De werken schijnen zeer arbeidsintensief en er moet lang nagedacht worden over hoe de kleuren en de materialen met elkaar verbonden worden. Ook zie ik verbanden met de beelden van Jeff Koons uit de periode dat kitsch zijn inspiratiebron is. Van plagiaat is echter geen sprake, het zijn associaties van mij. Van Bentums werken zijn uniek en bewegen zich tussen het spanningsveld van pure esthetiek en oerlelijk, tussen ouderwets ornamentaal en eigentijdse massacultuur. Het zijn deze spanningsvelden die de werken fascinerend maken. Wil ik het in mijn achtertuin, nou nee. Wil ik het in de stad tegenkomen; ja graag. Zeker tussen grauw beton kan het een anker van kleur en vorm zijn dat leven in de doodsheid brengt.

Hans van Bentum, Keep on Dreaming, Titus M. Eliëns, Uitgeverij de Kunst, Wezep, Gemeentemuseum Den Haag, 2012 ISBN 978 94 91196 19 

Uit Beelden 2#2012

Auke de Vries

Auke de Vries. Sculpturen, tekeningen en werken in de openbare ruimte is een nieuw dik boek over deze kunstenaar. In Rotterdam hangt het kunstwerk Maasbeeld van hem dat in de volksmond ‘de waslijn’ heet. Rotterdam is goed in het verzinnen van banale benamingen voor iets dat boven het maaiveld uitsteekt. Ik kan me de mopperende ophef nog herinneren “uhu, dat zo’n waslijn zoveel moet kosten, overdreven toch”. Zoals zo vaak met kunst die eerst weerstand ondervindt, gaan de scherpe kantjes van de kritiek. Tegenwoordig zegt de Rotterdammer met tedere trots “onze waslijn”. In dit boek krijgt dit beeld over een paar pagina’s behoorlijk veel aandacht. Zo werd er ook een ‘Hollands dagboek’ in NRC Handelsblad over de plaatsing van het beeld opgenomen. Het beeld werd in 1982 geplaatst, lees ik en ik denk ‘zolang alweer’. Toen er later nog een beeld van hem in Rotterdam verscheen bij het NAi was er voor zover ik weet geen tegenstand. Ik blader door het boek en zie dat hij in het begin van zijn carrière ook niet onverdienstelijk schilderde. In 1958 ontving hij de Koninklijke prijs voor vrije schilderkunst. Het schilderij waarvoor hij dit kreeg, spreekt me zeer aan en doet me denken aan zijn latere beelden. Zijn eerste beelden zijn ruimtelijke tekeningen, maar in zijn latere beelden ontstaat een schilderkunstige schoonheid met meer monumentaliteit; door de grotere volumes en meer kleurgebruik. Op bladzijde 56 zie ik een prachtig duinlandschap waardoor ik besef dat dit een schilder pur sang is waarvoor het doek uiteindelijk te klein werd. Zonder negatieve connotatie noem ik het een megalomane schilder. Voorin het boek en naast de beelden staan een aantal teksten. Heel informatief en grondig is dit boek. Ik geniet ervan en krijg nog meer bewondering voor deze kunstenaar dan ik al had. Echter bij sommige beelden schiet hij zijn doel voorbij; zoals het beeld in het in het Academisch Medisch Centrum. Het is te fragiel voor de drukke omgeving en valt daardoor weg.  Gelukkig zijn de mislukkingen uitzonderingen.

Auke de Vries. Sculpturen tekeningen en werken in de openbare ruimte, Rudie Fuchs e.a., NAi uitgevers, Rotterdam 2012, ISBN 978-90-5662-859-8

JCJ Vanderheyden

Op 27 februari dit jaar overleed JCJ Vanderheyden op bijna 84 jarige leeftijd. Laat ik maar met de deur in huis vallen; ik ben een Vanderheyden-fan. In mijn huis hangen twee zeefdrukken van hem en ik kijk er iedere dag met plezier naar. Het pas uitgegeven boek. JCJ Vanderheyden, Licht Tijd en Ruimte is het eerste grote overzicht van al zijn werk in boekvorm. Het kwam uit eind 2011 tijdens een grote overzichtstentoonstelling in Boijmans van Beuningen in Rotterdam. In 1956 begon deze kunstenaar zijn carrière nadat hij twee academies had bezocht. Cobra vierde hoogtijdagen en Vanderheyden maakte tegen deze stroming in abstracte werken. Hij was in 1979 een maand in Nepal, maakte daar een voettocht en bezocht een boeddhistisch klooster. De Nederlandse kunst kent voor mij twee pure individualisten en dat zijn Daan van Golden en Vanderheyden. Het is de boeddhistische stilte waarin hun werk verwantschap toont. Een esthetisch minimalisme dat ervoor zorgt dat ieder werk op zichzelf kan staan als een contemplatief werk. Als ik door het boek blader komen andere kunstenaars in mijn gedachte die dezelfde kracht in de werken hebben; Rothko en Anish Kapoor. Ik vraag me af of dit werkelijk in deze werken zit of dat ik dat erin leg. Het maakt niet uit; deze werken weten mij te raken en zetten mijn associatieve herinneringscellen in werking.

JCJ Vanderheyden. Licht Tijd en Ruimte, J.L. Locher, Uitgeverij de Kunst B.V, Wezep 2011, ISBN 9789491196102

In Opdracht

Zestig jaar percentageregeling in Opdracht. Beeldende kunst bij rijksgebouwen, lees ik op de kaft van een dik boek. Deze titel geeft in een klap de inhoud weer. De Rijksgebouwendienst (RGD) is al 60 jaar de grootste opdrachtgever voor beeldende kunst. Dit is een boek, uitgegeven ter gelegenheid van 60-jarig jubileum, waarin kunstwerken naast essays staan. De essays hebben onderwerpen als geschiedenis, de betekenis van deze kunst voor de Nederlandse kunst en het spanningsveld tussen beeldende kunst en architectuur. In het boek staan vele kunstwerken die per decennia gerangschikt zijn. Sommige kunstenaarsnamen zijn in de vergetelheid geraakt en van enkele kunstenaars zie je de ontwikkeling door de jaren heen. Ik bekijk de veelheid aan foto’s een voor een. Er staan er doorgaans zes op een pagina en al snel raak ik overvoerd door kunst. Er staat heel veel in Nederland besef ik en alhoewel ik al 35 jaar in de kunstwereld rondloop, heb ik veel niet gezien. Mijn oog valt op een beeld van Zeger Reyers en Pietertje van Splunter. Het is een edelhert op een strak gebouw. Ik blader verder en af en toe blijft mijn oog hangen bij iets dat mij raakt. Ik merk dat ik van deze tijd ben. Hoe recenter de werken hoe vaker mijn oog blijft hangen. Ik zie het pioniershuisje van John Körmeling uit 2000 en besef dat Nederland eigenlijk veel goede kunstenaars heeft.

Zestig jaar percentageregeling in Opdracht. Beeldende kunst bij rijksgebouwen, Hans van den Ban e.a., Uitgeverij Sun, Amsterdam 2011, ISBN 978-946-105-013-7

Uit Beelden 1#2012


Mobex 

Tijdens de bouw van de wijk De Volgerlanden, een nieuwe wijk van 120 hectare tussen Hendrik-Ido-Ambacht en Zwijndrecht in, werden enkele beeldend kunstenaars verzocht om deze nieuwe wijk te verrijken met beeldende kunst. De Mobex, de mobiele expositieruimte van De Volgerlanden, was een van de onderdelen van het Scenario Beeldende Kunst in De Volgerlanden, dat werd uitgevoerd door de projectgroep Kunst in De Volgerlanden. De exposities in de Mobex kregen een directe relatie met de nieuwe wijk De Volgerlanden en de oude kern van Hendrik-Ido-Ambacht. Deze activiteiten werden eind 2011 wegens bezuinigingen stopgezet.

Het boek geeft o.a. een korte geschiedschrijving van wat er allemaal aan beeldende kunst in de wijk werd gerealiseerd en hoe dat de wijk vormgaf. Tegelijkertijd kun je het zien als de geschiedenis van een kunstcommissie die niet meer nodig is. In het boek zie je de Mobex op diverse locaties staan met omstanders die geboeid naar de kunstwerken kijken. De Mobex leek de wagen die de kunst naar de mensen bracht en dat is een mooie functie. Dat het gestopt is, stemt ook een beetje triest, alsof er geen reden meer is de mensen over kunst in de wijk te informeren. Eigenlijk zou ik iedere wijk zijn eigen Mobex toewensen. In het voorwoord lees je hoe wethouder Floor van de Velde de Mobex een nieuw leven buiten zijn gemeente toewenst.

 

Mobex. De mobiele expositie van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, Floor van de Velde en John Blaak, Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht 2011.


Het elastische perspectief

Carnisselande is een Vinex wijk van Barendrecht. Recent is het boek Het elastisch perspectief uitgegeven. Hierin staan de diverse kunstprojecten en kunstwerken die tegelijkertijd met het ontstaan van de wijk zijn gerealiseerd of in een enkel geval nog gerealiseerd moeten worden. Het is een lijvig boek, waarin veel ruimte is gegeven voor de foto’s van Hans van Wilschut. Het zijn indrukwekkende foto’s die hij maakt op het moment dat de zon ondergaat. Er staan er maar liefst 18 paginagroot in dit boek, die ik met genoegen bekijk. Het lijkt een verstilde stad. Zeer esthetisch en ondanks de warme kleuren bijna levenloos. De zielloosheid van nieuwbouwwijken gevangen op beeld. Een oude stadskern heeft een ziel, nieuwbouwwijken niet. De foto’s zijn portretten van functionele bouw. Over het geheel is het een mooie uitgave en afronding van het ontstaan van kunst in een wijk. Ik vraag me echter af of het beeld Getuigenis van Gijs Assmann de tand destijds zal doorstaan. De halve naakte vrouw die op haar handen staat en bij de romp overgaat in een mannenfiguur met een doek over zijn hoofd vind ik zelf wat al te narratief. Ook Vrouwe Carnisse van Anne Wenzel doet me weinig als groot buitenbeeld. Misschien had ik het in kleiner formaat op een tentoonstelling wel wat gevonden. Op deze locatie waar het nu staat vind ik het slecht met de omgeving resoneren. Heel mooi vind ik de Slingerbank van Jeroen Hoogstraten en Hill, Mirror, Environment van DRFTWD Office/Arno van der Mark. Gilles Frenken maakte een filmische kroniek in drie delen. Deel een gaat over de polder die verandert in een woonwijk. Deel twee heeft wat ludieke surrealistische trekken. In dit deel werkt hij samen met Sjaak Langenberg en de blinde cabaretier Vincent Bijlo. Bijlo steekt de loftrompet af over Carnisselande; tegelijkertijd ontstaat bij deze loftrompet juist het heimwee naar het boerenland dat is opgeofferd voor deze steenmassa. Deel drie heeft de voltooiing van dit bouwproject tot onderwerp. De drie kronieken zijn in een aparte uitgave verschenen.

Kroniek Carnisselande 1999-2011, Gilles Frenken, een uitgave van FrenkenFilms en Gemeente Barendrecht. 2011

Het elastische perspectief. Kunst in Carnisselande, Joost van Hezewijk e.a., Uitgeverij de Zwaluw, Gemeente Barendrecht, 2011, ISBN9789077794104

Henk Visch 

Ter gelegenheid van de tentoonstelling van Henk Visch heeft Kunsthal KAdE Amersfoort een omvangrijke, geïllustreerde catalogus uitgebracht. Met onder meer een essay van de kunstcriticus Annelie Pohlen, een gedicht van Leo Vroman, een tekst van curator Annett Reckert, een bijdrage van beeldhouwer Richard Deacon, een briefwisseling met Joan Jonas en een interview met Henk Visch door Robbert Roos, de hoofdcurator van Kunsthal KAdE. Veel tekst maar bovenal een schatkamer vol betoverende plaatjes. Geheel in de geest van Visch zijn de teksten poëtisch en worden de inzichten van de kunstenaar bloemrijk verwoord. De afbeeldingen zijn over de pagina’s geordend zoals Visch zijn presentaties vormgeeft. Niet chronologisch en niet kunstmatig ingedeeld naar verwante thema’s. De lezer heeft het idee in woord en beeld een samenhangend, maar in zichzelf gekeerd alternatief universum te betreden. De monografie weet aldus meeslepend verslag te doen van het denken en handelen van Henk Visch en onthoudt zich van tegengeluiden. Dat is een beperking, maar een die geheel spoort met de terughoudendheid, waarmee Visch de kunstkritiek bejegent.

Henk Visch, diverse auteurs, TAB, Timmer Art Books, Oosterhout, 2012, 
ISBN 978 94 90153 14 4


Uit Beelden 4#2011


Water en Vuur

Bij de uitreiking van de Wilhelmina-ring, de oeuvreprijs voor beeldhouwers, op 29 augustus jl. op Paleis Het Loo, vond ook de presentatie plaats van de dichtbundel Water en Vuur VII. Gedichten bij beelden. In de zesde uitgave werden beelden in Amsterdam bezongen. Deze ronde trekken de dichters door Apeldoorn. De bekende Wilhelmina van Mari Andriesse staat daar met opgeheven hoofd; Eric Mengveld heeft de eer haar tekstueel te mogen bejubelen. Ik zoek naar gedichten en beelden die mij raken. Ik zie en lees veel; sommige gedichten zijn een ode aan het beeld en raken verweest als je ze daarvan loskoppelt. Dat geldt niet voor de beelden, zij stonden er al voordat een dichter er aandacht aan gaf. Met gedichten heb ik nog sterker dat je je er open voor moet kunnen stellen. Je moet in de juiste stemming zijn om je ermee te kunnen verbinden. Ik kan een paar keer een gedicht lezen zonder dat het me raakt. Terwijl dan ineens op een zonnige dag, of juist een regenachtige, de klik tussen mij en het gedicht er is. Daarom zal ik niet snel een gedicht negatief beoordelen. Met kunst ligt dat anders en zeker met beeldhouwkunst. Ik zie de kwaliteiten van veel werken, zelfs als ik een rotbui heb. De kathedraal van boomstronken van Marinus Boezem is prachtig. Van Nicolaas Dings staat er een vorm die verwijst naar een gebouwtje, ook dit beeld is fascinerend in haar eenvoud. De twee dieren Toon en Toon van Tom Claassen raken mij zoals zijn beelden vaak doen. Het gedicht erbij lijkt een passende beschrijving. Ik wil een gedicht in deze recensie zetten; maar twijfel welke. Ik wil een gedicht dat staat als een beeld zonder dat het een beeld als sokkel nodig heeft. Dat heb ik alleen bij het gedicht Beeldspraak van Ed Leeflang, bij het werk Versmelting van Joop Beljon.

'Beeldspraak'

Ik denk al niet meer te verwijzen

maar ik kom voort uit een grammatica

die wil dat verticalen stijgen,

een oud verlangen achterna. 

Zij zouden uit het zicht verdwijnen

als niet hun klim werd onderbroken

zodat ik opgaand tussen bomen

de vreemde en hun vriend kan blijven.

Het mooie aan dit gedicht vind ik dat het perfect het beeld van Beljon spiegelt; zonder ervoor onder te doen. Het zijn twee grootheden die zich tot elkaar verhouden maar ook autonome kracht bezitten. Twee op zichzelf staande kunstwerken met een hechte band.

Water en Vuur VII, Karla de Boer-Gilberg, Uitgeverij Phidias, 2011, ISBN 978-90-805811-0-4, www.stichtingphidias.nl

See it Again, Say it Again

See it Again, Say it Again is een boek dat onder redactie van Janneke Wesseling tot stand kwam. Kunst maken kun je niet los zien van het verhaal en onderzoek van de kunstenaar. De kunstenaar als ‘researcher’ staat in dit boek in de schijnwerpers. Volgens Wesseling is het idee ‘kunstenaar als onderzoeker’ niet nieuw en is het rechtstreeks afgeleid van de conceptuele kunst in de jaren zestig. Tijdens het postmodernisme is het onderzoek in sommige gevallen het kunstwerk geworden. Het zijn polemische werken die open staan voor kritiek en tegelijkertijd zelfreflectief zijn; dat wil zeggen dat de kunstenaar bereid is zijn eigen positie te bevragen en ook de positie van zijn kunstwerk in de kunstwereld. In principe durf ik te stellen dat deze traditie –want dat is het inmiddels - begon met Marcel Duchamp; de vraag ‘wat is kunst’ werd daar voor het eerst gesteld. In het voorwoord schrijft Wesseling een boeiend relaas over de geschiedenis van dit begrip. Ze schuwt het niet diverse filosofische theorieën hierbij te benoemen ter ondersteuning. In het boek staan bijdragen van Jeroen Boomgaard, Jeremiah Day, Siebren de Haan, Stephan Dillemuth, Irene Fortuyn, Gijs Frieling, Hadley+Maxwell, Henri Jacobs, WJM Kok, Aglaia Konrad, Frank Mandersloot, Aernout Mik, Ruchama Noorda, Vanessa Ohlraun, Graeme Sullivan, Moniek Toebosch, Lonnie van Brummelen, Hilde van Gelder, Philippe van Snick, Barbara Visser, Janneke Wesseling, Kitty Zijlmans en Italo Zuffi. Dit is een interessante mix van theoretici pur sang, naast theoretiserende kunstenaars; wat zij gemeen hebben is de postmodernistische invalshoek waar vanuit ze naar kunst kijken. Voor de kunstenaar is doorgaans zijn eigen werk en de eigen positie een onderdeel van het research. Henri Jacobs bijvoorbeeld onderzoekt oppervlakten in zijn ‘Surface Research project’. Tijdens het project was Jacobs zichtbaar voor het publiek omdat hij werkte vanuit een glazen kubus in de Rietveld academie. Een plat oppervlak van een schilderij heeft in de regel toch de illusie van ruimte. Het onderzoek van een kunstenaar leidt vaak tot een kunstwerk. Het onderzoek van de theoreticus leidt tot een tekst met hypothese en/of conclusie. De theoreticus daarentegen zet zichzelf zelden centraal in een researchproject en bevraagt niet de eigen positie. Vanuit bronnenonderzoek komt een tekst tot stand. Onder of boven de tekst staat zijn of haar naam. Het verschil tussen de disciplines voel je in de diverse teksten.

See it Again, Say it Again, Janneke Wesseling e.a., Valiz, Amsterdam, 2011, ISBN 9789078088516

Per ongeluk expres

Bianca Stigter combineert kennis over kunst met een gezond portie relativeringsvermogen. Kunst is kwetsbaar en dat merk je als mensen erover praten. Je bent er voor of er tegen en onder het huidige politieke bewind lijkt dat legitiem. Dat drijft mensen die ervoor zijn in de verdediging. Als je een bundel schrijft van ongeveer 250 pagina’s, dan heb je iets met kunst ook al schrijf je het volgende; “Soms heb ik helemaal geen zin in kunst. Soms denk ik zelfs dat ik helemaal niet van kunst houd”. Ik moet zeggen dat ik mijzelf hier in herken; ik heb ook van die dagen dat kunst me werkelijk de oren uitkomt. Op dezelfde pagina stelt ze “Soms houd ik zelfs meer van kitsch”. Toch is zij beslist niet tegen kunst, maar liever wordt zij bij toeval geraakt dan dat zij gedwongen geniet. “Verleid worden is bevredigender als het spontaan gebeurt; liever verliefd worden in de disco dan via een datingsite”. Dit vind ik mooie associaties. Op de afgelopen Biënnale in Venetië constateerden mijn partner en ik dat als je naar zo’n megatentoonstelling gaat met te hoge verwachtingen je behoorlijk teleurgesteld kan worden., terwijl je juist geraakt wordt door kunst op plekken waar je geen interessante kunst verwacht. Het boek is samengesteld uit columns die Stigter schreef en waarin diverse cultuuruitingen een rol spelen. Ik lees dat de oorsprong van de kunst misschien wel gelegen is in menstruatiebloed. Zij verwijst in een artikel naar een opvatting van de Britse antropoloog Chris Knight. Deze beweert dat in de prehistorie de meest gebruikte kleurstof rode oker was, dit was volgens hem duidelijk een vervanging van menstruatiebloed. In dit artikel koppelt ze kunst aan magie en met name aan menstruatiemagie. In een ander artikel beschrijft zij lyrisch het werk van Monet. Het kan verschillen; soms heb je van die dagen dat je je passie ontmoet en andere dagen zit je passie je zwaar in de weg. Noem het de geijkte haat-liefdeverhouding die vaak samengaat met passionele relaties. Dit is een boek dat lekker leest en dat je tegelijkertijd makkelijk weg kunt leggen omdat het geen doorlopend betoog is. Het doet pretentieloos aan, en dat spreek mij in ieder geval bijzonder aan.

Per ongeluk expres. Over kunstBianca Stigter, Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2011, ISBN 9789025435998

Venezia

Iedere twee jaar trekken we naar Venetië om er de contemporaine kunst te bekijken. Maar Venetië biedt meer dan dat. Een rijke cultuurgeschiedenis vult deze historische plek. Luc Verhuyck schreef een anekdotische reisgids over deze stad. De reisgids telt 456 pagina’s en is gevuld met kleine letters en maar enkele foto’s. Op pagina 399 zie ik een intrigerende tekening. Als ik de tekst lees die erbij staat, blijkt het een in steen gegraveerde afbeelding van een Turk te zijn met het hart van zijn moeder in zijn hand. Het werk doet bijna eigentijds aan maar stamt uit de 15de eeuw. In een vlaag van woede sneed deze Turk het hart uit de borst van zijn moeder. In paniek vluchtte hij na zijn daad, maar viel op een van de vele trappen bij het water waardoor het hart in zee viel. De Turk sprong het achterna en verdronk. Een zwerver die in het portiek zat van de Scuola di San Marco, kraste het tafereel in steen. De zwerver was eens een gevierd beeldhouwer die nog aan de Scuola had meegebouwd, maar na het vroege overlijden van zijn vrouw had verdriet hem overmand en aan lager wal gebracht. Uit heimwee naar zijn vroegere bestaan kraste hij met scherpe voorwerpen dat wat hij zag in het steen. De volgende keer dat ik de Biënnale bezoek neem ik dit boek mee en ga ik enkele van deze plekken bezoeken. Met de anekdotes in je achterhoofd bekijk je een locatie anders.

Venezia. Een anekdotische reisgids, Luc Verhuyck, Uitgeverij Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2011, ISBN 9789025368159

Uit Beelden 3#2011


Wild Park. Het onverwachte als opdracht

Wild Park. Het onverwachte als opdracht is een klein groen boekje met een essay van Jeroen Boomgaard over de verschijningsvormen en sociale betekenis van kunst in de openbare ruimte en de verwachtingspatronen omtrent deze kunstvorm. Jeroen Boomgaard is sinds 1983 werkzaam bij de Leerstoel Kunstgeschiedenis van de Nieuwste Tijd van de Universiteit van Amsterdam. Tevens werkt hij vanaf 2003 bij de Gerrit Rietveld Academie als lector kunst en de publieke ruimte. In het boekje geeft hij aandacht aan de postmoderne varianten van kunstwerken die zich te pas en te onpas op plekken in de openbare ruimte bevinden. Regelmatig zie je in de tekst hoe Boomgaard te veel woorden gebruikt om betekenis te geven doordat hij het gebrek aan betekenis van kunstwerken verheft tot kwaliteit. Een zin als “Om het verschil in kwaliteit van de kunst in de openbare ruimte te vatten moeten we echter niet alleen letten op vorm en iconografie van een bepaald kunstwerk, maar op de functies en betekenissen die het tracht te ontvluchten”, doet mij bijna dit boekje ontvluchten. In het volgende hoofdstuk lees ik “De wereld van de kunst is er een die met argwaan wordt bekeken omdat kunstwerken hun betekenis vaak niet gemakkelijk prijsgeven, terwijl kunstenaars en kunstbeschouwers zichzelf vaak lijken te verliezen in onbegrijpelijke vaagheden.” Ik vraag mij hierbij af in hoeverre Boomgaard beseft dat hij zichzelf een spiegel voorhoudt. Het boekje is een soort amalgaam van wazige aannames, verpakt in bijna ondoorgrondelijk taalgebruik, vermengt met haarscherpe observaties. Dat kunstwerken verbonden zijn met een ideologie en altijd een representatie van macht zijn, zelfs als zij zich daaraan lijken te onttrekken, ben ik met Boomgaard eens. Ondanks dat zij de macht vertegenwoordigen laten zij paradoxaal ook een andere kant zien. “Van Hedendaagse kunstwerken wordt verwacht dat zij het onverwachte introduceren en het ongeziene een gezicht geven.” aldus Boomgaard. Ik denk dan ‘wie verwacht wat?’. Boomgaard is een academicus die een beeld betekenis wil geven vanuit een kunsttheoretisch standpunt.  Hij wil het ongeziene zien en dit zichtbaar maken in tekstuele hoogstandjes aan mede-intellectuelen. De politicus of machthebber (in Nederland helaas zelden een intellectueel) daarentegen wil het beeld er waarschijnlijk juist niet hebben om het ongeziene zichtbaar te maken, maar eerder om te verhullen en te imponeren. De langs wandelende kunstleek daarentegen verwacht waarschijnlijk weer iets heel anders van een kunstwerk. Zij willen gewoon een leuk beest zien of een aardige vorm die niet teveel stoort. Dat maakt ook gelijk het probleem van de hedendaagse kunst duidelijk in een democratische setting met diverse belangen; er is de maker en er zijn diverse consumentengroepen. Wie bedien je als kunstenaar? Is dat de kunsttheoreticus, dan moet jouw beeld diverse ondoorgrondelijke vluchtlijnen bezitten die zich onttrekken aan het alledaagse. Lukt dat niet, dan haakt de theoreticus af omdat hij dan niet kan imponeren bij zijn eigen “inner cirkel” met een vakjargon dat duidelijk maakt dat hij toch echt op zijn minst Foucault en Deleuze heeft gelezen. Wil je de machthebber tevreden stellen dan moet jouw beeld imponeren en wil je het ‘alledaagse publiek’ (de grootse groep) tevreden stellen dan zal jouw beeld op zijn minst een toegankelijke laag moeten hebben. Met ondoorgrondelijk vakjargon heeft het grootste deel van het publiek niets. De huidige populistische politiek wil publiek tevreden houden en tegelijkertijd imponeren als machthebber bij de kiezer. Die kleine groep theoretici, zoals Boomgaard, is kolen op het vuur voor hen. Lees je tussen de regels het vele vakjargon dan heeft Boomgaard weldegelijk iets te zeggen en veel scherpe observaties. In de huidige tijd waarin politiek populisme aan de macht is lijkt het echter handiger je woorden te formuleren in grootschalige begrijpelijkheid zodat het tegenargument voor ‘kunst onderworpen aan populistische democratie’ zich niet onttrekt aan breedschalige communicatie. Op de laatste bladzijde van het boek vat Boomgaard het een en ander samen; “Kunst in de openbare ruimte in Nederland toont zowel de goede als slechte kanten van de democratie. Een slecht functionerende democratie brengt bloedeloze beelden voort in opdracht van machthebbers die geen verantwoordelijkheid willen nemen en die hun ideeën afwentelen op burgers in een halfslachtige inspraak zonder kans op verandering.”  Kijk, dat is nu het stukje klare taal waar ik me graag achter schaar en waardoor ik dit boek niet voortijdig terzijde schoof. 

Wild Park. Het onverwachte als opdracht, Jeroen Boomgaard, Fonds BKVB, Amsterdam, 2011, ISBN 978-90-7693936-00-0

Prix de Rome 2011; Beeldende Kunst

Prix de Rome 2011; Beeldende Kunst is een verslag van misschien wel de laatste Prix de Rome. In het boek staan tien portretten met extra aandacht voor de vier finalisten: Priscilla Fernandes, Ben Pointecker, Pilvi Takala en Vincent Vulsma. De kunstenaars zijn allemaal onder de 35 jaar. De uitgave zelf heeft de uitstraling van een zeer dik, goed verzorgd tijdschrift. Je kunt je afvragen in hoeverre je hier nog kan spreken van een Nederlandse Staatsprijs. Van de longlist van tien waren slechts vier kunstenaars afkomstig uit ons land; Gwennet Boelens, Petra Stavast, Vincent Vulsma en Guido van Der Werve. Van de vier genomineerde was alleen Vulsma uit ons land afkomstig, hij werd tweede. Pilvi Takala uit Finland kreeg de eerste prijs. Ondanks dat er binnen de kunst een globalisering plaatsvindt, blijft het voor een land toch altijd noodzaak het eigen product te promoten. Hoe kun je dat slechter doen dan in een staatsprijs de gaststudenten van de postacademies te laten domineren. Het lijkt bijna een statement alsof we zelf niet voldoende talent hebben. De Zomerexpo 2011 Anoniem gekozen (zie boekbespreking hiernaast) maakte duidelijk dat er voldoende talent is. Als ik kijk naar de longlist dan springt het werk van Guido van de Werve er voor mij echt uit als de beste. In de shortlist werd hij verdrongen door kunstenaars die mij minder raken.

Prix de Rome 2011; Beeldende Kunst, Nicoline Timmer, NAi Uitgevers, Rotterdam 2011, ISBN 978-90-5662-812-3

Zomerexpo 2011. Anoniem gekozen

Zomerexpo 2011. Anoniem gekozen is een catalogus waarin 250 kunstwerken staan. Het is het resultaat van een nieuwe traditie die voortkomt uit een samenwerking tussen stichting ArtWorlds en het Gemeentemuseum Den Haag. In navolging van de Summer Exhibition van de Royal Academy in London en de Canvas Collectie in België krijgt ook Nederland haar eigen zomertentoonstelling. De deelnemers konden in drie genres, stilleven, portretten en landschappen, hun werken anoniem inzenden. Een jury koos 250 werken uit 4.700 inzendingen. In de eerste ronde kreeg de jury 15 seconden om een werk te bekijken en vervolgens zonder discussie te stemmen door een hand op te steken. De AVRO deed in het tv-programma Kunstuur verslag van de hele gebeurtenis. In het boek staat het resultaat. Als ik bij Uitzending gemist zie hoeveel mooie werken weggestemd zijn bij de lopende bandselectie van 15 seconde per werk, is het verbazend hoeveel mooie werken er nog in de catalogus staan. Deze catalogus toont aan dat het gebrek aan respect waarmee momenteel vaak over beeldende kunst wordt gesproken, onterecht is. In Nederland wordt bijzonder veel mooie kunst gemaakt. Wat mij zeer bevalt aan dit initiatief is de anonimiteit. Ik heb zelf ervaring in commissies en wat mij opvalt is dat veel commissieleden hun oordeel eerder ophangen aan namen en CV’s dan aan werk. Nu heeft het werk moeten overtuigen en dan blijkt dit heel goed te gaan. Aan de tentoonstellingen waren ook prijzen verbonden, de publieksprijs ging naar Lonneke Gordijn en Ralph Nauta. Zij maakten een installatie van paardenbloempluisjes, fosforbrons en led-lampjes. De professionele jury koos voor een werk van Annemieke Alberts, een tot nu toe vrij onbekend kunstenaar. Het is een werk uit een serie waarin zij aan de hand van foto’s van spiegelde oppervlakten zoals winkelruiten, zeer verdienstelijke schilderijen maakt. Een ander leuk aspect aan deze mega-happening is dat het bestaat uit een televisieverslaglegging, een catalogus en een tentoonstelling. Dit maakt het een levendig en openbaar geheel dat navolging verdient.

Zomerexpo 2011. Anoniem gekozenBenno Tempel, Uitgeverij de Jonge Hond 2011, ISBN 978 90 8910 263 8

Dutch Heights 2

Dutch Heights 2 is het vervolg op Dutch Heights 1, een initiatief van ‘Stichting Dutch Heights en de Grafische Cultuurstichting’. In het boek staan ruim honderd personen uit de kunst en cultuursector die het afgelopen jaar een prijs ontvingen. Bijzonder is dat Dutch Heights 1 zelf ook een prijs kreeg van AIGA (The American Institute of Graphic Arts) die de uitgave heeft uitgeroepen tot een van de vijftig best verzorgde boeken ter wereld van 2010. De boeken zijn heerlijk om naast je bed te hebben of op je tafel. Je kijkt naar de foto’s en leest de korte teksten die erbij staan. Wie is de met een cultuurprijs gezegende persoon, wat maakt hij of zij en waarvoor kreeg de persoon de prijs. Er komen illustere namen in voor, maar ook voor mij minder bekende personen. Er zijn vele cultuur prijzen maar ook vele sectoren waarin het boek is opgedeeld. Ik tel er tien: Architectuur, Beeldende Kunst, Cultuur, Film, Fotografie, Illustratie, Literatuur, Muziek,  Ontwerp en Podiumkunsten. Ontwerp spant de kroon met 17 prijzen. Illustratie daarentegen kent er maar drie. Voor Beeldende Kunst zijn dit jaar maar zes kunstprijzen in het boek opgenomen. Echt interessant vind ik de beeldende kunst niet, met alweer Mark Manders die een prijs krijgt en werk van David Bade waarvan alleen de installatie die ik zie me wel boeit. Bij de cultuurprijzen valt mij op dat Alex van Warmerdam die ik vooral ken van films en theaterstukken ook niet onverdienstelijk schildert. Joke van Leeuwen die een prijs krijgt voor haar bijdragen aan het geschreven woord, plaatst monumentale gedichten in de openbare ruimte, ze werken daar echt als kunst in de openbare ruimte. Zo zie je dat disciplines eigenlijk niet meer in hokjes passen. Hetzelfde geldt voor design, ik zie er veel werken die ik als beeldende kunst ervaar. De poging om te rubriceren lukt eigenlijk niet meer, maar dat doet niets af aan het boek dat een heerlijk naslagwerk blijkt.

Dutch Heights 2Robbert Dijkgraaf en Arnon Grunberg e.a., Stichting Dutch Heights, Heemstede, ISBN 978-94-90529-03-1

Uit Beelden 2#2011

Locating the Producers

Locating the Producers. Durational Approaches to Public Art is een lijvige academische studie. Je hebt doorzettingsvermogen nodig om je er doorheen te worstelen. De nadruk van het boek ligt niet bij de kunstenaars of de kunstwerken maar eerder bij de rol die de producent speelt. De producent is de kunstcommissie of de curerende en begeleidende instantie. Soms is het zelfs de kunstenaar die mogelijkheden schept voor andere kunstenaars als kunstact. In het museum spreek je van een curator als je de persoon bedoelt die een tentoonstelling samenstelt, of een keuze van kunstenaars maakt. In de openbare ruimte zijn dit overheidsinstituten of lokale kunstcommissies die de wethouder adviseren. Deze commissies en stichtingen nemen de rol van de producent op zich. In Locating the Producers gaan de onderzoekers Paul O’Neill en Claire Doherty in op diverse gemeenschappelijke aspecten die grote locatiegebonden kunstprojecten hebben. O’Neill is onderzoeker aan de University of the West of England en daarnaast is hij curator van meer dat vijftig tentoonstellingen. Doherty is de oprichter van Situations. Situations schept mogelijkheden voor kunstenaars buiten het reguliere kunstcircuit. De onderzoekers proberen aan de hand van het volgen van diverse grote projecten in Europa te achterhalen welke criteria te distilleren zijn uit de verschillende projecten en zo tot een canon aan beoordelingscriteria te komen waaraan kunstadviseurs en projecten kunnen voldoen. Behalve het onderzoeken van de diverse projecten zijn er ook interviews en diverse gespreksronden. Verder heeft het onderzoek als doel een vocabulaire te ontwikkelen die passend is bij deze kunstvorm. Lees meer...

Locating the Producers. Durational Approaches to Public Art, Paul O’Neill en Claire Doherty, Valiz, Amsterdam, 2011, ISBN 978-90-78088-51-6

Komrij, Fuchs en Zwagerman

Drie essayboeken van gerenommeerde auteurs vonden recentelijk hun weg naar de boekwinkel. Gerrit Komrij, Rudi Fuchs en Joost Zwagerman geven hun visie op eigentijdse kunst. In
Kunstwonderen gaat Gerrit Komrij op zoek gaat naar de drijfveren in de kunstwereld, althans naar hij beweert. In werkelijkheid is het een boek over zijn persoonlijke weerstand tegen contemporaine kunst en design. In het eerste stukje over For the Love of God van Damien Hirst komt niet het kunstwerk tot leven, maar een bejaarde nostalgische brombeer die vol onbegrip naar de schedel met diamanten kijkt. 

Rudi Fuchs is een kunstliefhebber, vooral de conceptuele kunst van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw vormde zijn blik op de kunst. In zijn boek zie je nog al die namen van zijn grote idolen, Donald Judd, Jan Dibbits, Sol LeWitt, Gerhard Richter en meer. Hij bezingt ze met waardering en beroering. Er was een tijd waarin ik dacht dat Fuchs in de tijd bleef steken en niet vooruit kon. Toch zie ik in zijn nieuwste boek Kijken. Een Leesboek over kunst, ook namen staan van meer recente kunstenaars zoals Tracey Emin, Rob Birza en Damien Hirst. Vergelijk je het stuk van Komrij over Hirst met dat van Fuchs, dan valt op dat Fuchs minder oppervlakkig blijft. Hij beschrijft een schilderwerk van Hirst uit 2009 en analyseert het binnen het oeuvre van de kunstenaar en van andere kunstenaars zoals Francis Bacon en Samuel Becket. Ook al beschrijft Fuchs een recent werk van hem, hij blijft een romanticus die een werk graag verbonden ziet met een kunsthistorische context. Hij noemt de periode waarin Hirst de kunstwereld veroverde met kadavers, drijvend in aquariums met formaldehyde, ‘een soort overweldigende poppenkast’. De beroemde diamanten schedel noemt hij een slotakkoord. Ik krijg het gevoel dat Fuchs blij is met de keuze van Hirst om terug te keren naar het schilderij. Fuchs is kunsthistoricus en zijn liefde voor de geschiedenis van de kunst hangt samen met zijn liefde voor kunstenaars. Een kunstenaar die zich in zijn werk verhoudt met dat wat achter hem ligt, is beter te plaatsen dan een kunstenaar die er alles aan doet met de traditie te breken. 

De eerste zin van het boek zet de toon “Ik zou niet zomaar kunnen zeggen wat kunst is, maar ik weet zeker dat het te maken heeft met kijken. Met kijken en nog iets, vanzelfsprekend, anders was iedere brildrager kampioen kunstkenner." Verder in het boek lees ik: “Alleen als mooi en lelijk als duidelijke categorieën blijven bestaan, kunnen we nog het verschrikkelijke van de schoonheid ervaren en de schoonheid van het banale." Er valt geen speld tussen te krijgen aan deze stelling behalve dat je je wel open moet kunnen stellen om schoonheid en lelijkheid in al haar facetten toe te laten. Daar ontbreekt het bij Komrij aan. Het is eerder de schoonheid van zijn schrijfstijl in dit boek die mij regelmatig laat glimlachen. De scherpe en vinnige woorden waarmee hij zijn onvermogen om van kunst en design te genieten neerzet, maken dit boek een juweeltje waar je van kan genieten zonder zijn oordelen serieus te nemen.

, staat op het boek van Joost Zwagerman. Net als de andere twee essayboeken prima om in te vertoeven. De stukken zijn goed geschreven en gekleurd vanuit de beleving van de schrijver zoals ook de ander essaybundels zijn. Ik zoek in het boek of ook hij over Hirst schrijft en ja, als essayist kun je deze controversiële kunstenaar niet overslaan. Hij noemt Hirst een winstpakker, als hij beschrijft hoe de prijzen voor zijn werk door de kunsthandelaar/verzamelaar Saatchi vakkundig werden opgedreven. Zwagerman is van de generatie Rob Scholte, een generatie kunstenaars die in navolging van Andy Warhol besloten dat je de geldstromen in de kunst kunt manipuleren. Hirst is daar de eigentijdse grootmeester in en het werk For the Love of God de ultieme kunstact. Zwagerman kan het ding niet los zien van zijn waarde en van Hirst’s inkomensstatus. Zwagerman voert zijn zoon van 10 ten tonele. Het kind weet niets van de waarde van de kunstenaar en de diamanten. Zijn perceptie is onbevangen en onbevooroordeeld en hij raakt niet uitgepraat over ‘het ding’. Misschien denk ik, na het lezen van de boeken van deze drie schrijvers, is onze volwassenheid en onze professionele vooringenomenheid wel de mist die een open blik op kunstwerken belemmerd. Hoe meer we weten over kunst hoe gemankeerder we zijn.

Kunstwonderen, Gerrit Komrij, De Bezige Bij, Amsterdam, 2011, ISBN 978 90 23 459347

Alles is gekleurd. Omzwervingen in de kunst, Joost Zwagermans, Arbeiderspers, Amsterdam, 2011, ISBN 978 90 295 7382 5

Kijken Een leesboek over kunst, Rudi Fuchs, Ludion, Amsterdam, 2011, ISBN 978 90 55 448500


Uit Beelden 1#2011

Craigie Horsfield

Wandtapijten behoren tot de textiele kunsten. De oudste Europese kleden dateren uit de 13
de eeuw. In de jaren zestig van de vorige eeuw ondervond de textielkunst een opleving. Abstracte monumentale wandkleden gaven kleur aan veel overheidsgebouwen. Inmiddels is het omtrent deze kunstvorm weer rustiger geworden. Momenteel beheersen digitale beelden in de vorm van video, fotografie en digitale beeldbewerking de hedendaagse kunst. Textielkunst en fotografie kun je ook combineren, zoals blijkt uit de werken van de Britse fotograaf Craigie Horsfield. Hij gebruikt fotografische beelden om deze later om te zetten in monumentale wandtapijten. Kort geleden waren deze werken in het MUHKA in Antwerpen te zien. Bij deze tentoonstelling kwam een catalogus uit waarin veel van zijn weefsels te bewonderen zijn. Het gaat vaak om massa’s mensen die over straat lopen, bij treinstations van het ene naar het andere perron gaan, of deelnemen aan massale gebeurtenissen. Het zijn intense massaportretten waarin emoties van de gezichten stralen. Ook zijn er tapijten waarin de kunstenaar dieren portretteert. De vorm van presenteren als wandtapijt lijkt de fotografische beelden te intensiveren en dramatiseren. Het gebruik van donkere tonen vergroot de dramatische impact. In het boek wisselen totaalfoto’s detailfoto’s af. Het is een mooi gebonden boek vol kijkplezier. De essays die erin staan zijn zeer lezenswaardig en maken dit boek in zijn geheel een naslagwerk dat de moeite van de aanschaf waard is.

Craigie HorsfieldSchering en inslagBart De Baere en Carol Armstrong, Ludion Antwerpen, 2010, ISBN 9789055448326

De Ja-sprong


De kunstcritica Anna Tilroe schreef vorig jaar het pamflet 
De Ja-sprong. Naar een nieuwe vitaliteit in de kunst. Dit 72 pagina tellende boekje leest als een reddingsactie voor de kunst, musea, kunstkritiek en andere participanten. Zij ziet de democratische kunstwereld zoals wij die vijfentwintig jaar geleden kende, verzuipen in een modderpoel van economische krachten en machten. De laatste jaren ben ik diverse interessante boeken tegengekomen met een kritische toon ten opzichte van de toenemende manipulatie van de kunstmarkt. De tendens dat overheden verantwoordelijkheden afschuiven naar de vrije markt vergroot alleen maar de macht van marktmanipulatie. Het is niet de kunst die het voor het zeggen heeft in de kunst en cultuursector maar het geld. 

Ik ben net als Tilroe van de generatie waarin idealisme een grotere rol speelde dan economische belangen, macht en prestige. De generatie die angstvallig vermeed om over geld te praten als het om kunst ging, want de intrinsieke waarde mocht niet door een prijskaartje besmuikt worden. 

De drie vragen die Tilroe stelt zijn; Hoe wordt waarde aan kunst toegekend? Door wie? En waartoe? Ze beschrijft de scene waarin jaarlijks het Amerikaanse Megajacht de SeaFair’s Gran Luxe uitvaart met aan boord vele multimiljonairs en –miljardairs. In een luxueuze besloten sfeer kunnen zij zich overgeven aan het opbieden tegen elkaar om de duurste kunst te bemachtigen. Het veilen en verhandelen van kunst krijgt vaak het elan van een decadent theaterstuk. Volgens Tilroe heeft kunst door de eeuwen heen gefunctioneerd in de context van macht, status en geld. Een groot deel van de  20e eeuw is hierop een uitzondering. De democratiseringsgolf zorgde er voor dat er meer evenwicht ontstond tussen kunstenaars, galeries, museumdirecteuren en critici. “Dat evenwicht is de laatste vijfentwintig jaar verstoord door de spectaculaire groei van de kunstmarkt” stelt Tilroe. Lees meer...

De Ja-sprong. Naar een nieuwe vitaliteit in de kunstAnna Tilroe, Uitgeverij Querido, Amsterdam 2010, ISBN 978 90 214 57350

Welk Werk Waar

Welk Werk Waar. Kunst en gebiedsontwikkeling in Rotterdam is uitgave 004 in de serie CBK-dossiers. De eerste twee zinnen in het boek luiden: “de kunstenaar moet net zo serieus worden genomen als andere coalitiepartners in de gebiedsontwikkeling. Die positie moet de kunst niet alleen worden gegund, de kunst moet de positie ook willen claimen”. Het is een citaat van de conceptuele gebiedsontwikkelaar Pieter Kuster. In de uitgave analyseert Gepke Bouma hoe een kunstwerk tot stand komt in de openbare ruimte en welke rol de kunstenaar speelt bij gebiedsontwikkeling. Vragen die zij stelt zijn, waarop is de keuze van een werk gebaseerd, wie stelt vast welk kunstwerk aan een gebied wordt toegevoegd, aan welk profiel voldoet de kunstenaar en over welke kwaliteiten moet hij beschikken. Sommige projecten zijn al eerder beschreven vanuit een ander perspectief, maar hier staat voor het eerst de gebiedsanalyse van de verkenner centraal. Deze verkenner is een kunstenaar of conceptualist die het gebied in kaart brengt vanuit de locatie waarin historische-, bebouwde- en sociale context en lokale mobiliteitsaspecten een rol spelen. Vanuit deze inventarisatie ontstaat een analytisch locatieverhaal dat vervolgens als aanzet dient voor volgende stappen van het gebiedsgericht werken. Meerdere gesprekspartners toetsen het verhaal aan hun ervaringen en overtuigingen. De bewoners of gebruikers van een locatie spelen als gesprekspartner een niet onbelangrijke rol. Op deze wijze stem je culturele vraag en  culturele aanbod van de stad op elkaar af. In de publicatie staan naast 15 projecten en een boeiende inleiding die je kunt lezen als een verantwoording van de Rotterdamse werkwijze, twee theoretische essays. Veel van de projecten zoals het Motorschip MS Noordereiland van Joe Cillen en het Muizengaatje onder de A20 zijn al velen malen beschreven. Het blijven geslaagde projecten, net als de meeste werken in dit boek. Deze uitgave geeft de werken een nieuw kader. Het geeft inzicht in de ontstaanswijze van werken en dat verschaft de werken een persoonlijke geschiedenis.

Welk Werk Waar. Kunst en gebiedsontwikkeling in Rotterdam, CBK Rotterdam, 2010


Uit
 Beelden 4#2010

Niet alles is kunst 

Niet alles is kunst is een boek met drie essays van Diederik Kraaijpoel, Willem L. Meijer en Lennaart Allan. De teksten sluiten goed bij elkaar aan. De drie schrijvers trekken ten strijde tegen de kunst die voor de geest werd gemaakt en minder voor de zintuigen, zoals conceptuele kunst.
Kraaijpoel vindt dat er door de eeuwen heen veel zinnigs over kunst is gezegd en komt met goede voorbeelden aanzetten. Maar tijdens het postmodernisme, roepen onbegrijpelijke kunstwerken onbegrijpelijke teksten op. In de huidige teksten worden lezers niet geïnformeerd maar geïntimideerd, zegt hij.  
Willem L. Meijer kiest duidelijk voor de mimese in de kunst als een eerbetoon aan de schepper. Wie de mimese de rug toekeert doet geen eer aan de schepping. Een duidelijke religieuze gedrevenheid kenmerkt zijn schrijven. Lennaart Allan daarentegen komt met leuke anekdotes die aantonen dat de kunst zo elitair is geworden dat de gewone man het niet meer begrijpt. Een anekdote is die van een man die zelfmoord pleegde in een beeldentuin door zich aan een boom op te hangen. Voorbijgangers sloegen geen alarm omdat ze dachten dat het een kunstwerk was. Dit broodje aap-verhaal, ziet hij als teken aan de wand. De schrijftrant in het boek is duidelijk conservatief opiniërend. Dat maakt dit boek zeer lezenswaardig. Het scherpt de geest en laat je beseffen dat de ervaring van ‘waarheid’ in de kunst samenhangt met oordelen, vooroordelen, specifieke kennis en persoonlijke smaak. Dit alles leidt tot een passie die tot schrijven aanzet. Ondanks dat ik het op veel punten niet eens ben met de schrijver, waardeer ik hun passie. (Lees hier een langere versie van deze boekbespreking).

Niet alles is kunst, Diederik Kraaijpoel, Willem L. Meijer en Lennaart Allan, Uitgeverij Aspect, Soesterberg, 2010, ISBN 9059118669

Shock Art 

Dat kunst en handel nauw verweven zijn als het om de zogenaamde ‘topkunst’ gaat, werd in de laatste decennia in verschillende uitgave blootgelegd. In Shock Art legt de econoom en kunstverzamelaar Don Thompson nog eens haarfijn uit hoe dat werkt. Het onderschrift van het boek luidt Handel en hebzucht in de hedendaagse kunst. De veilinghuizen Christies en Sotheby zijn meesters in het manipuleren van deze handel. Natuurlijk doet in dit boek Charles Saatchi ook mee als ‘kunstmoneymaker’. Bij de gedachte aan kunstenaars en geld duiken al snel de namen Damien Hirsch en Jeff Koons op. Zij ontbreken dan ook niet in dit boek. Zoals Duchamp de Godfather van de conceptuele kunst is, zo staat Andy Warhol aan de wieg van de geldkunst. Ook hij blijft niet onvermeld. Daarnaast lees je over praktijken die in de achterkamers van de veilinghuizen plaatsvinden, zoals de zogenaamde sealed-bid-veilingen;  veilingen gehouden in besloten kring van kunstkopers met veel geld. Iedere bieder plaatst een schriftelijk bod zonder van de ander te weten wat deze geboden heeft. Vanuit de kunsthandel is hier kritiek op omdat de prijs zo onevenredig opgedreven wordt. Verder komt in het boek uitgebreid aan de orde wat de waarde van hedendaagse kunst bepaalt. Gaat het om de intentie of om het originele materiaal. Het laatste woord is hierover nog niet gezegd maar het blijft boeiend dat bijvoorbeeld de haai van Damien Hirsch gewoon vervangen kan worden als die begint te rotten en dat daarentegen de door vandalen verminkte denker van Rodin niet opnieuw gegoten kan worden zonder aan waarde in te boeten. Shock Art is zeer leesbaar en zet aan totnadenken over kunst. 

Shock Art. Handel en hebzucht in de hedendaagse kunst, Don Thompson, Uitgeverij Walewein, Amsterdam, 2010, ISBN 978 90 77969 08 3

Daan Roosegaarde

Interactive Landscapes. Daan Roosegaarde, is een catalogus van deze kunstenaar die High Tech kunstwerken maakt. De kunstenaar speelt een belangrijke rol in de kunststroming New Dutch Digital Design. Het betreft hier kunstenaars die de grens tussen mens en computer onderzoeken. Die grens lijkt bij Roosegaarde eerder een overgang te zijn. Zijn werken reageren op de toeschouwers. Kort geleden werd het kunstwerk Dune 4.2 langs de Maas bij het Waterwerk in Rotterdam geplaatst. Dune 4.2 is een soort elektronische riethaag langs een pad dat reageert op voorbijgangers door een lichtshow te geven. Roosegaarde maakte meerdere van dit soort werken, zoals een sculptuur dat hij op het Oerolfestival toonde en dat groter of kleiner wordt als een toeschouwer zich er via beweging mee verbindt. Ook maakte hij een dansvloer die energie produceert als je erop danst. In de catalogus zie je veel projecten die opvallen door het technische vernuft en daarnaast zeker ook een interessante vormgeving bezitten. De catalogus is mooi vormgegeven en bevat naast veel tekst ook mooie foto’s. Dat hij volledig Engelstalig is, vind ik een minpunt nu er vaker kunstwerken van hem in de wijk te zien zijn. Het lijkt mij naar de  wijkbewoners toe aardig dat zij in een toegankelijke catalogus de bedoeling van de kunstenaar kunnen doorgronden. Roosegaarde wordt internationaal steeds meer gewaardeerd dus tweetaligheid was een prima optie geweest. Als tip aan de lezer wil ik meegeven: zoek eens op Vimeo en YouTube. Er zijn veel filmpjes over zijn werk te vinden. Dat geeft zijn bewegende beelden beter weer dan de mooie maar statische foto’s in de catalogus. 

Interactive Landscapes. Daan Roosegaarde, Adele Chong en Timo de Rijk, NAi uitgevers, Rotterdam 2010, ISBN 978 90 5662 754 6

Uit Beelden 3#2010

Duurzaam denken. Duurzaam doen

Duurzaam denken. Duurzaam doen is een project van Kunstenaarsinitiatief Stichting Het Raam uit Venlo. Kunstenaarsinitiatief Stichting Het Raam stelt zich ten doel kunst te tonen op plaatsen in de openbare- en semi-openbare ruimte en het publieke domein. In een dun blauw boekje presenteren zij zes kunstenaars die utopische projecten bedachten vanuit het concept ‘Duurzaam denken. Duurzaam doen’. Kunst en nuttig zijn is verdacht staat in het voorwoord te lezen. “Klopt”, denk ik, ik kreeg al een onaangenaam gevoel bij deze titel. Als de kunst in het geding komt door bezuinigingsronde na bezuinigingsronde, probeert de kunstwereld haar nut te bewijzen door bijvoorbeeld sociaal geëngageerd te zijn of mee te denken over zingeving op een openbare plek. Kortom de autonomie van de kunstenaar heeft het zwaar te verduren. Gelukkig blijkt het nut van de meeste inzendingen niet veel meer te zijn dan zuiver kunstnut. Het nut om utopische concepten te genereren die duurzaam zijn voor de kunstgenieter. Heel mooi is het beeld van Reinier Lagendijk die van een kluwen vijgenwortels een stoel en een tafel maakte door deze in een mal te laten groeien. Er staan verhelderende tekeningen bij. Aangezien de plant nog steeds groeit is de tafel een tijdelijk object dat uit haar voegen zal groeien. De plant en de wortels hebben een bepaalde duurzaamheid, de vorm niet. Dit beeld is het meest visuele en concrete in de catalogus. De andere ideeën zijn meer conceptueel.

Duurzaam denken. Duurzaam doen, Ruud Linssen, Kunstenaarsinitiatief Stichting Het Raam, Venlo, 2010.

Olaf Mooij

Dat Olaf Mooij een speciale band met auto’s heeft blijkt duidelijk uit de catalogus van hem.  Op de kaft staat Olaf Mooij 1189.81.230. Ik vermoed dat het nummer iets met auto’s te maken heeft, maar het blijkt zijn Burgerservicenummer. Achterin de catalogus staan enkele teksten over de kunstenaar en/of over auto’s. Sommige mensen identificeren zich sterk met een auto, ‘Een kras op de auto zien ze als een kras op de ziel’. Mijn zwager hoorde ik ooit zeggen, “Je ziet mij toch niet in een Hyundai rijden”. Waarom niet, vroeg ik mij af. Later besefte ik dat een auto niet voor iedereen een object is om van A naar B te komen, maar eerder een verlengstuk van de identiteit. In de catalogus van Mooij zie je dat hij dit al veel langer doorheeft. Sterker nog auto’s lijken voor hem een eigen identiteit te hebben. Je ziet vierwielers met hersenen, met verschillende haardrachten en met vervormingen. Je ziet de gestripte huid van een auto maar ook vreemde vervormingen. Het lijkt een beetje of Mooij’s oeuvre een zoektocht is naar de verschillende identificaties van dit geliefde vervoermiddel. Daarnaast ervaar ik deze werken op de eerste plaats als kunstobjecten. Sommige auto’s kunnen op de weg waar ze opzien baren. Maar op een tentoonstelling of in een catalogus waar meerdere werken bij elkaar zijn versterken ze elkaar in hun uitstraling.  Door zijn burgerservicenummer voorop de catalogus te zetten ontstaat de vreemde omkering van de mens als nummer tegenover de auto als individu.

Olaf Mooij, 1189.81.237, Anne Berk e.a., Post Editions, Rotterdam 2010, ISBN 978 94 6083 022 8

Frank Halmans

Hier/Here. Frank Halmans staat op de kaft van een mooi gebonden boek. Onder deze tekst zie ik een interieur met een uitzicht op zee en een horizon, schat ik in. ‘Helemaal fout’ kom ik later achter. Het is geen zee, maar een grauwgrijze vloer van een atelier met een lichtblauwe muur erachter. Veel beelden van Halmans lijken maquettes van woningen. Op pagina 41 zie ik het hele beeld van de kaft staan. Een huis met drie puntdaken op wielen met een stofzuigerslang eraan. Dat komt op mij over als een vreemde associatie, een stofzuigerwoning. Het huis is het stofreservoir. In de catalogus staan ook kruimeldiefwoningen. De woningen kunnen stof uit de omgeving wegzuigen en zichzelf van stof voorzien. In de catalogus lees ik dat de kunstenaar het stof uit zijn atelier zo opzuigt zodat er niets verloren gaat. Dat Halmans er niet van houdt dat dingen verloren gaan zie je aan een bepaalde verzameldrift. Het verzamelen van bijvoorbeeld gevonden handschoenen op de weg of insecten die geprepareerd met vinddatum en vindplek bewaard blijven. Verder zie je bijvoorbeeld beelden die bestaan uit oude wekkers die zo bij elkaar gezet zijn met de achterkant naar voren waardoor het treurige emoticons lijken. Een verzameling oude tafels lijkt zich te verschuilen onder de grootste tafel, zoals verlegen kinderen onder en achter moeders rok verdwijnen. Dit boek geeft een goed beeld van Halmans werk dat op mij nogal nostalgisch overkomt. Deze nostalgie ervaar ik overigens als verbindende kwaliteit van het oeuvre.

Hier/Here. Frank Halmans, Jap Sam Books, Heijningen 2010, ISBN 978 94 90322 13 7

Uit Beelden 2#2010

Joost Zwagerman

Beeld verplaatst bevat een selectie uit de gedichten, plus twee prozateksten van Joost Zwagerman, die hij de afgelopen jaren maakte bij kunstwerken van beeldend kunstenaars. Het leuke aan gedichten is dat het meestal van die irrationele opborrelingen zijn; associaties bij belevingen. In een kunsthistorische of kunstjournalistieke tekst kan je een werk dood analyseren. Een kunstwerk zelf is daarentegen levenskracht voor mij.  Zet je daarnaast een gedicht dan ontstaat er naast het kunstwerk een parallelle levenskracht; een verdubbeling van creatieve energie. Niet ieder kunstwerk is volledig tekstueel te doorgronden, hetzelfde geldt voor gedichten. Je vermoedt er soms iets in, maar zekerheid heb je nooit. Voor hetzelfde geld haal je eruit wat je er zelf instopte. Verloor Zwagermans een geliefde toen hij het gedicht de mooiste vrouw bij een werk van Rob Scholte schreef, werd hij bloedgeil van een schilderij van Marlene Dumas toen hij dat bijna pornografische gedicht schreef. Probeer ik Zwagermans door zijn gedichten te duiden, terwijl hij de kunstenaars duidt die weer iets heel anders duidden. Hier ontstaat een interessante kettingreactie, doordat ik met mijn cultuurfilosofische brein toch naar betekenis zoek. Door de complexiteit van de gedichten/beeldcombinatie is dit een langzaam boek. Met langzaam boek bedoel ik dat je het bijvoorbeeld naast je bed legt om er voor het slapen gaan even een combinatie van tot je te nemen.  

Beeld Verplaatst, Joost Zwagerman, BV uitgeverij de Arbeiderspers, ISBN 978-90-295-7239-2 

Jan Rothuizen

Jan Rothuizen Tekeningen. De zachte atlas van Amsterdam is een boek dat vol staat met tekeningen van deze kunstenaar. Ik ken het fenomeen dat als je met een camera in je hand in een omgeving loopt je meer aanwezig bent in die omgeving. Je hebt meer aandacht voor details en je gedachten dwalen niet af naar andere plekken en tijden. ‘Gerichte aandacht in het nu’ noemen ze dat in het boeddhisme en het is een vorm van zenmeditatie waar je rustig van wordt. Alleen zenmonniken gebruiken daar geen camera bij. Ik denk dat Rothuizen met zijn manier van tekenen ook deze aandacht zoekt. Het volledig op een plek zijn in het nu. In de zachte atlas van Amsterdam zet hij aandachtig deze stad op papier in tekening met tekst. Het gaat niet om de grote lijnen maar om de details en de persoonlijke blik van de kunstenaar. Soms wordt deze persoonlijke blik verruimd met die van een ander, zoals bijvoorbeeld in de tekening van de wandeling met de voormalig burgemeester van Amsterdam Job Cohen. De tekening is een beeldverhaal met teksten die voortkomen uit waarnemingen en ontmoetingen van de ander. Rothuizen neemt waar hoe Cohen waarneemt; boeiend perspectief vind ik. Bij de eerste ontmoeting met het werk van deze kunstenaar was mijn positieve attentie gewekt. In deze catalogus wordt het bevestigd. Dit werk raakt mij. 

Jan Rothuizen Tekeningen. De zachte atlas van Amsterdam, Nieuw Amsterdam Uitgevers, Amsterdam, 2009, ISBN 978904680689 

Paul McCarthy

In ons land is Paul McCarthy een omstreden kunstenaar vanwege het gesleep van zijn beeld Santa With Butt Plug (de Rotterdamse bijnaam luidt Kabouter Butt Plug) in Rotterdam. Mooi beeld wat mij betreft, maar de aankoop was natuurlijk wel vragen om gezeur. In de botanische tuinen in Utrecht waren in de zomer van 2009 veel van McCarthy’s opblaaskunstwerken te zien. Enorme opblaasbeelden van de Santa With Butt Plug. Maar ook gigantische opblaasvarianten van hopen stront en meer Butt Plug’s. De fascinatie met het anale lijkt me bij deze kunstenaar duidelijk aanwezig. Voor wie deze imposante tentoonstelling niet heeft gezien is er nu de catalogus Air Pressure, Paul McCarthy die zeer de moeite waard is. Naast een tekst met de duiding van het belang van zijn werk; staan er veel prachtige foto’s in. De beelden rijzen hoog boven de bomen uit. Naast de shit en Butt Plug beelden zie je het opgeblazen hoofd van voormalig president van Amerika Georges Bush, en Pop-art-achtige beelden die een ode lijken aan Andy Warhol en Claes Oldenburg en twee roze spelende varkens. Ik heb zelf de tentoonstelling gemist en dat betreur ik zeer bij het bekijken en lezen van deze catalogus. 

Air Pressure. Paul McCarthy, Jan van Adrichem, Gemeente Utrecht DMO/Afdeling Culturele Zaken, 2009, ISBN 978-90-804807-4-2

Uit Beelden 1#2010

Op Zuid

Op Zuid. De kunst van Rotterdam-Zuid is een lijvig, mooi uitgegeven boek over de kunst op de zuidelijke kant van de Maas. Als ik het boek ter hand neem, blijkt dat ik mij er snel in verlies. Van de foto’s van Otto Snoek ben ik al langer een fan, hij portretteert bewoners van dit stadsdeel treffend. Een verrassing vind ik fotograaf Max Dereta. Op de voorkant staat een mooie luchtfoto van zijn hand en als je het boek openslaat ze je Rotterdam op veel foto’s vanuit de lucht geportretteerd. De fotograaf weet goed gebruik te maken van de fotogenieke kwaliteiten van de stad, dit is Rotterdam op haar mooist. De foto’s van Dereta zetten wat mij betreft de toon voor dit boek.  Het is Rotterdam Zuid in vogelvluchtperspectief. Je kijkt ernaar, geniet ervan en ontdekt kwaliteiten van dit gebied die je vanaf de grond niet ziet. Je kijkt mee door de ogen van anderen, kunstenaars en schrijvers. Al snel raak ik ook gegrepen door de korte verhalen, ontwerpen, ideeën en diverse kunstprojecten in de stad. Dit is een boek dat je niet gemakkelijk weglegt als je het eenmaal openslaat. Ik heb nooit op Zuid willen wonen, maar Zuid wordt door dit boek ineens een stuk aantrekkelijker.

Op Zuid. De kunst van Rotterdam-Zuid, Marjolijn van der Meijden e.a. (red.), NAi Uitgevers, Rotterdam, 2009. ISBN 978-90-5662-719-5.

Sculptuur Studies

Het in 1994 gestichte museum Beelden aan Zee in Den Haag werd in 2003 uitgebreid met een instituut voor studie en onderzoek op het terrein van de moderne en hedendaagse internationale beeldhouwkunst. Jaarlijks geeft dit instituut een publicatie uit onder de naam Sculptuur Studies. Zojuist is de vijfde editie verschenen. In Sculptuur Studies wordt de beeldhouwkunst met een brede blik bekeken. Door de zeer gevarieerde artikelen, maar ook achtergronden zoals in memoriams, onderzoeksprojecten en een sculptuuragenda is deze jaarlijkse uitgave van het Sculptuur Instituut een waardevol document voor geïnteresseerden in de beeldhouwkunst. Omdat het om de uitgave van kunst als object van studie gaat, richt het tijdschrift zich niet alleen op eigentijdse kunst. In dit nummer staat een artikel over beelden van glorie en verval waarin glorieuze monumenten en hun veranderende betekenis beschreven worden. Ook staat er een artikel in over Cornelis Rogge met eigentijdse kunstwerken. Sympathiek vind ik altijd het in memoriam waarin recent overleden beeldhouwers nog een laatste eer wordt bewezen in korte teksten. Als ik de publicatie doorlees krijg ik toch altijd het gevoel dat het voornamelijk waardevol is voor kunstgeschiedenisstudenten en onderzoekers. Voor hen denk ik dat een reeks als deze na jaren een waardevol naslagwerk oplevert.

Sculptuur Studies 2009Nelleke van Zeeland e.a. (red.) , Uitgeverij Waanders, Zwolle, 2009, ISBN 978-90-40076893

Idols of the Market

Sven Lütticken’s Idols of the Market is een Engelstalig kunsttheoretisch boek. Lütticken schrijft voor insiders, dat wil zeggen voor theoretisch en filosofisch geschoolde lezers. Het is daarom geen boek dat je gemakkelijk wegleest. In dit boek gaat hij in op het iconoclasme en de standpunten van de religieus fundamentalisten tegenover de aanhangers van ideologische politieke opvattingen. Het iconoclasme is de kerkelijke stroming die afbeeldingen vanuit een religieus standpunt verbood. Het boek heeft kunst als aanleiding, maar tegelijkertijd theoretiseert Lütticken over maatschappelijke, politiek religieuze tegenstellingen in deze tijd.  Hoofdzaken in het boek zijn de fundamentalistische Islam en het democratische westerse standpunt dat voortkomt uit het verlichtingsdenken. Hierover zijn al verschillende boeken geschreven waarin moderne kunst omarmt werd als bewijs van vrijheid. Maar oude standpunten zijn aan herziening toe sinds de aanval op de Twin Towers in New York door radicale moslims. Tegenstellingen tussen moslimfundamentalisten en aanhangers van het verlichtingsdenken waarvan democratie een onderdeel is, lijken groot. De islam en het iconoclasme zijn monotheïstische godsdiensten, maar sommige politieke stromingen, zoals bijvoorbeeld het Marxisme en soms zelf westerse verlichtingsaanhangers, zijn in sommige opzichten even dogmatisch in hun overtuigingen. Zij verheffen politieke ideologie tot religie. De auteur beschrijft verder de veranderende betekenis van kunst en beeldtaal door de laatste eeuwen heen in een religieus- en ideologisch-politiek krachtenveld.

Idols of the Market, Sven Lütticken, Sternberg Press, Berlijn, 2009, ISBN 978-1-933128-26-9