Boeken 1#2011

In Beelden worden per nummer tussen de 10 en 15 boeken over ruimtelijke kunst besproken. Hieronder vindt u een selectie van de besproken boeken uit Beelden 1#2011

Craigie Horsfield

Wandtapijten behoren tot de textiele kunsten. De oudste Europese kleden dateren uit de 13de eeuw. In de jaren zestig van de vorige eeuw ondervond de textielkunst een opleving. Abstracte monumentale wandkleden gaven kleur aan veel overheidsgebouwen. Inmiddels is het omtrent deze kunstvorm weer rustiger geworden. Momenteel beheersen digitale beelden in de vorm van video, fotografie en digitale beeldbewerking de hedendaagse kunst. Textielkunst en fotografie kun je ook combineren, zoals blijkt uit de werken van de Britse fotograaf Craigie Horsfield. Hij gebruikt fotografische beelden om deze later om te zetten in monumentale wandtapijten. Kort geleden waren deze werken in het MUHKA in Antwerpen te zien. Bij deze tentoonstelling kwam een catalogus uit waarin veel van zijn weefsels te bewonderen zijn. Het gaat vaak om massa’s mensen die over straat lopen, bij treinstations van het ene naar het andere perron gaan, of deelnemen aan massale gebeurtenissen. Het zijn intense massaportretten waarin emoties van de gezichten stralen. Ook zijn er tapijten waarin de kunstenaar dieren portretteert. De vorm van presenteren als wandtapijt lijkt de fotografische beelden te intensiveren en dramatiseren. Het gebruik van donkere tonen vergroot de dramatische impact. In het boek wisselen totaalfoto’s detailfoto’s af. Het is een mooi gebonden boek vol kijkplezier. De essays die erin staan zijn zeer lezenswaardig en maken dit boek in zijn geheel een naslagwerk dat de moeite van de aanschaf waard is.

Craigie Horsfield, Schering en inslag, Bart De Baere en Carol Armstrong, Ludion Antwerpen, 2010, ISBN 9789055448326

De Ja-sprong

De kunstcritica Anna Tilroe schreef vorig jaar het pamflet De Ja-sprong. Naar een nieuwe vitaliteit in de kunst. Dit 72 pagina tellende boekje leest als een reddingsactie voor de kunst, musea, kunstkritiek en andere participanten. Zij ziet de democratische kunstwereld zoals wij die vijfentwintig jaar geleden kenden, verzuipen in een modderpoel van economische krachten en machten. De laatste jaren ben ik diverse interessante boeken tegengekomen met een kritische toon ten opzichte van de toenemende manipulatie van de kunstmarkt. De tendens dat overheden verantwoordelijkheden afschuiven naar de vrije markt vergroot alleen maar de macht van marktmanipulatie. Het is niet de kunst die het voor het zeggen heeft in de kunst en cultuursector maar het geld. 

Ik ben net als Tilroe van de generatie waarin idealisme een grotere rol speelde dan economische belangen, macht en prestige. De generatie die angstvallig vermeed om over geld te praten als het om kunst ging, want de intrinsieke waarde mocht niet door een prijskaartje besmuikt worden. 

De drie vragen die Tilroe stelt zijn; Hoe wordt waarde aan kunst toegekend? Door wie? En waartoe? Ze beschrijft de scene waarin jaarlijks het Amerikaanse Megajacht de SeaFair’s Gran Luxe uitvaart met aan boord vele multimiljonairs en –miljardairs. In een luxueuze besloten sfeer kunnen zij zich overgeven aan het opbieden tegen elkaar om de duurste kunst te bemachtigen. Het veilen en verhandelen van kunst krijgt vaak het elan van een decadent theaterstuk. Volgens Tilroe heeft kunst door de eeuwen heen gefunctioneerd in de context van macht, status en geld. Een groot deel van de  20e eeuw is hierop een uitzondering. De democratiseringsgolf zorgde er voor dat er meer evenwicht ontstond tussen kunstenaars, galeries, museumdirecteuren en critici. “Dat evenwicht is de laatste vijfentwintig jaar verstoord door de spectaculaire groei van de kunstmarkt” stelt Tilroe. In het pamflet beschrijft ze verschillende rollen van deelnemers aan de kunstwereld. Zoals de collectioneur, de curator, de kunstenaar en de criticus. Je ziet hoe kunstenaars die hun producten als een ‘brand’ presenteren al snel omringd worden door sterallures. Deze vorm van persoonsgerichte marketingstrategie zie je bij Rob Scholte, Damien Hirsh, Jeff Koons en anderen. Warhol is hun geestelijke vader met zijn Bussines Art. Tilroe maakt een onderscheid tussen kunstenaars als marketeers en de subversieven. De subversieven keren zich tegen iedere vorm van overheersing en genereren vaak vanuit een kritisch idealistisch kader. Ze bevinden zich echter in een double bind positie als je bedenkt dat benamingen als ‘alternatief’, ‘onafhankelijk’ en ‘avant-garde’ inmiddels ook brandnamen zijn, die allang door economische krachten werden ingelijfd. Doordat van de postmoderne kunst verwacht wordt dat zij anders, vernieuwend, origineel en onafhankelijk is, stimuleren deze kwaliteiten juist de hebzucht van verzamelaars die actueel willen zijn. 

De rol van de criticus is aan dezelfde marktmechanismen onderhevig als al het andere in de kunst; als zij onafhankelijk van de kunstmarkt schrijft, haalt de kunstmarkt haar alsnog binnen. De stimulerende invloed van de onafhankelijke kritische geest op de kunstmarkt blijkt bijna groter dan die van de devote onderworpen schrijver.

Een belangrijke eigenschap van het postmodernisme is het door Albert Camus beschreven einde van de grote verhalen. Dit ging echter om politieke verhalen zoals het Communisme en de Amerikaanse droom. Postmodernistische filosofen trokken dit einde breder en zagen het ook in de kunst. Grote stromingen en richtingen versnipperden in een veelheid aan individualistische kunstuitingen. De versnippering heeft de kunst stuurloos gemaakt. Het einde van de kunst werd regelmatig voorspeld of zelfs als voltrokken gezien. 

Tilroe ziet een rol weggelegd voor zowel de kunstkritiek als de musea om de kunst weer richting te geven door kunstwerken te benoemen, te analyseren en te koppelen aan de (kunsthistorische) context waaruit deze voortkomt. Het museum kan zichtlijnen bieden waarlangs je de tijd inloopt. De kunstkritiek daarentegen kan erop wijzen dat kunst altijd in verband staat met morele vraagstukken, levensbeschouwingen en verantwoordelijkheidsgevoel. Hierdoor kan zij een stevigere maatschappelijke inbedding genereren. 

Ik moet zeggen dat ik dit hoopgevende pamflet zonder een moment van verveling uitlas. Tegelijkertijd besef ik mij, door de laatste politieke ontwikkelingen waarin de overheid zich nog meer terugtrekt van kunst en cultuur, de grip van de marktwerking op de kunst alleen maar steviger kan worden. Het zal nog wel even duren voordat de kunstwereld haar relatief autonome positie herwint. Voorlopig zie ik de politici van de huidige regering en haar gedogers als de grote vernielers in plaats van vernieuwers. Ik zie hooguit vitaliteit ontstaan aan de kant van geld, macht en status. De idealisten onder ons verliezen hun energie aan het tegen de geldstroom in roeien.

De Ja-sprong. Naar een nieuwe vitaliteit in de kunst, Anna Tilroe, Uitgeverij Querido, Amsterdam 2010, ISBN 978 90 214 57350

CBK Rotterdam

Welk Werk Waar. Kunst en gebiedsontwikkeling in Rotterdam is uitgave 004 in de serie CBK-dossiers. De eerste twee zinnen in het boek luiden: “de kunstenaar moet net zo serieus worden genomen als andere coalitiepartners in de gebiedsontwikkeling. Die positie moet de kunst niet alleen worden gegund, de kunst moet de positie ook willen claimen”. Het is een citaat van de conceptuele gebiedsontwikkelaar Pieter Kuster. In de uitgave analyseert Gepke Bouma hoe een kunstwerk tot stand komt in de openbare ruimte en welke rol de kunstenaar speelt bij gebiedsontwikkeling. Vragen die zij stelt zijn, waarop is de keuze van een werk gebaseerd, wie stelt vast welk kunstwerk aan een gebied wordt toegevoegd, aan welk profiel voldoet de kunstenaar en over welke kwaliteiten moet hij beschikken. Sommige projecten zijn al eerder beschreven vanuit een ander perspectief, maar hier staat voor het eerst de gebiedsanalyse van de verkenner centraal. Deze verkenner is een kunstenaar of conceptualist die het gebied in kaart brengt vanuit de locatie waarin historische-, bebouwde- en sociale context en lokale mobiliteitsaspecten een rol spelen. Vanuit deze inventarisatie ontstaat een analytisch locatieverhaal dat vervolgens als aanzet dient voor volgende stappen van het gebiedsgericht werken. Meerdere gesprekspartners toetsen het verhaal aan hun ervaringen en overtuigingen. De bewoners of gebruikers van een locatie spelen als gesprekspartner een niet onbelangrijke rol. Op deze wijze stem je culturele vraag en  culturele aanbod van de stad op elkaar af. In de publicatie staan naast 15 projecten en een boeiende inleiding die je kunt lezen als een verantwoording van de Rotterdamse werkwijze, twee theoretische essays. Veel van de projecten zoals het Motorschip MS Noordereiland van Joe Cillen en het Muizengaatje onder de A20 zijn al velen malen beschreven. Het blijven geslaagde projecten, net als de meeste werken in dit boek. Deze uitgave geeft de werken een nieuw kader. Het geeft inzicht in de ontstaanswijze van werken en dat verschaft de werken een persoonlijke geschiedenis.

Welk Werk Waar. Kunst en gebiedsontwikkeling in Rotterdam, CBK Rotterdam, 2010

Wilt u alle boekbesprekingen lezen, neem dan een abonnement, of vraag een proefnummer aan.
Comments