Boeken 4#2011

In Beelden worden per nummer tussen de 10 en 15 boeken over ruimtelijke kunst besproken. Hieronder vindt u een selectie van de besproken boeken.

Uit Beelden 4#2011


Water en Vuur

Bij de uitreiking van de Wilhelmina-ring, de oeuvreprijs voor beeldhouwers, op 29 augustus jl. op Paleis Het Loo, vond ook de presentatie plaats van de dichtbundel Water en Vuur VIIGedichten bij beelden. In de zesde uitgave werden beelden in Amsterdam bezongen. Deze ronde trekken de dichters door Apeldoorn. De bekende Wilhelmina van Mari Andriesse staat daar met opgeheven hoofd; Eric Mengveld heeft de eer haar tekstueel te mogen bejubelen. Ik zoek naar gedichten en beelden die mij raken. Ik zie en lees veel; sommige gedichten zijn een ode aan het beeld en raken verweest als je ze daarvan loskoppelt. Dat geldt niet voor de beelden, zij stonden er al voordat een dichter er aandacht aan gaf. Met gedichten heb ik nog sterker dat je je er open voor moet kunnen stellen. Je moet in de juiste stemming zijn om je ermee te kunnen verbinden. Ik kan een paar keer een gedicht lezen zonder dat het me raakt. Terwijl dan ineens op een zonnige dag, of juist een regenachtige, de klik tussen mij en het gedicht er is. Daarom zal ik niet snel een gedicht negatief beoordelen. Met kunst ligt dat anders en zeker met beeldhouwkunst. Ik zie de kwaliteiten van veel werken, zelfs als ik een rotbui heb. De kathedraal van boomstronken van Marinus Boezem is prachtig. Van Nicolaas Dings staat er een vorm die verwijst naar een gebouwtje, ook dit beeld is fascinerend in haar eenvoud. De twee dieren Toon en Toon van Tom Claassen raken mij zoals zijn beelden vaak doen. Het gedicht erbij lijkt een passende beschrijving. Ik wil een gedicht in deze recensie zetten; maar twijfel welke. Ik wil een gedicht dat staat als een beeld zonder dat het een beeld als sokkel nodig heeft. Dat heb ik alleen bij het gedicht Beeldspraak van Ed Leeflang, bij het werk Versmelting van Joop Beljon.

Beeldspraak

Ik denk al niet meer te verwijzen

maar ik kom voort uit een grammatica

die wil dat verticalen stijgen,

een oud verlangen achterna.

 

Zij zouden uit het zicht verdwijnen

als niet hun klim werd onderbroken

zodat ik opgaand tussen bomen

de vreemde en hun vriend kan blijven.

Het mooie aan dit gedicht vind ik dat het perfect het beeld van Beljon spiegelt; zonder ervoor onder te doen. Het zijn twee grootheden die zich tot elkaar verhouden maar ook autonome kracht bezitten. Twee op zichzelf staande kunstwerken met een hechte band.

Water en Vuur VII, Karla de Boer-Gilberg, Uitgeverij Phidias, 2011, ISBN 978-90-805811-0-4

See it Again, Say it Again

See it Again, Say it Again is een boek dat onder redactie van Janneke Wesseling tot stand kwam. Kunst maken kun je niet los zien van het verhaal en onderzoek van de kunstenaar. De kunstenaar als ‘researcher’ staat in dit boek in de schijnwerpers. Volgens Wesseling is het idee ‘kunstenaar als onderzoeker’ niet nieuw en is het rechtstreeks afgeleid van de conceptuele kunst in de jaren zestig. Tijdens het postmodernisme is het onderzoek in sommige gevallen het kunstwerk geworden. Het zijn polemische werken die open staan voor kritiek en tegelijkertijd zelfreflectief zijn; dat wil zeggen dat de kunstenaar bereid is zijn eigen positie te bevragen en ook de positie van zijn kunstwerk in de kunstwereld. In principe durf ik te stellen dat deze traditie –want dat is het inmiddels - begon met Marcel Duchamp; de vraag ‘wat is kunst’ werd daar voor het eerst gesteld. In het voorwoord schrijft Wesseling een boeiend relaas over de geschiedenis van dit begrip. Ze schuwt het niet diverse filosofische theorieën hierbij te benoemen ter ondersteuning. In het boek staan bijdragen van Jeroen Boomgaard, Jeremiah Day, Siebren de Haan, Stephan Dillemuth, Irene Fortuyn, Gijs Frieling, Hadley+Maxwell, Henri Jacobs, WJM Kok, Aglaia Konrad, Frank Mandersloot, Aernout Mik, Ruchama Noorda, Vanessa Ohlraun, Graeme Sullivan, Moniek Toebosch, Lonnie van Brummelen, Hilde van Gelder, Philippe van Snick, Barbara Visser, Janneke Wesseling, Kitty Zijlmans en Italo Zuffi. Dit is een interessante mix van theoretici pur sang, naast theoretiserende kunstenaars; wat zij gemeen hebben is de postmodernistische invalshoek waar vanuit ze naar kunst kijken. Voor de kunstenaar is doorgaans zijn eigen werk en de eigen positie een onderdeel van het research. Henri Jacobs bijvoorbeeld onderzoekt oppervlakten in zijn ‘Surface Research project’. Tijdens het project was Jacobs zichtbaar voor het publiek omdat hij werkte vanuit een glazen kubus in de Rietveld academie. Een plat oppervlak van een schilderij heeft in de regel toch de illusie van ruimte. Het onderzoek van een kunstenaar leidt vaak tot een kunstwerk. Het onderzoek van de theoreticus leidt tot een tekst met hypothese en/of conclusie. De theoreticus daarentegen zet zichzelf zelden centraal in een researchproject en bevraagt niet de eigen positie. Vanuit bronnenonderzoek komt een tekst tot stand. Onder of boven de tekst staat zijn of haar naam. Het verschil tussen de disciplines voel je in de diverse teksten.

See it Again, Say it Again, Janneke Wesseling e.a., Valiz, Amsterdam, 2011, ISBN 9789078088516


Per ongeluk expres

Bianca Stigter combineert kennis over kunst met een gezond portie relativeringsvermogen. Kunst is kwetsbaar en dat merk je als mensen erover praten. Je bent er voor of er tegen en onder het huidige politieke bewind lijkt dat legitiem. Dat drijft mensen die ervoor zijn in de verdediging. Als je een bundel schrijft van ongeveer 250 pagina’s, dan heb je iets met kunst ook al schrijf je het volgende; “Soms heb ik helemaal geen zin in kunst. Soms denk ik zelfs dat ik helemaal niet van kunst houd”. Ik moet zeggen dat ik mijzelf hier in herken; ik heb ook van die dagen dat kunst me werkelijk de oren uitkomt. Op dezelfde pagina stelt ze “Soms houd ik zelfs meer van kitsch”. Toch is zij beslist niet tegen kunst, maar liever wordt zij bij toeval geraakt dan dat zij gedwongen geniet. “Verleid worden is bevredigender als het spontaan gebeurt; liever verliefd worden in de disco dan via een datingsite”. Dit vind ik mooie associaties. Op de afgelopen Biënnale in Venetië constateerden mijn partner en ik dat als je naar zo’n megatentoonstelling gaat met te hoge verwachtingen je behoorlijk teleurgesteld kan worden., terwijl je juist geraakt wordt door kunst op plekken waar je geen interessante kunst verwacht. Het boek is samengesteld uit columns die Stigter schreef en waarin diverse cultuuruitingen een rol spelen. Ik lees dat de oorsprong van de kunst misschien wel gelegen is in menstruatiebloed. Zij verwijst in een artikel naar een opvatting van de Britse antropoloog Chris Knight. Deze beweert dat in de prehistorie de meest gebruikte kleurstof rode oker was, dit was volgens hem duidelijk een vervanging van menstruatiebloed. In dit artikel koppelt ze kunst aan magie en met name aan menstruatiemagie. In een ander artikel beschrijft zij lyrisch het werk van Monet. Het kan verschillen; soms heb je van die dagen dat je je passie ontmoet en andere dagen zit je passie je zwaar in de weg. Noem het de geijkte haat-liefdeverhouding die vaak samengaat met passionele relaties. Dit is een boek dat lekker leest en dat je tegelijkertijd makkelijk weg kunt leggen omdat het geen doorlopend betoog is. Het doet pretentieloos aan, en dat spreek mij in ieder geval bijzonder aan.

Per ongeluk expres. Over kunst, Bianca Stigter, Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2011, ISBN 9789025435998

Venezia

Iedere twee jaar trekken we naar Venetië om er de contemporaine kunst te bekijken. Maar Venetië biedt meer dan dat. Een rijke cultuurgeschiedenis vult deze historische plek. Luc Verhuyck schreef een anekdotische reisgids over deze stad. De reisgids telt 456 pagina’s en is gevuld met kleine letters en maar enkele foto’s. Op pagina 399 zie ik een intrigerende tekening. Als ik de tekst lees die erbij staat, blijkt het een in steen gegraveerde afbeelding van een Turk te zijn met het hart van zijn moeder in zijn hand. Het werk doet bijna eigentijds aan maar stamt uit de 15de eeuw. In een vlaag van woede sneed deze Turk het hart uit de borst van zijn moeder. In paniek vluchtte hij na zijn daad, maar viel op een van de vele trappen bij het water waardoor het hart in zee viel. De Turk sprong het achterna en verdronk. Een zwerver die in het portiek zat van de Scuola di San Marco, kraste het tafereel in steen. De zwerver was eens een gevierd beeldhouwer die nog aan de Scuola had meegebouwd, maar na het vroege overlijden van zijn vrouw had verdriet hem overmand en aan lager wal gebracht. Uit heimwee naar zijn vroegere bestaan kraste hij met scherpe voorwerpen dat wat hij zag in het steen. De volgende keer dat ik de Biënnale bezoek neem ik dit boek mee en ga ik enkele van deze plekken bezoeken. Met de anekdotes in je achterhoofd bekijk je een locatie anders.

Venezia. Een anekdotische reisgids, Luc Verhuyck, Uitgeverij Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2011, ISBN 9789025368159

Lees alle boekbesprekingen in Beelden 4#2011. Neem een abonnement of vraag een proefnummer aan.


 

 

Comments