Column 3#2011

Dat zou ik maar niet hardop zeggen

Door Astrid Tanis

Het is een zonnige dag als we met wat vrienden in de tuin zitten en klagen over de vreselijke bezuinigingen van het kabinet. “Ze gaan nu ook de Rijksacademie, de Jan van Eyck en Ateliers aanpakken” hoor ik iemand zeggen. “Oh, dat vind ik niet zo slecht”, roep ik ontactisch. “Dat zou ik maar niet hardop zeggen”, roept iemand anders. Alsof mijn stem ook maar iets zou uitmaken voor het kunst- en cultuurbeleid. Het blijkt dat ze van de 150 plaatsen er maar 50 willen houden. “Die mogen ook weg”, roep ik overmoedig, in de wetenschap dat ik nu iets uit te leggen heb. Zelf zat ik begin jaren tachtig op de kunstacademie en ik zag de academie veranderen in een instituut waar je op je gemak mocht rijpen tot kunstenaar. Of je daar nu zes jaar (toen was de opleiding nog zes jaar) of zelfs langer over deed, maakte geen verschil. Je kwaliteit werd bepaald door je eindexamen en niet je studieduur. Gust Romijn leidde met strakke hand de afdeling monumentale autonome kunst in Rotterdam en had een uitgesproken mening die ik respecteerde. Hij vond dat het niet uitmaakte hoe lang je over de academie deed, de een had langer nodig om zijn talent te ontwikkelen dan de ander. Vlak na zijn pensionering begon de overheid zich helaas met het kunstonderwijs te bemoeien in diverse bezuinigingsronden; eerst werd de studieduur beperkt tot vijf jaar en al snel daarna vier jaar. Als gevolg daarvan ontstond de overtuiging dat als je niet binnen vier jaar je talent had ontwikkeld, je het niet had. Onzin natuurlijk, ik heb veel goede kunstenaars zien afstuderen die aan zes jaar nog niet genoeg hadden. Postacademies schijnen een oplossing maar zijn het beslist niet voor de langzaam rijpende kunstenaar. Je kwam er alleen op als je binnen vier jaar je ‘talent’ wist te bewijzen, (of nog sneller zonder academie). Postacademies werden een soort gesloten klassen circuit, waarbinnen zogenaamde experts studiesnelheid en leeftijdsgrens met talent verwarden. Daarnaast bestaat er een te hechte band met galeries en musea die al snel hoofdzakelijk ‘postacademies’ talent gingen scouten. Als voorbeeld citeer ik hier wat een voormalig student van de Rijksacademie mij vertelde; “Voor ik naar de Rijksacademie ging, keurden galeriehouders mijn werk geen blik waardig. Ik heb nog steeds het idee dat ze niet goed kijken naar mijn werk, maar doordat de Rijksacademie op mijn CV staat, gaan er ineens deuren open die eerst gesloten bleven”. Een vergelijkbaar fenomeen zag ik in kunstcommissies waar ik deel van uit maakte. Een werk afwijzen van een ex-postacademie student was not-done. Het ging hier tenslotte om bewezen talent. Zo’n kunstenaar afwijzen stond voor hen gelijk aan het niet herkennen van talent. Voor mij echter creëert het je verschuilen achter CV’s smaakonzekerheid, het ontneemt ‘experts’ de mogelijkheid een eigen smaak te ontwikkelen. Een leuk voorbeeld van hoe het beter kan, was de eerste Zomerexpo 2011, waar de professionele jury geen houvast kreeg van een CV maar anonieme kunstwerken moest kiezen. De winnaar op de Zomerexpo 2011, Annemieke Alberts, was overigens iemand die ná een andere opleiding voor de kunst koos en de anonieme jurering nodig had om eindelijk gezien te worden. Ze ervoer de kunstwereld als een gesloten circuit waarin je niet makkelijk doorbreekt. Ik geef haar gelijk en de poorten van dit gesloten circuit vormen de postacademies. Om het circuit open te breken moet je de poort afbreken; een poort die nu stevig bewaakt wordt door postacademische wachters met hun museale-, commissie- en galerie gezellen. Mijn voorstel voor afbraak heeft niets met bezuinigingen te maken, maar met een wens dat ‘nepexperts’ echte experts worden door naar kunstwerken te gaan kijken zonder zich achter CV’s te verschuilen. Met het geld dat vrij komt, kan je overigens hele zinnige dingen doen voor de kunst, zoals het creëren van extra kunstpodia of meerdere ‘anonieme’ kunstprijzen.

 

 

Comments