Cross-overs in de kunst: Geert Mul

Een interview met Geert Mul op 12 augustus 2016 vanwege zijn tentoonstelling Geert Mul – Match Maker in het Stedelijk Museum Schiedam van 6 november 2016 tot 12 februari 2017.

Cross-overs in de kunst: Geert Mul

Kunstenaars die de gebaande paden verlaten en het avontuur aangaan, ontwikkelen vaak spannende cross-overs. Door zich op een totaal ander medium te richten dan waartoe ze zijn opgeleid of een bijzondere mix aan media toe te passen, krijgt hun werk een nieuwe dimensie. Mediakunstenaar Geert Mul kan met recht een pionier genoemd worden. Zijn overwegend filmische installaties, waarin de bezoeker vaak een actieve rol speelt, bouwt hij op uit bestaande digitale beelden. Daarbij maakt hij gebruik van geavanceerde elektronica en de nieuwste computertechnologie. Aan zijn brede oeuvre dat hij in 25 jaar heeft opgebouwd, wordt dit najaar een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum Schiedam gewijd met dertig van zijn belangrijkste werken. Daaronder het werk Mawal for Syria, dat onlangs door het Stedelijk Museum Schiedam is aangekocht.

Door Etienne Boileau

Het oeuvre van Geert Mul (Alphen a/d Rijn, 1965) is poëtisch én gevarieerd: hij fotografeert, maakt video’s en interactieve elektronische kunstwerken op basis van door hemzelf bedachte software, is gastdocent op diverse kunstacademies, geeft lezingen en treedt ook nog regelmatig op tijdens festivals in het buitenland. Zijn werkt hangt in belangrijke Nederlandse musea en is onderdeel van menig interessante bedrijfscollectie. Zo installeerde hij vorig jaar de installatie Natureally in het ziekenhuis MST in Enschede. Mul fotografeerde een vijfhonderd jaar oude boom in twee seizoenen (een met en een zonder blad). Door de wisseling van het licht erachter (backlight) lijkt het alsof het seizoen omslaat. Ik spreek Geert Mul in zijn Rotterdamse atelier, waar ook twee van zijn assistenten aan het werk zijn. Overal om ons heen computerschermen.
Waarom wilde je kunstenaar worden?
“Van kinds af aan was ik geïnteresseerd in beeld (tekenen) en muziek. Ik tekende, speelde gitaar, en componeerde elektronische muziek. Compositie en beeld zijn altijd belangrijke exponenten in mijn werk gebleven.”
Na je middelbare school koos je niet voor het conservatorium, maar je ging naar de Academie Beeldende kunst in Arnhem. Verstandige keuze?
“Ik koos indertijd heel bewust voor een multidisciplinaire richting, want ik wist dat ik niet vijf jaar lang met een kwast in mijn handen kon staan. In theorie was het mogelijk om je daar met allerlei disciplines bezig te houden, maar in de praktijk waren er nauwelijks docenten die andere disciplines dan de schilderkunst vertegenwoordigden. Wel waren er gastdocenten die fris van buiten kwamen uit de praktijk; die hadden wel kennis van de video- en performancekunst, nieuwe media, fotografie e.d. Daaronder de kunstenaar Servaas uit Hoorn die kinetische werken en videokunst maakte en ook multipels uitbracht (blikjes met ingeblikte vislucht en survival kits, EB). Servaas was een van de eersten die met computers werkte; een vrije geest. Hij ageerde met zijn conceptualisme flink tegen de beeldende kunst, maar dat conceptualisme werd in die tijd mainstream en zo werd hij opgenomen in dat hele concept van Fine Arts, waar hij zich altijd tegen verzet had. En dan waren er ook nog Richard Menken, en Lydia Schouten als gastdocent.”
Is het door je opleiding dat jij bij het maken van videokunst wel degelijk op kleur en compositie let, kijkt met een schildersoog?
“Dat doe ik zeker. In de media die ik gebruik staan inhoud, structuur, compositie en kleur in een continue dynamische relatie tot elkaar en tot de toeschouwer. Die media zijn niet zozeer autonoom, maar eerder genetwerkt. Juist die (interactieve) relatie geeft het werk betekenis.”
Had je op die opleiding in Arnhem ook negatieve ervaringen?
Nee, ik was heel blij met de eerste twee basisjaren. Daarin leerde ik wat ontwerpen is, wat grafisch werken is, en leerde ik mijn eigen eitempera maken voor het vak schilderen. Ik noem mezelf niet voor niets mediumkunstenaar. ”
Wat ben je na je opleiding in Arnhem gaan doen?
“Ik wilde verder met video en beeld maar had ondertussen ook de computer leren kennen, daar kon je in relatie tot beeld nog niet zo heel veel mee. Maar als instrument om te ordenen en patronen te maken was ie wel geschikt. Ik wilde geen keuze maken maar ben beide media naast elkaar blijven gebruiken. Uiteindelijk heeft de technologie zelf het probleem opgelost en nu kan ik zowel het programmeren als het videobeeld samen in een geïntegreerd systeem gebruiken. Ik was begin jaren tachtig mateloos geboeid door MTV-clips; daarin zag je voor het eerst dat muziek en beeld elkaar konden beïnvloeden. Dat werden referenties voor mijn eigen werk.”
Toch zie je in jouw werk geen mensen figureren zoals in die MTV clipjes?
“Mijn werk is zeker abstracter en minder filmisch. Ik heb ook niet heel letterlijk inspiratie gevonden in die clipjes, maar ik was geïnteresseerd in de manier waarop media zaken kunnen herdefiniëren. Dat MTV kanaal was voor veel mensen echt een schok. Maar MTV zoals dat nu opereert is niet meer de MTV van vroeger.”
Dat zie je toch vaker, dat nieuwe ontwikkelingen worden vercommercialiseerd om ze geschikt te maken voor de mainstream, die dat vervolgens oppikt?
“Rond 2000 kwam ik in aanraking met de Amerikaanse filosoof Hakim Bey die een theorie ontwikkelde omtrent de Tempory Autonomous Zone. Hij had een aantal creatieve zones en situaties bestudeerd uit de recente geschiedenis waaronder de krakersbeweging en graffiti beweging in steden. In elke cultuur heb je een soort van plekken die ongedefinieerd zijn; daar stromen dan automatisch creatieve geesten in, die gaan daar wat maken en dat wordt vervolgens de norm want die wordt door de mainstream overgenomen. En dan voltrekt die culturele innovatie zich vervolgens weer op andere plekken.”
En de ontwikkeling van de techniek helpt ze daarbij?
“Zeker, toen ik afstudeerde had je behoorlijk wat apparatuur nodig om een professionele video te maken. Die apparatuur (twee players, een mixer en een recorder) kostte de prijs van een gemiddeld huis: 65.000,- gulden. Een astronomisch bedrag voor een beginnend kunstenaar. ”
Hoe heb je dat ondervangen?
“Na  mijn afstuderen ben ik in een videostudio gaan werken waar ik overdag meewerkte aan producties. We maakten er muziekvideo’s, dingen voor de Floriade e.d. Zo’n beetje de creatieve niche van de commerciële videoproducties. ‘s Avonds als iedereen weg was, kon ik er de hele nacht doorwerken aan mijn eigen videoproducties. Gelukkig ontwikkelde de computertechniek zich razendsnel en binnen vijf jaar had je niet veertigduizend maar vijfduizend gulden nodig om een goede video te kunnen maken op een computer.”
Moet je als kunstenaar extra alert zijn op wat anderen maken, omdat nu iedereen wel een video in elkaar kan zetten?
“Waar je je bewust van moet zijn, is dat die computers en die software op zichzelf al ontwerpproducten zijn. Het zijn media die ontworpen zijn met een idee. Je wordt in het sjabloon van de hardware- en software maker gestopt, want die hebben een bepaalde markt voor ogen en dat ben jij niet als kunstenaar. Dergelijke apparatuur is ontworpen met een bepaald idee en als maker word je in dat sjabloon geperst. Dat is dus de reden dat ik mijn eigen software ontwerp. Toen video en computer bij elkaar kwamen werden op dat moment ook abstractie en een mimetisch (figuratief) beeld bij elkaar gebracht in een en dezelfde machine. Zo ontstond het medium dat ik voor ogen had en dat werd mijn medium. Ineens kon je abstracte composities ontwerpen op basis van ideeën en die mengen met figuratieve elementen. Er waren geen softwareprogramma’s beschikbaar om dat verder uit te werken. Dus die ben ik zelf gaan schrijven. Bij het maken van hele complexe programma’s werk ik samen met een programmeur. Inmiddels zijn er ook programma’s op de markt die je in staat stellen programma’s te schrijven. Dat voorzag in een behoefte en nu werken daar heel veel kunstenaars mee. ”
Je kunt zaken goed verwoorden, geef je ook les?
“Ik geef les op de Rietveld academie, deeltijdopleiding, afdeling Unstable Media. Die term is gemunt door V2 dat zichzelf Instituut voor instabiele media noemt; alle hoogwaardige technologische media zijn immers instabiel, na verloop van tijd vallen die uit elkaar. Op die deeltijdopleiding wordt niet alleen kunst op de computer gedoceerd; maar ook ingrepen in de openbare ruimte of het creëren van sociale situaties; kunst in relatie tot een instabiele context. Ik geef les in het vierde en vijfde jaar. Heb dan besprekingen met studenten.”
Hoe definieer ik wat jij maakt: elektronische kunst of videokunst?
“Ik definieer het zelf als mediakunst. ‘The medium is the message’, volgens filosoof Marshall McLuhan. Dat idee staat centraal in mediakunst en mediatheorie. Naarmate geavanceerde media zich technologisch verder ontwikkelen wordt de scheiding tussen inhoud van de boodschap en drager steeds onmogelijker. Het verschil tussen drager en inhoud lost op in die media. Door te veel technologie en techniek kan je je doel voorbij schieten waardoor je boodschap niet overkomt. Op kunstbeurzen en biënnales zie je tegenwoordig meer en meer kunstuitingen waarbij technologie gebruikt wordt. Denk aan de videosectie op Art Rotterdam. Voor mij is technologie niet zozeer verbonden met computers of stekkers. Voor mij begint dat bijvoorbeeld al op het moment dat je met implementatie bezig bent van het perspectief in de schilderkunst en de wiskunde gaat gebruiken om een optische illusie te geven over diepte.”
Kun je zeggen dat jouw kunst conceptueel van aard is?
“Ja, de term mediakunst verwijst daar eigenlijk al naar. De diversiteit in mijn werk is heel groot. Of het nu een interventie in de ruimte van Museum Boijmans Van Beuningen betreft of een ontwerp van een kunstwerk voor het atrium in het gebouw van Deloitte; ik gebruik telkens een ander medium. Door telkens weer een nieuw concept te bedenken waarmee je reageert op een bepaalde ruimte, ontstaat context.”
Bij Ron Mandos zag ik het werk ChainOfEvents hangen, later heb je die techniek ook toegepast bij Lenticular Cloud, een installatie in het Atrium van Deloitte?
Nee, dat is andersom gegaan. Dit soort werken in opdracht kosten enorm veel tijd en energie. Een periode van twee jaar is geen uitzondering. Ik werk niet met een vast format. Vaak gebruik ik ook weer een hele andere techniek en die moet ik dan eerst weer verkennen, er moeten prototypes gemaakt worden die later in een container belanden. Het is een proces dat heel veel research kost; zowel visueel inhoudelijk als ook technisch. Maar ik blijf volledig autonoom. Nu ben ik zover dat er tijdens de research een splitising komt. Aan de ene kant ga ik verder met het idee van een prototype dat zich zelfstandig kan evolueren tot kunstwerk (dat was wat je zag bij Ron Mandos) en aan de andere kant werk ik verder aan de opdracht voor een kunstwerk in een bepaalde ruimte en context (zoals bij Deloitte). Lenticular is ook een begrip uit de weerkunde; een wolk met een verloop in kleuren. Het werk verandert van kleur en compositie als je erlangs loopt. In het geval van Deloitte vormen de panelen samen een soort van wolken.
Datzelfde doe ik nu ook met het werk Natureally in het ziekenhuis in Enschede. Daarvan is een kleiner autonoom werk afgeleid van 2 x 2 m, dat ik in Schiedam laat zien.
Tijdens de Fotobiënnale Rotterdam in 2003 zag ik de Library of Babel, een interactief werk?
Het werk bestaat uit een aantal vloerprojecties: in totaal negen vlakken op een vloer met sensoren. Door erover heen te lopen kun je als bezoeker het erop geprojecteerde beeld veranderen. Er ligt een database van 100.000 willekeurige beelden (landschappen, naakten, portretten, en nieuwsitems) van het internet uit 2002 aan ten grondslag welke zijn geïndexeerd op beeldeigenschappen zoals kleur en structuur; ze behoren visueel tot een bepaalde zelfde groep. Daarmee worden in realtime patronen gegenereerd door een computer. Het idee erachter is vrij conceptueel: elke keer als je op zo’n plaat staat krijg je een nieuwe en unieke verzameling beelden te zien. De beelden zijn coherent; ze behoren visueel altijd tot een bepaalde groep. Zo ontstaat een hele duidelijke structuur, alleen weet je nooit tevoren welke dat is. Het experiment dwingt een samenval van eigenschappen af dat we esthetiek of inhoud noemen. Zo ontstaat een omkering in het ontwerpproces.
Ik las in je CV dat je veel hebt opgetreden als VJ. Doe je dat nog steeds?
Het idee van VJ is dat je in een club staat en dat er naast je een DJ staat op wiens muziek je reageert met beeld. Dat heb ik veel gedaan tussen 1995 en 2000. Op het moment doe ik meer samenwerkingsprojecten met componisten zoals nu met Michel Banabila, een componist uit Rotterdam waar ik af en toe optredens mee doe in Rotterdam en Londen en in oktober ook in Shanghai.
Je doet wel heel verschillende dingen. Red je dat allemaal qua tijd en energie?
Ja, het is wel erg veel, maar ik ben er ook steeds beter in geworden om daarbinnen keuzes te maken en te zoeken naar dingen die voor mij echt van belang zijn, die ik echt zelf moet doen, en naar de dingen die ik uit handen kan geven. Afgelopen weken voor de voorbereiding van de tentoonstelling in Schiedam hebben hier vijf à zes mensen gewerkt. Maar ik heb niemand in dienst, het zijn allemaal oproepbare krachten. Soms werk ik ook samen met Mothership, het bedrijf van Jeroen Everaert. Daar besteed ik dan uitvoerend werk aan uit.
Wat laat je allemaal zien in het Stedelijk Museum Schiedam?
In totaal zo’n dertig werken, foto’s, video’s en interactieve projecties aangestuurd door de computer.
Er komt ook een kleinere versie van de Lenticular Clouds die bij Deloitte hangen. En er komt in het Stedelijk ook een werk dat ik maak in opdracht van het museum. Het wordt een buitenwerk op het plein ervoor. Het bestaat uit prints die op de grond komen te liggen en licht dat van boven komt van de straatverlichting. De plaatjes die tevoorschijn komen zijn beelden uit het archief van Schiedam.
Laat je ook een videoregistratie van een van je concerten zien?
Ja de videoregistratie Mawal for Syria. Mawal is een gedicht dat vaak gezongen wordt. De film is in 2015 door mij gemaakt van een uitvoering van Mawal for Syria in Beiroet. Michel Banabila is de componist en Anas Maghrebi is verantwoordelijk voor de zang. Ik heb de film vervolgens nabewerkt, waardoor het niet meer een registratie is, maar een op zichzelf staand videowerk. Wilma Sütö was er helemaal weg van en heeft het aangekocht voor het Stedelijk Museum.

Copyright 2016 © Etienne Boileau

Een verkorte versie van dit interview werd gepubliceerd in de rubriek ‘Cross-overs in de kunst’,
Beelden 3#2016, www.beeldenmagazine.nl

 

 

 

 

Comments