De Nederlandse identiteit

Als zodanig niet herkenbaar

In 1984 maakte het Stedelijk Museum een tentoonstelling onder de noemer ‘De Nederlandse Identiteit?’; subtitel: ‘In de kunst na 1945’. Een groot karwei, want naast groepen die samenhang vertoonden waren er onplaatsbare eenlingen opgetreden in die periode. De oude gewoonten van kunsthistorici om stromingen en stijlen te markeren, was nog niet overwonnen, dus dat vond men een probleem. En waar stond Nederland nu eigenlijk in het perspectief van de internationale ontwikkelingen? Waaruit bestond Nederlandse bijdrage en wat was de waarde daarvan?

Door Ans van Berkum

Vragen die in de serie die Museum De Paviljoens onder de noemer De Nederlandse Identiteit? presenteert, geen rol spelen. Het lijkt wel alsof het museum alles in zijn werk stelt om de tentoonstelling te verheffen tot een kapstok waaraan alle mogelijke kunstenaars, eigenschappen, thema’s en opvattingen kunnen worden opgehangen, om daarmee duidelijk te maken dat een eventuele Nederlandse identiteit of vloeiend, ongrijpbaar, dan wel volslagen nonsens is, òf als voornaamste kenmerk heeft dat er alles onder kan vallen. Deze indruk krijg je als je naar de tentoonstelling kijkt en hij wordt versterkt door de toevoeging et al achter het lijstje met de vier kunstenaars die deze aflevering bevolken. We lezen: “De Nederlandse identiteit? Moniek Toebosch, Alicia Framis, Gabriel Lester, Jennifer Tee et al”. De afkorting van het Latijnse et alii wordt hier gebruikt alsof de genoemde kunstenaars gezamenlijk auteur zijn van een productie waarnaar al eerder werd verwezen. 

Het lijkt een vondst. Zo ontsnap je een beetje aan de consequenties van je keuze en verhef je de willekeurigheid daarvan tot een statement. Iedereen had hier de Nederlandse identiteit kunnen vertegenwoordigen, begrijp je. Het zijn bij toeval deze vier die hier te voorschijn komen. Zij staan te midden van een netwerk van personen die niet direct auteur zijn, maar toch bijdragen aan het verhaal dat gebracht wordt, zo meldt het begeleidende schrijven dat de bezoekers van de balie kunnen pakken. Het gaat dan om de context van de kunst. De wereld van onder meer “…museumdirecteuren, galeriehouders, ontwerpers, regisseurs, curatoren, critici, technici, opleidingen, verzamelaars etcetera”, zo staat er. Zij zijn geen auteur van de kunstwerken, maar dragen samen bij aan het culturele klimaat waarbinnen de kunst kan ontstaan”. Bezoekers van de website mogen bedenken “..welke werken of wie het al nog meer zouden kunnen zijn”, lezen we. De bijdragen komen te zijner tijd aan bod in de grote eindmanifestatie van het project eind 2012. Een grote groep kunstenaars en wetenschappers zal dat vormgeven. Het maakt je nieuwsgierig naar de lijnen die zich eventueel toch gaan aftekenen in deze zee van mogelijkheden.

Deze tweede tentoonstelling in de reeks bevat dus werken van kunstenaars die weliswaar alle vier hun opleiding in Nederland kregen, maar ook allen over de wereld zwierven om context te absorberen en binnen de kunst grenzen te slechten. “Een algemeen kenmerk van de Nederlandse cultuur is de geweldige openheid.(…)” , citeert de website van De Paviljoens uit een interview met museumdirecteur Edy de Wilde, opgenomen in het boek dat bij de genoemde tentoonstelling in het Stedelijk verscheen in 1984. “Daardoor was het mogelijk dat in het Nederlandse kunstleven steeds een frisse bries kon opsteken. We zijn hier gelukkig niet zo gericht op inteelt van eigen ideeën en gedachten”, zegt hij. Een uitspraak waar de Paviljoens zich achter schijnt te scharen. De getoonde kunstenaars maken deel uit van een internationaal tentoonstellingscircuit. Ze staan open voor de meest uiteenlopende inspiratiestromen. Je kunt misschien niet eens zeggen dat ze hun basis hebben in Nederland, al zijn ze er gedeeltelijk geboren. Cultureel, noch economisch of sociaal, zijn ze aan dit land gebonden. Maar ze staan open. Ze kijken over grenzen heen. Dat is wat hen bindt.
Moniek Toebosch is de meest inventieve en interessante deelnemer die hier gepresenteerd wordt. In een aparte ruimte zie je haar expressieve lippen woorden en zinnen vormen. Haar stem heeft iets overtuigends, wat ze ook zegt. Ze heeft het over een glazen vaas, met bloemen in de vorm van luidsprekertjes. Ze citeert uitspraken die je hoort als je een oor aan hun hart te luisteren legt. “Hoor het zuchten van de bomen, het schuren. Wie huilt er nu nog om een dode spreeuw.” Het is een troostbosje bloemen. Hij staat in de tentoonstelling op een ziekenhuistafeltje. Daarnaast een vitrine vol parafernalia van voorbije projecten. Haar persoonlijke herinneringskast. Toebosch hoort in elk geval in de twee verschillende werelden van enerzijds de producenten c.q. auteurs, en anderzijds die van het et al, die de onlosmakelijke context vormt van de kunstzinnige productie. Ze was naast kunstenaar manager, en gaf les. Ze trad op in het theater. Ze reisde op en neer tussen disciplines, identiteiten en geslachten. In haar portretten switcht ze tussen man en vrouw. Het liefst was ze ‘niks’: Als zodanig niet herkenbaar, is dat duidelijk?, luidt een van haar tentoonstellingstitels dan ook. Toebosch zwalkt en tart. Moge de Nederlandse identiteit iets weg hebben van haar durf en nonchalance.

De Nederlandse Identiteit? De Paviljoens, Almere, 31 oktober 2010 t/m 3 april 2011 

www.depaviljoens.nl

 

 


Comments