Cover Beelden 4#2011

Beelden is een tijdschrift dat sinds 1998 aandacht besteedt aan ruimtelijk georiënteerde kunst. Het verschijnt vier keer per jaar. Beelden reflecteert kritisch en met persoonlijke verhalen op tentoonstellingen, kunst in de openbare ruimte, debatten/symposia en boeken die in gaan op het specifieke deelgebied van de ruimtelijk georiënteerde kunst. Beelden is geen blad dat persberichten klakkeloos overneemt, maar stuurt haar auteurs op pad om de tentoonstellingen of de kunst in de openbare ruimte met eigen ogen te bekijken. Iedereen mist het nodige aan goede tentoonstellingen omdat je nu eenmaal niet iedere tentoonstelling kunt bezoeken. In Beelden leest u reviews van tentoonstellingen die u gemist heeft. Onze onafhankelijke kritische ondertoon onderscheidt ons van veel andere kunstbladen en vergroot de pluriformiteit in kunstbladenland. Met een abonnement krijgt u vier keer per jaar interessante informatie in uw brievenbus.

All reasonable efforts have been made to obtain copyright permission for images used in films in this website. If we have committed an oversight we will be pleased to rectify this in subsequent editions. The author reserves the right not to be responsible for the topicality, correctness, completeness or quality of the information provided. Liability claims regarding damage caused by the use of any information provided, including any kind of information which is incomplete or incorrect,will therefore be rejected.


Geschiedenis

Geschiedenis

In 1986 had de Nederlandse Kring van Beeldhouwers een informatiebulletin, Vaknieuws geheten, dat door veel mensen met interesse werd gelezen. Het kreeg een positieve recensie in BK-informatie. Waarom zou dat niet kunnen uitgroeien tot een blad waarin beeldhouwers en liefhebbers met elkaar in gesprek zijn over hun vakgebied? Zomaar een gedachte indertijd. Henk van Bennekum, Tine van de Weyer en Harm de Grijs vonden dit wel aantrekkelijk en gingen met idee aan de slag. Er verscheen een door Van Bennekum in elkaar geplakt 0-nummer, waarmee zielen moesten worden gewonnen voor het initiatief, ook onder potentiële adverteerders. In dit 0-nummer, een vouwblad met het formaat van drie A4-tjes, staan advertenties van constructeurs, een bank, een transportbedrijf en winkels voor kunstenaarsmaterialen; kennissen van Henk van Bennekum, maar je moet ergens beginnen. Inhoudelijk wordt het nummer gedomineerd door een interview met Carel Visser door Nina Goerres. Dertig jaar na dato is het nog prikkelend te lezen hoe de interviewster de kunstenaar aan de tand voelt over zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid en kritische vragen stelt over zijn manier van werken. ‘Is die associatiever geworden sinds hij met gevonden materialen assembleert?’, vraagt zij. ‘Welnee’, zegt Visser, ‘het beeld zit tevoren kant-en-klaar in mijn kop’. Nonsens natuurlijk, dat kan helemaal niet als je loopt te jutten langs velden, wegen en werkplaatsen, en vervolgens iets intuïtief gaat samenstellen dat de benaming beeld krijgt. Maar Visser wil de beeldhouwkunst niet tot een improvisatiespelletje degraderen en houdt de rug recht. Goerres volgt lijdzaam.

In nummer 1-1987 neemt Ruudt Peters het stokje over met een interview met Cornelis Rogge. Deze ontvangt net als Visser dat jaar de David Röell-prijs, waarmee hij vereerd is. Opmerkelijk is het te lezen hoe hij het belang van de prijs afmeet aan het belang van de commissieleden. Allemaal zulke integere mensen, vindt hij. Commissielid Rudy Oxenaar schaft wat oudere beeldjes van de kunstenaar aan voor het Kröller Müller waarvan hij dan directeur is. Dat vindt Rogge fijn. Niet omdat dit werk en ook de rest van zijn oeuvre dan door de museale context meer waard wordt, maar omdat het daar een ‘haven’ vindt, vertelt hij. Als een productserie goed loopt, breekt hij de lijn af, beweert hij ook. Het mag niet om de buitenkant gaan, niet om korte successcores. Er zijn machtstructuren in de beeldende kunst: “Sonsbeekachtige sferen” noemt hij ze. Als zijn beelden daarin opgenomen dreigen te raken, neemt hij ze uit het spel. Werken aan innerlijke kracht, dat is de opgave. Peters tekent het allemaal op. De bewuste of onbewuste huichelachtigheid, verborgen in deze uitspraken, laat hij voor wat die is, waardoor natuurlijk de vraag rijst hoe de schrijver, in die jaren een jonge kunstenaar, er zelf over dacht.

Het zal nog een hele poos duren voor Beelden evolueert tot een zo kritisch mogelijk blad waarin ook de auteurs het achterste van hun tong laten zien. Het verschijnen van de eerste reeks in vouwbladvorm zet zich voort tot 1990. In 1988 zien we in het colofon voor het eerst de naam van John Blaak. Vanaf 1997 is hij hoofdredacteur en ontpopt zich dan tot drijvende kracht achter de inhoudelijke ontwikkeling die het blad in de loop van de jaren ondergaat.

1997

In 1997 komt Roel Teeuwen in beeld en wordt het blad serieus op de rit gezet. Hij vindt een tijdschrift gekoppeld aan de Nederlandse Kring van Beeldhouwers essentieel. Met een aanloopbudget van 9.000,- gulden zet de Stichting Thoe Swartzenberg, de werkmaatschappij van de Kring, het blad op de rails. John Blaak gaat aan het roer staan. Beelden verschijnt in leporellovorm met een omvang van 12 pagina’s en gebruikt één steunkleur voor de cover, waarop ook steeds het redactioneel van Blaak staat afgedrukt boven een foto van een beeld. Een grondtoon, die nooit meer zal verklinken.

De pagina’s die volgen, bevatten tentoonstellingsrecensies en portretten van kunstenaars. Beelden mengt zich in landelijk discussies, zoals die over het controversiële boek De gijzeling van de kunst door Riki Simons. Telkens wordt de positie van kunstenaars in de samenleving ondervraagd, meestal aan de hand van hun eigen reflecties. Met de beschikbare middelen haalt Beelden het onderste uit de kan. In 2001 verschijnt het tijdschrift op A4 formaat, met een omvang van 16 pagina’s en een nietje in de rug. In 2002 volgt kleur op de voorkant. Bij het verschijnen van het veertigste nummer in 2007 zit Beelden op 40 pagina’s. 

Beelden is in de loop der jaren door doorzettingsvermogen en toewijding een zelfstandig blad geworden. Met trots kan worden gesteld dat het onafhankelijk van subsidies en instituties bestaat en zal bestaan. 

Ans van Berkum