Geschiedenis

In december 2007 verscheen het 40ste nummer. Ans van Berkum schreef over de geschiedenis van het blad het onderstaande.

40

Het veertigste nummer van Beelden ligt voor u. Hoe het er uit gaat zien weet ik nog niet als ik deze terugblik voor u schrijf. Het vorige nummer was mooi, dat weet ik wel. Een cover met een installatie van de Indiase Sheela Gowda, aan de orde in een beschouwing over Dokumenta 12 in Kassel. Dan een keur aan artikelen over Nederlandse zomertentoonstellingen, de Biënnale van Venetië, de grote sculptuur manifestatie in Münster, en Het Paleis van Projekten van Illya en Emilia Kabokov in het Zollverein in Essen. Daarnaast beschouwingen over netelige en interessante kwesties als opdrachtgeverschap en aankoopbeleid. Beelden is een kwaliteitsblad. Dat werd het niet in een oogwenk. Het was buffelen. Uithoudingsvermogen, inventiviteit en idealisme hebben de trekkers gebracht waar we nu zijn.

Door Ans van Berkum

1987

In 1986 had de Nederlandse Kring van Beeldhouwers een informatiebulletin, Vaknieuws geheten, dat goed te boek stond en een positieve recensie kreeg in BK-informatie, een blad voor de hele beroepsgroep. Waarom zou dat niet kunnen uitgroeien tot een blad waarin beeldhouwers en liefhebbers met elkaar in gesprek zijn over hun vakgebied? Zomaar een gedachte. Henk van Bennekum, Tine van de Weyer en Harm de Grijs deelden die mening, en gingen aan de slag. Er verscheen een door Van Bennekum in elkaar geplakt voorbeeldnummer, waarmee zielen moesten worden gewonnen voor de gedachte, ook onder potentiële adverteerders. Het lukte.

Op het 0-nummer dat dan verschijnt, een vouwblad met het formaat van drie A4-tjes, staan advertenties van constructeurs, een bank, een transportbedrijf en winkels voor kunstenaarsmaterialen; kennissen van Henk van Bennekum, maar je moet ergens beginnen. Inhoudelijk wordt het nummer gedomineerd door een interview met Carel Visser door Nina Goerres. Dertig jaar na dato is het goed te lezen hoe de interviewster de kunstenaar aan de tand voelt over zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid en kritische vragen stelt over zijn manier van werken. Is die associatiever geworden sinds hij met gevonden materialen assembleert? vraagt zij. ‘Welnee’, zegt Visser: het beeld zit tevoren kant en klaar in mijn kop. Nonsens natuurlijk, dat kan helemaal niet als je loopt te jutten langs velden, wegen en werkplaatsen, en vervolgens iets gaat samenstellen dat de benaming beeld krijgt. Maar Visser wil de beeldhouwkunst niet tot een improvisatiespelletje degraderen en houdt de rug recht. Goerres volgt lijdzaam.

In nummer 1 neemt Ruudt Peters het stokje over met een interview met Cornelis Rogge. Deze ontvangt net als Visser dat jaar de David Röell prijs, waar hij vereerd mee is. Opmerkelijk te lezen hoe hij het belang van de prijs afmeet aan het belang van de commissieleden. Allen zulke integere mensen, vindt hij. Commissielid Rudy Oxenaar schaft wat oudere beeldjes van de kunstenaar aan voor het Kröller Müller waarvan hij directeur is. Dat vindt Rogge fijn. Niet omdat dit werk en ook de rest van zijn oeuvre dan door de museale context meer waard wordt, maar omdat het daar een ‘haven’ vindt, verhaalt hij. Als een productserie goed loopt, breekt hij de lijn af, vertelt hij ook. Het mag niet om de buitenkant gaan, niet om korte successcores. Er zijn machtstructuren in de beeldende kunst: “Sonsbeekachtige sferen” noemt hij ze. Als zijn beelden daarin opgenomen dreigen te raken, neemt hij ze uit het spel. Werken aan innerlijke kracht, dat is de opgave, betoogt Rogge.

Peters tekent het allemaal op. De onbewuste huichelachtigheid, verborgen in deze uitspraken, laat hij voor wat het is, waardoor natuurlijk de vraag rijst hoe de schrijver, in die jaren een jonge kunstenaar, er zelf over dacht.

Het zal nog een hele poos duren voor Beelden evolueert tot een kritisch blad waarin ook de auteur het achterste van zijn tong laat zien. Het verschijnen van de eerste reeks in vouwbladvorm zette zich voort tot 1990. Gastschrijvers als Jan Hein Sassen, Philip Peters, Marianne Brouwer, Gerard Lakke en Lambert Tegenbosch produceren mooie stukken. In 1988 zien we in het colofon voor het eerst de naam van John Blaak. Hij ontpopte zich uiteindelijk tot een van de drijvende krachten achter de inhoudelijke ontwikkeling en is nu al vele jaren hoofdredacteur. Henk van Bennekum, ook nooit meer weggegaan, deed en doet de vormgeving. Hij noemt Blaak ‘eigengereid’, maar voegt daaraan toe: “... en dat is heel prettig, want anders kwam het nooit voor elkaar.”  De vouwblad editie in zwart/wit heeft drie jaar bestaan, waarna een stilte optrad.  Het verzamelen van kopij bleek toch teveel te eisen van de betrokkenen.

1997

Pas in 1997, als Roel Teeuwen in beeld komt en de zakelijke kant oppakt, wordt het blad weer serieus op de rit gezet. “Het is toch zonde dat de Kring een dergelijk communicatiemedium ontbeert”, aldus Teeuwen: “Naar buiten toe zijn we nergens. Wie kent de Kring? De leden lopen zo allerlei kansen mis.” Een statement waarmee voor Beelden een duidelijke richtlijn wordt afgegeven. Met een aanloopbudget van f 9.000,-, overgehouden uit een ander project, zet de Stichting Thoe Swartzenberg, de werkmaatschappij van de Kring, het blad weer op de rails. John Blaak, intussen kunsthistoricus, gaat aan het roer staan, en er zijn direct al artikelen van Astrid Tanis, de auteur die nu nog altijd alerte, persoonlijke stukken schrijft, en de hele boekenrubriek voor haar rekening neemt. Het blad verschijnt in leporellovorm met een omvang van 12 pagina’s en gebruikt een steunkleur voor de cover, waarop ook steeds het redactioneel van Blaak staat afgedrukt boven een foto van een beeld. Een grondtoon, die nooit meer zal verklinken.

De pagina’s die volgen bevatten tentoonstellingsrecensies en portretten van kunstenaars. Beelden mengt zich in landelijk discussies, zoals die over het boek De gijzeling van de kunst door Riki Simons. Telkens wordt de positie van kunstenaars in de samenleving ondervraagd, meestal aan de hand van hun eigen reflecties. Prachtig is de strip The secret of my succes, van H.Hoogerbrugge. die de onderlinge jaloezie en  lafheid van de gemiddelde kunstenaar haarscherp schetst. Met de beschikbare middelen haalt Beelden het onderste uit de kan. En de Kring wordt bekender. Wint leden, omdat de kunstenaars beseffen hiermee werkelijk naar buiten te kunnen treden.

En het blad groeit. Roel Teeuwen had het in drie jaar tijd zelfbedruipend willen zien worden maar de ambities van de hoofdredacteur kostten geld. Telkens ging het bestuur van de Kring toch weer akkoord met zijn uitbreidingsvoorstellen, waardoor het punt van kostendekkend opereren pas na zes jaar werd bereikt. Zo kregen we in 2001 een Beelden in A4 formaat, met een omvang van 16 pagina’s en een nietje in de rug. In 2002 volgde kleur op de voorkant. In 2003 werd het dikker, en in 2004 kregen we een groter formaat en een coverfoto die de voor en achterkant in zijn geheel omvat. Het beeld staat voorop in Beelden, dat is een duidelijk signaal; dat in feite ook in de leporello periode al werd afgegeven. Het beeld, dat vanuit een atelier gemaakt wordt, en dan een rol speelt in de bepaling of verbijzondering van stad of landschap. Vouw Beelden uit, en je ziet wat bedoeld wordt, met nummer 4#2004 – Steepele Chase van Cees Krijnen- als lichtend voorbeeld.

Blaak verdreef met die aanpak zelfs een adverteerder van de achterkant naar de binnenkant. En hij deed er goed aan. Net als aan de langzame overgang van zwart-wit naar een uitgave die volledig in kleur was gesteld.

Op dit moment wordt gewerkt met een omvang van 40 pagina’s, waarvan driekwart redactionele artikelen. Blaak stimuleert de kritische toon bij de schrijvers. Teeuwen heeft daar geen behoefte aan. Hij vormt zijn eigen mening bij zijn tentoonstellingsbezoeken en wil dan van Beelden graag meer informatie over de persoon van de kunstenaar en diens motieven. Blaak wenst zeer verschillende schrijversstemmen te laten horen. Een tentoonstelling georganiseerd door de Kring van Beeldhouwers kan altijd nog rekenen op zijn belangstelling, ook al is het blad daar intussen helemaal los van en wordt het nu door uitgeverij Smit van 1876 (Hengelo) uitgegeven.  

De oude verbinding is sterk. Het blad begon als een communicatiemiddel van de Kring. Maar daar liet het bestuur door wankelend beleid haar vruchten vallen. In 2004 moest Stichting Het Glazen Huis zich enige tijd over het blad ontfermen, om het daarna weer aan de Kring terug te geven. Maar wederom werd er bestuurlijk een potje van gemaakt. Vooral voor wat betreft het financiële beheer. Nu staat het dus al weer enige tijd los van de Kring.

Het blad brengt in Nederland de beeldhouwkunst in al zijn vitaliteit onder de aandacht met een uitgeverij als achtergrond. Dat is een belangrijke opgave, met of zonder een beroepsvereniging als motief en backing. Beelden doet het op een gedegen en krachtige wijze, met een reeks goede vaste auteurs. Laat ik Riet van der Linden en Antonie den Ridder hier even met name noemen. Een eigengereide, altijd in vrijheid opererende hoofdredacteur is hier goud waard. Onder zijn leiding worden schrijvers aangespoord tot onderzoek en reflectie. Maar hun formuleringen behouden de nuance. Chapeau dus, voor een grandioze ontwikkeling, die een beloning verdient in de vorm van ondersteuning uit landelijke subsidiepotten voor verdere professionalisering naar inhoud en vorm. Beelden is uitgegroeid toe een volwaardig blad, dat los van enige verenigingsverband een unieke plek inneemt in het Nederlandse landschap van de kunsttijdschriften.

T.g.v. het verschijnen van het 50ste nummer in juni 2010 verscheen het volgende artikel.

50 x Beelden

Vijftig Nummers. Het is een mijlpaal die we vieren in Museum Beelden aan Zee, dat ook een vrucht is van doorzettingsvermogen, geloof in de eigen zaak en een fascinatie voor het vakgebied. Beelden heeft een lastige weg afgelegd om hier te kunnen komen. Een blad over beeldhouwkunst bestaat bij de gratie van lezers die hun interesse bevestigen met een abonnement, en een uitgever zoals Smit uit Venlo die het risico draagt. De bevlogen kunstenaars die er mee begonnen, zijn intussen met heel andere dingen bezig. Maar de vlag is overgenomen en het vuur brandt. Een prachtig nummer ligt voor u met een aparte bijlage waar in alle reguliere auteurs zich uitspreken over hun persoonlijke passies en voorkeuren als het om ruimtelijk werk gaat Daarnaast zijn er de vertrouwde reflecties op wat zich in de voorbije periode heeft voorgedaan. Beelden heeft zich de afgelopen decennia als medium steeds weer vernieuwd en aangepast. Dat is een kracht die het blad toekomstbestendig maakt.

Door Ans van Berkum

2010

Beelden bestaat nu 23 jaar en is niet afhankelijk van subsidies. Twee opmerkelijke feiten. Het blad Mr. Motley, dat door SKOR, Stichting Kunst in de openbare Ruimte, werd opgericht, zou eind vorig jaar zijn opgehouden bij het 24ste nummer, ware het niet dat er weer een flinke subsidie is losgekomen. LucasX dat het rijke culturele palet in de Provincie Utrecht behandelt, stopte eveneens eind 2009, na 16 jaar zwoegen. Beelden bestaat. Het is geen glossy, het is geen verzameling theoretische bespiegelingen, geen poging kunst toegankelijk te maken of uit te leggen. Beelden toont simpelweg de vitaliteit en de oerkracht van het vakgebied. Het toont dat beeldhouwkunst zich door alles heen kan vernieuwen, actualiseren en relevante allianties aangaan. Daar ligt de bron van Beelden. Niet in het geld. Niet in het idee om kunst te spreiden en daarvoor subsidie te vergaren. Niet in de tijdschriftenliefhebberij van een stelletje diehards. Het ligt in de vitaliteit van de discipline en nergens anders.

Het blad spiegelt het vakgebied, dat altijd worstelt en weer boven komt. Op zijn gemak doorglijdt naar de commercie zoals Damien Hirst demonstreerde, of zich binnenwroet in de sociale dimensie, waar ontmoeten en samenwerken de doelen zijn en een heel nieuw werkterrein ontsloten wordt. Beelden registreert het en stelt vragen. Vaak heel eenvoudig, vanuit de emoties die de schrijvers bij het zien van objecten en projecten ondergaan of niet ondergaan. Beelden onthult in elk nummer dat kunstbeleving persoon en moment gebonden is. Terwijl de een kippenvel krijgt van For the love of God, staat de ander koeltjes te mijmeren over de eventuele bedoelingen. Een volgende blijkt als hij uit de donkere kamer komt waar de felverlichte schedel schittert nergens aan gedacht te hebben. [1] Het kan allemaal. In Beelden wordt geregistreerd wat de auteur beleefde. Subjectief, kritisch en altijd genuanceerd.

Hoe kan het ook anders. Gevoel voor kwaliteit en waarde is nou eenmaal niet zomaar een talent waar over je als schrijver te allen tijden kunt beschikken. Het is iets wat zich in de tijd ontwikkelt en door ervaring en inzicht verandert. Waar ik me een aantal jaren geleden kritisch uitliet over een kunstenaar die voor mijn gevoel niet geheel reële Holocaustervaringen ventileerde, zou ik nu niet meer de waarheid van de herinneringen, maar de waarachtigheid daarvan voor de kunstenaar vooropstellen. Kritiek is moeilijk voor wie zichzelf en het eigen oordeel kan relativeren. Anderzijds wil de lezer vuurwerk zien en stof tot nadenken gepresenteerd krijgen, waarmee het desnoods de vloer kan aanvegen. Verschillende auteurs van Beelden zitten wat dat betreft nog niet helemaal in hun rol. Voorop staat dat het blad onder hoofdredacteur John Blaak altijd ruimte heeft gegeven aan een kritische houding, gekruid met persoonlijke ontboezemingen. Dat gaat soms zover dat de relevantie van bepaalde verhaallijnen kan worden betwijfeld. Het artikel van Astrid Tanis over haar bezoek aan Beaufort in 2009 bewaart geen afstand tussen de kunst en de ongemakken van het zoeken naar de objecten bij een slechte bewegwijzering aan de rommelige Belgische kust. [2] Bij het lezen van haar stuk wordt je vooral plaatsvervangend moe van de vele obstakels en tegenvallers die ze moet overwinnen. Toch raak je ook geïntrigeerd door haar reflecties op het getoonde werk en geïrriteerd door het feit dat het accent niet daarop ligt, maar op de ergernissen over de onvindbaarheid van het tentoongestelde en de verwording van de Belgische kustbebouwing. Focus, precisie en onderbouwing blijven mijns inziens de belangrijkste elementen van de geschreven kunstbeschouwing, zowel bij lof als bij kritiek. Daarin ligt de kwaliteit van een artikel. Daarin dient Beelden uit te blinken.

Beelden ontstond uit het vakgebied en functioneert vooral voor het vakgebied. Beelden gaat voorop in de discussie over wat er allemaal gaande is in de wereld van de ruimtelijke kunst, zonder arrogantie of dictaat. Schrijvers over beeldhouwkunst zoeken in die springlevende wereld, zo vol raadselen en provocaties dat we er soms van gruwen, naar houvast. Wat is er bedoeld? Wat is de relevantie van die stelling, hoe is deze uitgewerkt en wat is het effect? Dat zijn de belangrijke vragen. Antony Gormley plaatste ijzeren afgietsels van zichzelf op dakranden in New York, en de wereld staat op zijn kop, lezen we in NRC Handelsblad ergens in maart. Begrijpelijk. We willen de kwetsbaren beschermen, niet verlokken het pijnlijkste te doen. Zulke kunst is een affront voor velen die ervaring hebben met een dergelijke situatie. Maar verlokken beelden dan tot eenzelfde gedrag als ze uitdrukken? Hebben ze die macht? Het feit dat er voor gevreesd wordt, is een compliment en een erkenning. Kunstcritici dienen daar rekening mee te houden in hun beoordeling.

Beelden in de openbare ruimte hebben duidelijk invloed op hun omgeving, waarom zouden ze anders moeten worden geplaatst? Beelden maakt voelbaar hoe het werkt. Medio 2009 werd een ander project van Gormley besproken door Annemiek van der Bruggen. Mensen positioneren zichzelf voor één uur op een hoge sokkel op Trafalgar Square, ooit bedoeld voor een beeld, en voeren daar wat op om de meute te vermaken, verhaalt ze. Het lukt niet erg. Gormley zou de regie wat strakker ter hand moeten nemen, willen de live-performances van de ‘levende beelden’ tot enige lering of vermaak kunnen strekken, aldus de schrijfster. Hier is om de sokkel heen wel een metersbreed vangnet gespannen. Als beelden mensen als materiaal gaan gebruiken ontstaan nieuwe verantwoordelijkheden. Als ijzeren beelden op dakranden staan, wordt blijkbaar verondersteld dat ze niets anders doen dan de kunstenaar voorziet: op dakranden staan. Maar is het nodig mensen daarvan te doordringen? Dat is toch veel te vlak. Als het nergens anders om gaat had Gormley het net zo goed kunnen laten. Zodra je ziet dat het een beeld van een mens is, geen mens, weet je ook dat er controle is en is de lol er af. Maar wie even geen beeld, maar een menselijke figuur ziet, kan in verwarring raken en zo zal het ook bedoeld zijn.

Beeldhouwkunst speelt met ons. Beeldhouwkunst wankelt op het randje. Beelden kiest er voor de rol en de mogelijkheden van de discipline uit te lichten en schuwt het daarbij niet op verantwoordelijkheden te wijzen en twijfel te ventileren. Antonie de Ridder schrijft over het barokke werk van Carolein Smit, opgepropt tentoongesteld in de Kunsthal: “In plaats van de simpele vaststelling dat een overdaad aan goudverf en nepedelstenen een kunstwerk naar de afdeling kitsch verwijst, wordt geopperd dat Smits’ sculpturen welbewust balanceren op de rand van de kitsch. Waar blijft de ironie wanneer je haar nodig hebt?” [3].

Het is een benadering die John Blaak, samen met de auteurs van Beelden, zorgvuldig heeft opgekweekt en nog moet uitbouwen. Een verworvenheid, die begon met rustig en neutraal reflecteren op kunstenaars door kunstenaars. Reflecteren zonder vragen. Dat is nu geschiedenis.

1987

In 1986 had de Nederlandse Kring van Beeldhouwers een informatiebulletin, Vaknieuws geheten, dat goed te boek stond en een positieve recensie kreeg in BK-informatie, een blad voor de hele beroepsgroep. Waarom zou dat niet kunnen uitgroeien tot een blad waarin beeldhouwers en liefhebbers met elkaar in gesprek zijn over hun vakgebied? Zomaar een gedachte. Henk van Bennekum, Tine van de Weyer en Harm de Grijs vonden hem aantrekkelijk, en gingen aan de slag. Er verscheen een door Van Bennekum in elkaar geplakt voorbeeld nummer, waar mee zielen moesten worden gewonnen voor het initiatief, ook onder potentiële adverteerders. Het lukte.

Op het 0-nummer dat dan verschijnt, een vouwblad met het formaat van drie A4-tjes, staan advertenties van constructeurs, een bank, een transportbedrijf en winkels voor kunstenaarsmaterialen; kennissen van Henk van Bennekum, maar je moet ergens beginnen. Inhoudelijk wordt het nummer gedomineerd door een interview met Carel Visser door Nina Goerres. Dertig jaar na dato is het nog prikkelend te lezen hoe de interviewster de kunstenaar aan de tand voelt over zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid en kritische vragen stelt over zijn manier van werken.  ‘Is die associatiever geworden sinds hij met gevonden materialen assembleert?’, vraagt zij. ‘Welnee’, zegt Visser, ‘het beeld zit tevoren kant-en-klaar in mijn kop’. Nonsens natuurlijk, dat kan helemaal niet als je loopt te jutten langs velden, wegen en werkplaatsen, en vervolgens iets intuïtief gaat samenstellen dat de benaming beeld krijgt. Maar Visser wil de beeldhouwkunst niet tot een improvisatiespelletje degraderen en houdt de rug recht. Goerres volgt lijdzaam.

In nummer 1 in 1987 neemt Ruudt Peters het stokje over met een interview met Cornelis Rogge. Deze ontvangt net als Visser dat jaar de David Röell-prijs, waarmee hij vereerd is. Opmerkelijk is het te lezen hoe hij het belang van de prijs afmeet aan het belang van de commissieleden. Allemaal zulke integere mensen, vindt hij. Commissielid Rudy Oxenaar schaft wat oudere beeldjes van de kunstenaar aan voor het Kröller Müller waarvan hij dan directeur is. Dat vindt Rogge fijn. Niet omdat dit werk en ook de rest van zijn oeuvre dan door de museale context meer waard wordt, maar omdat het daar een ‘haven’ vindt, vertelt hij. Als een productserie goed loopt, breekt hij de lijn af, beweert hij ook. Het mag niet om de buitenkant gaan, niet om korte successcores. Er zijn machtstructuren in de beeldende kunst: “Sonsbeekachtige sferen” noemt hij ze. Als zijn beelden daarin opgenomen dreigen te raken, neemt hij ze uit het spel. Werken aan innerlijke kracht, dat is de opgave.

Peters tekent het allemaal op. De bewuste of onbewuste huichelachtigheid, verborgen in deze uitspraken, laat hij voor wat die is, waardoor natuurlijk de vraag rijst hoe de schrijver, in die jaren een jonge kunstenaar, er zelf over dacht.

Het zal nog een hele poos duren voor Beelden evolueert tot een zo kritisch mogelijk blad waarin ook de auteurs het achterste van hun tong laten zien. Het verschijnen van de eerste reeks in vouwbladvorm zet zich voort tot 1990. In 1988 zien we in het colofon voor het eerst de naam van John Blaak. Vanaf 1997 is hij hoofdredacteur en ontpopt zich dan tot drijvende kracht achter de inhoudelijke ontwikkeling die het blad in de loop van de jaren ondergaat.

1997- 2009

In 1997 komt Roel Teeuwen in beeld en wordt het blad serieus op de rit gezet. Hij vindt een tijdschrift gekoppeld aan de Nederlandse Kring van Beeldhouwers essentieel. Met een aanloopbudget van f 9.000, - zet de Stichting Thoe Swartzenberg, de werkmaatschappij van de Kring, het blad op de rails. John Blaak gaat aan het roer staan. Beelden verschijnt in leporellovorm met een omvang van 12 pagina’s en gebruikt één steunkleur voor de cover, waarop ook steeds het redactioneel van Blaak staat afgedrukt boven een foto van een beeld. Een grondtoon, die nooit meer zal verklinken.

De pagina’s die volgen, bevatten tentoonstellingsrecensies en portretten van kunstenaars. Beelden mengt zich in landelijk discussies, zoals die over het controversiële boek De gijzeling van de kunst door Riki Simons. Telkens wordt de positie van kunstenaars in de samenleving ondervraagd, meestal aan de hand van hun eigen reflecties. Met de beschikbare middelen haalt Beelden het onderste uit de kan. In 2001 verschijnt het tijdschrift in A4 formaat, met een omvang van 16 pagina’s en een nietje in de rug. In 2002 volgt kleur op de voorkant. Bij het verschijnen van het veertigste nummer in 2007 zit Beelden op 40 pagina’s. Nu, bij het vijftigste nummer, zien we dat 48 pagina’s geen uitzondering is. Het scala aan onderwerpen in dit nummer is breed. Een interview met een kunstenaar is er weer één van. Johan Claassen vertelt Etienne Boileau desgevraagd wat volgens hem het belangrijkste is “dat een kunstenaar over zijn kunstenaarschap moet weten”. Claassen gaat dan in op de techniek die de kunstenaar moet beheersen om in een stemming te komen die een goed kunstwerk oplevert. Hij moet zich opsluiten en naar binnen keren: “Veel doe ik vanuit mijn intuïtie. Intuïtie is volgens mij niets anders dan een binnendoorweg naar kennis, en toevallig weet ik veel”, zegt hij, om even verderop door te schakelen naar de stelling: “kunstenaar zijn moet eigenlijk in je genen zitten.” In haar bespreking van de Claassens’ kunstenaarsboek Aeolus, schrijft Astrid Tanis dat intellect tekortschiet als het om begrijpen van dit werk gaat. “Dat maakt zowel de kunstenaar als het werk vrij uniek”, stelt ze onbeschroomd. Hoewel Claassen dus denkt dat bij de goede kunstenaar in principe het nemen van de ‘binnendoorweg’ van de intuïtie vanzelfsprekend is, vindt Tanis die aanpak uitzonderlijk. Het is geen punt. Een kunstblad mag een vat vol tegenstrijdigheden zijn, als alle auteurs hun benadering en denkwijze maar expliciet maken en hun subject aan de tand voelen.

Ontwikkeling

Beelden is in de loop der jaren door doorzettingsvermogen en toewijding een zelfstandig blad geworden. Met trots kan worden gesteld dat het onafhankelijk van subsidies en instituties bestaat en zal bestaan. John Blaak mogen we deze verdienste in hoofdzaak toedichten. De viering van dit feit in Beelden aan Zee kan misschien het begin zijn van verdere samenwerking. Beiden instituties kunnen zich de opgave stellen om scherper te worden en weer meer in te gaan op netelige kwesties die zich in het vakgebied aftekenen. De veelkleurige wereld van de beeldhouwkunst wenst het en zal er baat bij hebben.

In het 60ste nummer (december 2012) werd er stil gestaan bij de positie van het blad, inmiddels omgedoopt in Beeldenmagazine, kwartaalblad voor ruimtelijk georiënteerde kunst, tussen de andere kunstbladen in Nederland.

Beelden en de anderen

Hoe staat Beeldenmagazine tussen de andere kunstbladen in Nederland? We zijn blij met dit zestigste nummer. Het betekent dat we bestaansrecht hebben. Maar waar ligt onze specifieke identiteit? Om de vraag behapbaar te maken, kijk ik naar andere onafhankelijke bladen met een focus op beeldende kunst, in Nederland. De meesten hebben minstens een fikse periode subsidie gehad. Beeldenmagazine ontstond uit het vakblad van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers en groeide zelfstandig uit tot het magazine dat nu voor u ligt.

Door Ans van Berkum

Beeldenmagazine richt zich op ‘ruimtelijk georiënteerde kunst’. Een benaming die toont dat de springerige kunstproductie zelf leidend is. De term beeldhouwkunst is duidelijk te eng. Het blad verschijnt vier keer per jaar. De stukken, die van vrijwel gelijke grootte zijn, gaan over internationale manifestaties en kleine en grotere presentaties, verspreid over allerlei soorten ruimten, over het hele land. Het is niet de bedoeling er mensen naar toe te lokken. De artikelen worden immers niet voorafgaand, maar tijdens de exposities geschreven en bevatten een grondige, nooit waardevrije reflectie op het gebodene. Het gaat om een speciale kijk, die dingen doorprikt en denkwijzen onderzoekt. De auteurs zijn allemaal zelf actief in de kunstwereld en zeer betrokken bij een goede communicatie met een breed publiek. Wat voegt Beelden met deze formule toe aan het palet van bladen dat al beschikbaar is voor alle soorten geïnteresseerden?

Allereerst sla ik de laatste aflevering van Kunstbeeld open, waarvan Roos van Put hoofdredacteur is. Het ziet er verdomd goed uit met een rustige, open lay-out en een keur aan artikelen die ik echt wil lezen. Het blad is dik en opgedeeld in rubrieken, waarmee de verschillende onderwerpen een soort paraplu krijgen die voor de lezer verheldert hoe het terrein in elkaar zit. Er is het Front, de Focus, de cluster Uitgelicht en Perspectief. Kunstbeeld verschijnt 10 keer per jaar, is actueel en spoort je aan tentoonstellingen en projecten in binnen en buitenland te gaan bekijken. Het is een echte smaakmaker. Ja, ik wil naar Glow in Eindhoven, naar de Tate voor de Turner Prize en naar Erwin Olaf in Arnhem! Wat doe ik hier achter mijn notebook? Waardevol is dat Kunstbeeld telkens reflecteert op een bijzonder onderwerp, dat het goed uitdiept. Kunstbeeld drukt paginagrote afbeeldingen af, laat ons binnen bij een verzamelaar, en maakt ons vertrouwd met de voorkeuren van bekende kunstenaars. De artikelen zijn gevarieerd van lengte en invalshoek. Dit is echt een blad dat breed aanspreekt.

Ik stap over naar het Museumtijdschrift, een uitgave van W Books, dat zich afficheert als “Het onafhankelijke en grootste kunsttijdschrift van Nederland”. Acht keer per jaar kiest het een keur aan museale tentoonstellingen, die het beschrijft voor een breed publiek. Door zich te beperken tot dit onderwerp tekent de groep van belanghebbenden die kunnen en willen adverteren zich duidelijk af. Slim. Het is een harmonieus blad, waar dingen in gezegd kunnen worden. Het is belangrijk dat de musea dit platform hebben. Het heeft een specifieke doelgroep, dat geldt ook voor Tableau dat haar achterban heeft in de kunsthandel. Dat tijdschrift, dat er toch een beetje uitziet als een glossy, geeft een levendig beeld van de kunstwereld vroeger en nu, aangevuld met kunst-nieuwtjes uit de hele wereld. Tableau vertelt, inspireert, prikkelt en geeft de kunst cachet.

Mr. Motley is een andere parel onder de bladen. Het richt zich vooral op een jong publiek. Met een geweldig marketing offensief wist het blad binnen de kortste keren succes te boeken in haar missie kunst en leven aan elkaar te knopen en het kunstpubliek te verbreden. De thema’s zijn niet flauw – ‘De recente geschiedenis van Nederland verteld door de kunst’- maar spreken toch aan. Dan is er nog De Witte Raaf, een themakrant die in België wordt geproduceerd, met zeer scherpe recensies, veel nieuws en informatie over wat er overal aan de hand is, uitgebreide gespreksverslagen en een internationale tentoonstellingsagenda. Door zijn vorm en onderwerpen is deze publicatie alleen geschikt voor insiders. Het verschijnt tweemaandelijks in een oplage van 15.000. Je kunt je afvragen hoeveel daarvan ongelezen in de papierbak verdwijnt. Ondanks de geheel onafhankelijke inhoud zat er een behoorlijke subsidie in van Nederland, die in 2013 gaat stoppen.

Metropolis M heeft zijn wortels in het kunsthistorisch instituut van de Universiteit van Utrecht en wordt al jaren ondersteund door subsidie. Het richt zich met sprankelende themanummers specifiek op lezers die betrokken zijn bij de kunstwereld en daarop intellectueel reflecteren. Een formule die het lastig maakt een breed publiek aan te spreken zonder concessies te doen aan de inhoud. Tot nu toe hoefde dat blijkbaar ook niet. Het blad zit in de lift met een keur aan adverteerders, een website met shop, en veel abonnees. De kunstwereld als tak van business is met het tijdschrift meegegroeid, en heeft voldoende volume om het wegvallen van subsidie te compenseren. Kunstschrift is een ander verhaal. Het kwam voort uit het radioprogramma Openbaar Kunstbezit, met uitzendingen waarin telkens één kunstwerk besproken werd. De gedrukte weergave van de verhalen werden door duizenden mensen verzameld en bewaard in blauwe verzamelbanden. Op den duur kwam daar een tijdschrift uit voort, waarin kunsthistorici de schoonheid van de kunst bezingen in thematisch georiënteerde afleveringen. Kunstschrift is een blad dat mensen meesleept in het grote verhaal dat kunstgeschiedenis heet.

Beeldenmagazine heeft net als de andere tijdschriften een geheel eigen terrein, maar werd stapsgewijs groot zonder overheidssteun. Daar zijn we trots op. Daarbij is de reflectieve aanpak, door auteurs die hun kennis aan een eigenzinnige kritische blik paren, heel speciaal. Het ziet er leuk uit, met een cover die je bijna als een affiche kunt openvouwen en ophangen.

Beeldenmagazine werkt ook aan haar koers voor de toekomst. Immers, wie niet meebeweegt met zijn tijd gaat ten onder. De achterban kan breder, de website is opgepimpt. Investeren in marketing brengt het blad meer langszij de andere. Nog één ding: Hoe vindt u ons tijdschrift op internet? www.beeldenmagazine.nl. Terecht dat we dan ook voortaan die titel dragen.

In het 75ste nummer (september 2016) besteedde ik in mijn redactioneel kort aandacht aan het overlijden van Will Lormans, onze uitgever, en aan het verschijnen van het 75ste nummer.

In juli kreeg ik het bericht dat onze uitgever Will Lormans op 57 jarige leeftijd was overleden. Ik wist dat hij ziek was, maar de kennisgeving van zijn dood kwam toch onverwachts hard aan. Ik ben Will dankbaar dat zijn uitgeverij, indertijd Van Spijk Grafimedia, geleidt door hem en zijn vrouw Miriam Lormans Bormans, in 2007 Beelden wilde overnemen van de werkmaatschappij van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers, het Thoe Schwartzenberg Fonds die het negen jaar onder beheer hadden. Indertijd vond het Thoe Schwartzenberg Fonds het tijd om het blad over te dragen aan een professionele organisatie om het verder uit te helpen bouwen. Dit is de afgelopen tien jaren gelukt. Beelden is een van de weinige tijdschriften voor vakgenoten en een breed publiek dat in ruimtelijk werk geïnteresseerd is, en dat nog specifiek recensies van tentoonstellingen, kunst in de openbare ruimte, debatten, symposia, kunstprijzen en boeken kritisch beschrijft. In Beelden vindt u geen beschrijvingen vooraf, maar wordt alles door de medewerkers ter plekke bezocht en gelezen en kan er zodoende kritisch op het gebodene gereflecteerd worden. Beelden is nog een van de weinige bladen die ruimte schept voor kunstkritiek en neemt hiermee een waardevolle plaats in tussen de kunstbladen. Inmiddels is dit nummer het 75ste dat uitkomt. Volgend jaar gaan we de 20ste jaargang in. Voorwaar een unieke prestatie dankzij alle betrokkenen, maar met name door de uitgever om toch ieder jaar te besluiten om (zonder subsidie) door te gaan. Intussen zet Miriam Lormans Bormans de uitgeverij alleen voort. We wensen haar alle succes toe. Will zullen we missen.

John Blaak, hoofdredacteur

 

 

 

 

Comments