Ja sprong

De Ja-sprong


De kunstcritica Anna Tilroe schreef vorig jaar het pamflet 
De Ja-sprong. Naar een nieuwe vitaliteit in de kunst. Dit 72 pagina tellende boekje leest als een reddingsactie voor de kunst, musea, kunstkritiek en andere participanten. Zij ziet de democratische kunstwereld zoals wij die vijfentwintig jaar geleden kende, verzuipen in een modderpoel van economische krachten en machten. De laatste jaren ben ik diverse interessante boeken tegengekomen met een kritische toon ten opzichte van de toenemende manipulatie van de kunstmarkt. De tendens dat overheden verantwoordelijkheden afschuiven naar de vrije markt vergroot alleen maar de macht van marktmanipulatie. Het is niet de kunst die het voor het zeggen heeft in de kunst en cultuursector maar het geld. 

Ik ben net als Tilroe van de generatie waarin idealisme een grotere rol speelde dan economische belangen, macht en prestige. De generatie die angstvallig vermeed om over geld te praten als het om kunst ging, want de intrinsieke waarde mocht niet door een prijskaartje besmuikt worden. 

De drie vragen die Tilroe stelt zijn; Hoe wordt waarde aan kunst toegekend? Door wie? En waartoe? Ze beschrijft de scene waarin jaarlijks het Amerikaanse Megajacht de SeaFair’s Gran Luxe uitvaart met aan boord vele multimiljonairs en –miljardairs. In een luxueuze besloten sfeer kunnen zij zich overgeven aan het opbieden tegen elkaar om de duurste kunst te bemachtigen. Het veilen en verhandelen van kunst krijgt vaak het elan van een decadent theaterstuk. Volgens Tilroe heeft kunst door de eeuwen heen gefunctioneerd in de context van macht, status en geld. Een groot deel van de  20e eeuw is hierop een uitzondering. De democratiseringsgolf zorgde er voor dat er meer evenwicht ontstond tussen kunstenaars, galeries, museumdirecteuren en critici. “Dat evenwicht is de laatste vijfentwintig jaar verstoord door de spectaculaire groei van de kunstmarkt” stelt Tilroe. In het pamflet beschrijft ze verschillende rollen van deelnemers aan de kunstwereld. Zoals de collectioneur, de curator, de kunstenaar en de criticus. Je ziet hoe kunstenaars die hun producten als een ‘brand’ presenteren al snel omringd worden door sterallures. Deze vorm van persoonsgerichte marketingstrategie zie je bij Rob Scholte, Damien Hirsh, Jeff Koons en anderen. Warhol is hun geestelijke vader met zijn Bussines Art. Tilroe maakt een onderscheid tussen kunstenaars als marketeers en de subversieven. De subversieven keren zich tegen iedere vorm van overheersing en genereren vaak vanuit een kritisch idealistisch kader. Ze bevinden zich echter in een double bind positie als je bedenkt dat benamingen als ‘alternatief’, ‘onafhankelijk’ en ‘avant-garde’ inmiddels ook brandnamen zijn, die allang door economische krachten werden ingelijfd. Doordat van de postmoderne kunst verwacht wordt dat zij anders, vernieuwend, origineel en onafhankelijk is, stimuleren deze kwaliteiten juist de hebzucht van verzamelaars die actueel willen zijn. 

De rol van de criticus is aan dezelfde marktmechanismen onderhevig als al het andere in de kunst; als zij onafhankelijk van de kunstmarkt schrijft, haalt de kunstmarkt haar alsnog binnen. De stimulerende invloed van de onafhankelijke kritische geest op de kunstmarkt blijkt bijna groter dan die van de devote onderworpen schrijver.

Een belangrijke eigenschap van het postmodernisme is het door Albert Camus beschreven einde van de grote verhalen. Dit ging echter om politieke verhalen zoals het Communisme en de Amerikaanse droom. Postmodernistische filosofen trokken dit einde breder en zagen het ook in de kunst. Grote stromingen en richtingen versnipperden in een veelheid aan individualistische kunstuitingen. De versnippering heeft de kunst stuurloos gemaakt. Het einde van de kunst werd regelmatig voorspeld of zelfs als voltrokken gezien. 

Tilroe ziet een rol weggelegd voor zowel de kunstkritiek als de musea om de kunst weer richting te geven door kunstwerken te benoemen, te analyseren en te koppelen aan de (kunsthistorische) context waaruit deze voortkomt. Het museum kan zichtlijnen bieden waarlangs je de tijd inloopt. De kunstkritiek daarentegen kan erop wijzen dat kunst altijd in verband staat met morele vraagstukken, levensbeschouwingen en verantwoordelijkheidsgevoel. Hierdoor kan zij een stevigere maatschappelijke inbedding genereren. 

Ik moet zeggen dat ik dit hoopgevende pamflet zonder een moment van verveling uitlas. Tegelijkertijd besef ik mij, door de laatste politieke ontwikkelingen waarin de overheid zich nog meer terugtrekt van kunst en cultuur, de grip van de marktwerking op de kunst alleen maar steviger kan worden. Het zal nog wel even duren voordat de kunstwereld haar relatief autonome positie herwint. Voorlopig zie ik de politici van de huidige regering en haar gedogers als de grote vernielers in plaats van vernieuwers. Ik zie hooguit vitaliteit ontstaan aan de kant van geld, macht en status. De idealisten onder ons verliezen hun energie aan het tegen de geldstroom in roeien.

De Ja-sprong. Naar een nieuwe vitaliteit in de kunstAnna Tilroe, Uitgeverij Querido, Amsterdam 2010, ISBN 978 90 214 57350

Comments