Jan Fabre

Hortus/Corpus. Circus Fabre strijkt neer op de Hoge Veluwe

In het Kröller-Müller Museum is een groot en indrukwekkend overzicht te zien van de beeldende kunst van Jan Fabre (Antwerpen, 1958), de Belgische duivelskunstenaar die ook furore maakt als theatermaker en schrijver. Zowel in de beeldentuin als in het museum zijn werken en installaties te vinden waarin alle aspecten van zijn veelzijdige idioom aan bod komen, inclusief brons, botten, bic-inkt, Murano-glas en punaises. In de pers werd en wordt altijd veel aandacht besteed aan Fabre de provocateur en die is ook hier weer prominent vertegenwoordigd met zijn bloed- en spermatekeningen en zijn ejaculerende zelfportret als ‘fontein’. Maar er is gelukkig veel meer: geëngageerd werk dat het Belgische kolonialisme op de hak neemt, naast gelaagde sculpturen en installaties met een grote filosofische impact.

Door Jet van der Sluis

Scarabee

Het eerste beeld dat je als bezoeker tegenkomt is De man die de wolken meet (1998), een realistische afbeelding van Fabre zelf terwijl hij balancerend op een trap met een liniaal de wolken probeert op te meten. Het persbericht vermeldt dat dit beeld symbool staat voor Fabres opvatting van het kunstenaarschap, namelijk “balanceren op de rand van het mogelijke en onmogelijke”, maar na het zien van de tentoonstelling bekroop me het idee dat hij hier veeleer bezig is om God de maat te nemen. Jan Fabre filosofeert met zijn kunst over de plaats van de mens binnen het grote geheel van de schepping. Hij lijkt daarbij geobsedeerd door zijn - en onze! - dierlijke lichamelijkheid die de meeste mensen proberen te verhullen onder een dun vernis van beschaving.

Een andere fascinatie van de kunstenaar geldt de mestkever, het insect dat al door de Egyptenaren met heilig ontzag werd benaderd, omdat zijn nakomelingen als vanzelf te voorschijn lijken te komen uit de door de kever gerolde ballen van mest. Bij de ingang staat een goudkleurig, uitvergroot exemplaar van dit oersymbool van de scheppingskracht op een natuurlijk altaar in de vorm van een afgezaagde boom. In veel van zijn sculpturen en installaties verwerkt Fabre de kleurige schilden van ontelbaar veel kevers en met dit vreemde, maar prachtige materiaal creëert hij imposante beelden die gaan over grote thema’s als uitbuiting, uitsterven en leven en dood.

Fabre heeft een bijzonder gevoel voor humor: niet alleen relativeert hij de naam van de expositie Hortus/Corpus door te benadrukken dat deze hem vooral bevalt door de associatie met ‘hocus pocus’, maar quasi ernstig legde hij de verzamelde pers ook uit “dat hij aan de zaalinstallatie Ik heb een stuk uit het plafond van het koninklijk paleis moeten nemen omdat er iets uitgroeide (2008) wel een mishandelde, dode neger ‘moest’ toevoegen, omdat anders alle aandacht uitsluitend naar de esthetiek uit zou gaan”. Daarin heeft hij overigens gelijk, want dit nagebootste fragment van zijn grote opdracht voor de Congozaal van het koninklijk paleis in Brussel is allereerst betoverend mooi, ondanks de overduidelijke symbolen van koloniale uitbuiting aan de omringende wanden, waar onder andere diamanten, chocolade en gesels refereren aan de bloedige geschiedenis van dit wingewest.

Lees meer in Beelden 2#2011. Neem een abonnement of vraag een proefnummer aan.

www.kmm.nl

Lees ook het artikel over de tentoonstelling van Jan Fabre in Antwerpen in 2006 en Jan Fabre in Zwolle in 2010. 

Comments