Jan Fabre in Antwerpen

Doodsverlangen en verlossing in de beeldende kunst van Jan Fabre

Jan Fabre zoekt naar de zin van het bestaan, in het besef dat er geen antwoord is. Deze zomer wordt zijn beeldende werk belicht in een reeks tentoonstellingen met de titel Homo Faber. Een voorproefje voor een solo in het Louvre in 2008.

Door Anne Berk

Achilleshiel

De man die de wolken meet (1998) is een zelfportret van Jan Fabre, net als een aantal andere, letterlijk schitterende beelden in de exposities. Ze zijn van top tot teen bedekt met gouden punaises, de punten naar buiten gekeerd. Een banaal materiaal dat wordt getransformeerd in een gouden stralenkrans, aura en een pantser tegelijk. Ik, aan het dromen (1979) in het Mukha, Antwerpen is een sleutelwerk dat Fabre op zijn eenentwintigste maakte. De kunstenaar zit aan een tafeltje, getooid met de bolhoed van Magritte, symbool voor zijn kunstenaarschap. Hij is bedekt met punaises, alleen zijn benen en de tafel- en de stoelpoten bestaan uit rauw vlees, hesp op zijn Vlaams. Zo jong als hij is, is Fabre zich bewust van zijn kwetsbaarheid. Hij toont wat achter de façade, onder het pantser schuilgaat: ons vlees. De wetenschap kan het leven met allerlei kunstgrepen verlengen, maar de dood wacht, onverbiddelijk. En dan?

Fabre maakte dit beeld na de performance My body is my object, my object is my body, waarbij hij zijn benen tot bloedens toe open schuurde. Een performance die naadloos aansluit bij de Body-art uit die tijd, toen Gina Pane, Ana Mendieta en Marina Abramovic de grenzen van hun lichaam verkenden en zichzelf verwondden. Maar terwijl deze Body-artkunstenaars het lichaam zelf als kunstwerk presenteren, gaat Fabre een stap verder. Zijn performances vormen aanleiding voor beelden en tekeningen, waarin hij zijn lichaamsvocht (tranen, sperma of bloed) transformeert.

Religieuze kunst

Fabre’s inspiratie ligt niet in de actuele Body-art, maar in de religieuze kunst die hij als kind in het museum zag. In de schilderijen van kruisigingen en lijdende Christussen uit de 15de en 16de eeuw die nu zijn werk in het Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen flankeren. Fabre is niet katholiek. Christus is een voorbeeld en rolmodel, zonder de gebruikelijke context. ‘Het gaat me niet om religie, maar om spiritualiteit. Het Christendom is niet origineel, het heeft oude rituelen ingekapseld. Het lichaam is een container, met oeroude materialen die een geheugen hebben. In de theatertekst Ik ben bloed (een middeleeuws sprookje, 2001), schrijft hij:  

“Het is 2001 na Christus

en we leven nog steeds...

Met hetzelfde lichaam

Dat nat is van binnen

en droog van buiten”

Fabre tast de grenzen van het lichaam af en gaat daar zelfs aan voorbij, zo blijkt uit de glinsterende, met punaises beklede ‘gehangene’ (
Dependens, 1979-2003), die vlak na Ik, aan het dromen ontstond. ‘Een zelfportret,’ bekent Fabre. ‘Mijn vader sneed het touw door. Zo ver zou ik nu niet meer gaan, maar ik leef nu wel veel intenser. In onze cultuur is de dood uit het leven verbannen, maar ik zie de dood niet als iets negatiefs. De dood houdt mij alert.’ Aan de voet van een altaarstuk met de Aartsengel Michaël, overwinnaar van de draak, ligt Fabre opgebaard als vergulde spijkerman. En Ik laat mij leeglopen (2006), een realistisch, luguber zelfportret met bloed dat uit zijn broek sijpelt. Is dit een sprookje? Een doodsverlangen? Het sterven als verlossing uit de kerker van het lichaam?

Heilige pillendraaier

Gelukkig heeft Fabre ook humor. In de tekeningenserie My blood, my body, my landscape (1978) is een mug neergestreken op een groot vel papier, om zich te goed te doen aan een druppel bloed van de kunstenaar. Als kind was Fabre al gefascineerd door insecten. Hij trok een vlieg de vleugels uit en monteerde ze op een spin. Hij creëerde Siamese tweelingspinnen, enzovoorts, en sinds zijn ouders hem attendeerden op het werk van de entomoloog en naamgenoot Jean Henri Fabre (1823-1915) zijn insecten niet meer weg te denken in zijn werk. Hij tekent ze met bloed of met een blauwe Bic pen. Hij verandert zichzelf in een insect (Sanguis/Mantis, 2001) of maakt sculpturen die zijn opgebouwd uit de skeletjes van duizenden insecten. De mestkever is daarbij een dankbare metafoor. De Scarabeus Sacer (Heilige Pillendraaier) heeft de gewoonte een bal mest voort te duwen waarin hij zijn eitjes legt. Na verloop van tijd kruipen de jonge kevers uit de mest en dat verklaart waarom de Egyptenaren de scarabee aanbaden als symbool van wedergeboorte. Jurken van kevers veranderen in engelen en de onvergankelijke keverskeletjes zijn ‘boodschappers van de dood’, volgens Fabre. Een verticaal hangende badkuip beplakt met pauwblauwe kevers verandert in een sarcofaag. Een grafkist met juweelkevers krijgt de vleugels van een zwaan om ons naar de hemel te dragen. Ze zijn onvergetelijk mooi. De schoonheid als troost, om ons met de dood te verzoenen. 

 

 

Comments