Jan Fabre in Zwolle

Jan Fabre in Zwolle

Zwolle is deze zomer Jan Fabrestad. Verschillende aspecten van de veelzijdige Belgische kunstenaar (Antwerpen 1958) komen er uitgebreid aan bod, in woord en beeld. Museum de Fundatie pakt uit met de tentoonstelling ‘De geleende tijd’. 

Door Geraart Westerink

Veelzijdig

De komst van een Kunst- en een Expressieacademie het afgelopen decennium heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat Zwolle een uitstekende locatie is geworden om het werk van Jan Fabre uit te lichten. Want deze veelzijdige en grillige kunstenaar en theatermaker beoefent en verbindt met groot gemak verschillende kunstdisciplines, waarbij grenzen niet lijken te bestaan of hooguit een uitdaging zijn om te overschrijden. Begonnen als schrijver, betrad hij al snel het terrein van de beeldende kunst, de fotografie en het theater, om in 25 jaar tijd een snel expanderend universum te scheppen, met ongekende dimensies maar wel met herkenbare fascinaties en uitgangspunten. Bij uitstek een inspirerende figuur voor kunststudenten en eigenlijk voor iedereen die probeert te ontkomen aan de hokjesgeest die de hedendaagse mens vaak parten speelt. Op de tentoonstelling De geleende tijd in het Paleis van De Fundatie aan de Blijmarkt worden bijna 130 tekeningen en denkmodellen van Fabre getoond, rondom registraties van zijn theaterstukken. Dit rijke materiaal, dat op videoschermen te zien is, wordt aangevuld met tweehonderd foto’s die derden van die theaterstukken maakten. Onder hen bevinden zich Maarten Vanden Abeele, Wonge Bergmann, Pierre Coulibeuf, Jorge Molder, Carl de Keyzer, Robert Mapplethorpe, Helmut Newton, Filip van Roe, Patrick Selitto en Jean-Pierre Stoop. De kern van Fabres werk is de zoektocht naar de grenzen van lichaam en geest. Een zoektocht die moet leiden naar nieuwe inzichten. Het is het menselijk lichaam dat die zoektocht draagt en visualiseert. Het wordt op allerlei mogelijke manieren verkend, gepijnigd, onderzocht en gebruikt. Dit levert beelden van grote schoonheid op, maar ook shockerende en confronterende. Vaak snel opeenvolgend want Fabre houdt van contrasten. Een clownskop wordt bedreigd door zwarte vogels. Een vredesduit ontpopt zich als vampier. Koppen van onschuldige speelgoedbeesten zijn van hun pluchen lijf ontdaan en op skeletten gezet, waar slangen omheen kronkelen. Lust, geweld en dromen zijn slechts enkele thema’s die opduiken.   

De tentoonstelling

De tentoonstelling bestaat uit twee grote zalen met daaromheen een aantal kabinetten. Ze zijn clustergewijs ingericht. Meestal is er per cluster een registratie van een voorstelling te zien, vergezeld van een aantal tekeningen of driedimensionale denkmodellen van Fabre en een aantal registraties door een van zijn collega’s. In wezen zijn de tekeningen en denkmodellen de kern. Ze geven inzicht in Fabres creatieve proces en zijn de basis voor zijn theater-, opera- en dansproducties. Of, zoals hij zelf zegt: “Mijn tekeningen vormen een dagboek van mijn denken: ideeën voor theater, decorontwerp, choreografie, kostuum en objecten. Sommigen daarvan worden later sculpturen, andere inspireerden mij tot het schrijven van mijn teksten.” In zijn huis heeft hij verschillende plekken waar hij verschillende soorten tekeningen maakt. Die veelzijdigheid van zijn tekenstijl komt in de tentoonstelling goed tot uiting. Zij wordt voor een belangrijk deel bepaald door het gebruikte materiaal, dat kan variëren van Bic-balpeninkt tot aquarelverf en potlood. Er is een opvallende eenheid in de tekeningen die tot één reeks of schetsproces behoren. Elke afzonderlijke reeks heeft daardoor een geheel eigen sfeer. Dat geldt ook voor de - meestal fotografische - registraties van Fabre’s voorstellingen door derden. Prachtig is de interpretatie door Robert Mapplethorpe van De macht der theaterlijke dwaasheden, die de internationale doorbraak van Fabre bespoedigde. De foto’s zijn eigenlijk opvallend braaf en ingetogen vergeleken bij de videoregistratie van het originele stuk, toch blijven het echte Mapplethorpes. Dat geldt eveneens voor de foto’s die Helmut Newton maakte van Das Glas im Kopf wird vom Glas (1987), met hun ‘ordinaire chic’. Ook Vanden Abeele, Molder en de meeste anderen voegen een extra aspect toe, een persoonlijke noot, een eigen interpretatie, die de tentoonstelling verrijkt. Deze bijdragen van derden en de eigenhandige tekeningen en denkmodellen van Fabre zijn boeiend genoeg van zichzelf, maar voor een optimaal begrip en een analytischer oordeel moet de toeschouwer toch bekend zijn met het uiteindelijke theaterwerk. En daar wringt de schoen. Weinigen zullen dat integraal kennen. Het bekijken van alle videoregistraties op de tentoonstelling vergt zestien uur! Dat is niet realistisch. Dus moeten er keuzes worden gemaakt: of een relatief oppervlakkige rondgang met ‘hapsnap’ consumptie van een aantal getoonde beelden; het concentreren op één, of een paar clusters; of het opnemen van een paar snipperdagen voor een complete zit. Dat zullen weinigen doen. Elke keuze is een compromis. Desalniettemin presenteert de Fundatie een fascinerende tentoonstelling die mogelijk wat meer inzicht geeft in het rijke, maar bizarre geestesleven van Jan Fabre.    

De blauwglazen Tafel voor de ridders van de wanhoop (VERZET) van Fabre, zal permanent in de collectie blijven. De aankoop staat te pronken in de Grote Sael van kasteel het Nijenhuis, de andere locatie van De Fundatie.

De Geleende Tijd, Museum de Fundatie - Paleis aan de Blijmarkt, Zwolle, 6 juni t/m 29 augustus 2010. www.museumdefundatie.nl

   

 

 

 

Comments