Johan Tahon

Cross-overs in de kunst: Johan Tahon

Kunstenaars die de gebaande paden verlaten en het avontuur aangaan, ontwikkelen vaak spannende cross-overs. Door zich op een totaal ander medium te richten dan waartoe ze zijn opgeleid of een bijzondere mix aan media toe te passen, krijgt hun werk een nieuwe dimensie. In een ver verleden volgde Johan Tahon beeldhouwkunst aan de Academie voor Beeldende Kunst in Gent. Tegelijkertijd was hij steeds gefascineerd door de Middeleeuwse keramiek. Uit die mix zijn fascinerende, eigentijdse beelden ontstaan waarin het maakproces sterk naar voren komt. Dit jaar heeft Johan Tahon twee grote museale presentaties in ons land.

Door Etienne Boileau

Een oud café met schrijnwerkerij / zagerij uit de jaren dertig voorbij Gent dient als woonstede en kantoor. Aanpalend staat een langgerekt gebouw met meerdere lessenaardaken, waar een atelier in gevestigd blijkt. Als ik naar binnen kijk, ontwaar ik een overvloed aan beelden; grootse mensfiguren in keramiek, kleinere gipsen koppen op houten sokkels, en af en toe een abstract bronzen object op een tafel langs de wand. Hier werkt Johan Tahon, een van de belangrijkste beeldhouwers van dit moment. Zo ongrijpbaar en melancholisch als zijn werk is, zo vriendelijk en aimabel is de kunstenaar. We praten in zijn kantoor annex woonhuis met uitzicht op het golvende groene landschap van de Vlaamse Ardennen.

Waarom bent u kunstenaar geworden?
“Ik maakte op mijn vijftiende al beelden. Als kind ben ik begonnen met klei te werken op de Academie (DKO) in Menen. Wat spel was, groeide geleidelijk aan naar sculptuur.”

Op uw negentiende ging u naar de Academie in Gent. Hoe was het onderwijs daar?
“Goed, daar heb ik het klassieke beeldhouwen verder gezet, maar de keramiek heb ik er niet losgelaten. In die tijd zaten de afdeling keramiek en beeldhouwen naast elkaar in een aparte vleugel van het hoger kunstonderwijs. Er was veel onderling contact. Alles wat in die tijd als ruimtelijk werd gezien, werd samengestoken. Wij, de beeldhouwers en keramisten waren een apart volkje in de academie.”

In de jaren negentig werd u ontdekt door Jan Hoet, hoe ging dat in z’n werk?
“Ik leefde in die tijd in armoede. Ik maakte mijn gipsen beelden omdat dat voor mijn eigen psyche noodzakelijk was, maar geloofde niet dat er een plaats voor bestond. Jan Hoet was totaal verrast toen hij op mijn atelier kwam. Hij heeft mij onmiddellijk in zijn museum (S.M.A.K. in Gent, red.) gebracht en dat werd een enorm succes: er ging geen week voorbij of er verscheen wel ergens een pers-artikel. Al heel snel zat ik bij een galerie waar ik tussen de wereldtop verkeerde: Tony Cragg, Ilya Kabakov, Stephan Balkenhol en andere grootheden. Maar daar ben ik overigens met veel plezier weggegaan. Uiteindelijk ben ik op een heel bevoorrechte plaats terecht gekomen. Ik kan mijn eigen keuzes maken en ‘nee’ zeggen tegen zaken die me niet aanstaan. Ik werk wanneer ik zin heb, ik heb een goed huis, en ik heb vooral mijn vrijheid. Soms werk ik met twee assistenten. Ook heb ik een prima galerie in Nederland. In Los Angeles en New York heb ik een agent. In Vlaanderen wil ik geen vaste galerie; Vlaanderen is te klein en ze weten me toch wel te vinden.”

Welke betekenis hebben die grote gaten in uw keramieke beelden? 
“Heel veel van de dingen in mijn werk gebeuren eerst als een soort van praktische oplossing of experiment. Die gaten maakte ik in eerste instantie om het beeld in keramiek wat lichter te maken, makkelijker te transporteren en sneller te laten drogen. Op een bepaald moment kregen die gaten ook een psychologische betekenis. Denk aan een trauma. Daarbij valt de grens tussen binnen en buiten weg, tussen wie je zelf bent en wat de wereld is. Die grens wordt bij trauma overschreden, zegt men in de psychologie. Je zelfrespect en eigenheid worden geschonden. Het wegvallen van de grens tussen binnen en buiten krijgt vorm via die gaten. De toeschouwer ziet dwars door het lichaam heen.” 

Gaat uw werk over het onderbewustzijn, waarin bij menigeen het nodige puin rondzwerft?
“Een heel sterke zin die je daar vertelt en die ik onmiddellijk begrijp. Inmiddels is bewezen dat trauma’s uit het verleden ook genetisch worden doorgegeven. Dit soort puin begrijp ik wel. Mijn leven lang ben ik bezig met psychologie, met een soort zelfonderzoek. Ik spreek met mensen die daarover een grote kennis hebben zoals filosofen, geestelijken en therapeuten, ook met psychiaters. Het meeste aansluiting vind ik bij die mensen die een soort van mystiek verlangen kennen en een contemplatieve manier van leven hebben. Ik ben er niet in geslaagd totaal in de spiritualiteit op te gaan - ik heb verschillende dingen in mezelf - maar het doet wel goed om met deze mensen een uitwisseling te hebben.”

Ziet u zichzelf als een spirituele zoeker?
“ Zeker, bij mij thuis was er weinig affectie, mijn vader was een moeilijke man. Er werd denk ik daarom meer gedacht en gepiekerd dan in andere gezinnen. Ik begon al vroeg in eenzaamheid na te denken over filosofische zaken. Het denken evolueert zich dan verder in eenzaamheid en gesloten in zichzelf. Ik heb mijn interesse in het sjamanisme en het boeddhisme gehad, in de dieptepsychologie van Jung, en eigenlijk in zoveel bewegingen. Maar met de grote mystici binnen het christendom en de soefi beweging voel ik het meeste verwantschap; daarbinnen is genoeg kennis aanwezig. Zo lees ik graag de geschriften van Meister Eckhart, een dominicaanse mysticus uit de dertiende eeuw. Zijn geschriften zijn van een kosmisch niveau, zonder dat het zweverig wordt. Een universele aanpak van een christelijk denker die andere religies niet uitsluit. Uiteindelijk ben ik mezelf een cultuurchristen gaan noemen.”

Komt u ook in een soort flow als u aan het werken bent in uw atelier?
“Soms kom ik tijdens het werken in een toestand die lijkt op een soort van gebed. Dat gebeurt niet op commando, maar je moet wel een situatie en een sfeer creëren waarbinnen het zou kunnen gebeuren. Terwijl je heel geconcentreerd werkt, vergeet je tijd en plaats en dan opent je geest zich naar een grotere en poëtische dimensie. Zo’n situatie is heel nederig, voorzichtig en fragiel.”

Heeft uw werk directe religieuze verwijzingen?
“Neen, wat ik wil laten zien in mijn beelden is niet vatbaar, is niet te snappen en is ook niet letterlijk uit te beelden. Het is voor mij heel moeilijk vast te houden en of mijn publiek het snapt is niet belangrijk voor mij. Ik ben heel weinig bezig met wat het publiek van mijn werk vindt.”

In Hannover is recentelijk uw beeld Zwillinge geplaatst, was dat een moeilijke opdracht?
“Die opdracht was voor mij zo licht als maar kan. Ik heb het werk gemaakt in opdracht van de Evangelische Landeskirche. De negatieve rol van de kerk tijdens de Holocaust speelde daarbij een belangrijke rol. Ik heb twee bijna identieke figuren naast elkaar geplaatst, om het beeld te laten lezen als een tweeling binnen het religieuze en om te vragen ‘waar zit het verschil?’ Ernaast staat een laddervorm waarmee je een spirituele klim suggereert. Er was een wedstrijd aan vooraf gegaan met tientallen anderen, maar ze kwamen er niet uit. Toen heeft de organisatie nog een paar andere kunstenaars gevraagd naar hun ideeën. Ik heb een schetsje ingestuurd en kreeg plots te horen dat dat het geworden was.”

Wat ziet u als de functie van een monument?
“Een monument is een plaats om bij stil te staan: het rituele karakter is daarbij zeer zeker van belang.”

Met welke opdracht bent u nu bezig?
“Op dit moment werk ik aan een nieuw beeld voor de Universiteit van Brussel. Het wordt tien meter hoog en in brons uitgevoerd. Het moet een ontmoetingsplaats worden en komt centraal op de campus te staan, zodat de studenten er erbij kunnen afspreken. Mooi dat kunst soms ook een sociale functie krijgt.”

Wat ziet u als de taak van een kunstenaar?
“Ik zie het als zijn of haar taak om heel diep te gaan. Als je een goed kunstenaar bent en je werkt via de intuïtie dan ben je ook mysticus. De kunstenaar heeft de maatschappelijke plicht om zijn onderzoek volledig te delen met de mensen die er vragen over hebben. ”

We stappen in de auto en rijden naar een loods op een bedrijventerrein in Oudenaarde. Binnen komen we in een soort grot terecht. Ver weg van iedereen werkt Tahon daar aan immense beelden. Fantomen zijn het die lijken op engelen en carnavalsfiguren. Terwijl hij uitleg geeft over zijn beelden, vertelt hij niet helemaal te begrijpen wat er in zijn hoofd gebeurt als hij aan zijn beelden werkt.

“Ik kom in een staat van verliefdheid als ik aan het werk ben en probeer die staat zo lang mogelijk vast te houden. Dan heb ik het gevoel een soort archaïsch contact te hebben, de geschiedenis van de sculptuur en van het mens zijn aan te raken. Ik ben dankbaar voor dat trancegevoel. Om in die toestand te komen houd ik me aan vaste gewoonten. Zoals rituelen in een kerk of moskee nodig zijn om in een bepaalde toestand te komen.”

Zijn rituelen ook nodig in een samenleving?
“Ik denk dat wanneer we het spirituele en het rituele via teveel gerationaliseer wegnemen van de mensen, het spirituele toch weer spontaan ontstaat via een andere weg. Ik ben in de Soefieschool in Bursa in Turkije geweest, en wat er daar aan rituelen gebeurde, dat ging zo diep, dat kennen we niet bij ons. Wilhelm Lehmbruck (op de lijst van de Entartete Kunst, red.) zat op dezelfde plaats die ik in de beeldhouwkunst nu bezet houd: het mystieke gedeelte van de sculptuur.”

Komend jaar heeft u twee presentaties in Nederlandse musea. Wat laat u daar zoal zien?
“Heel verschillende zaken; ik heb genoeg werk in het atelier om beide tentoonstellingen te vullen. Ik heb zelfs dingen moeten weglaten. Maar laat ik zeggen dat ik in verhouding tot Picasso zeer weinig doe. De presentatie in het Keramiekmuseum Princessehof is wat braver en kleiner, daar laat ik tien monniken zien. In het Bonnefantenmuseum toon ik o.a. dit beeld met meerdere hoofden: een bovenmenselijke affectieve houding. Het komt er in gips te staan. Ik krijg vier zalen in het museum. In een van die zalen maak ik een ateliersituatie zoals hier. Zeer chaotisch, de beelden staan opeen gepakt alsof ik er zelf aan het werk ben. In de andere zalen worden de geselecteerde werken mooi gepresenteerd. Beide tentoonstellingen duren een jaar lang.”

Hoe komt het dat de Vlaamse kunst het zo goed doet in Nederland?
“Mijn verhaal wordt daar nog beter begrepen dan in Vlaanderen. In Nederland is er meer opening naar het psychologisch onderzoek en het zelfonderzoek dan in Vlaanderen. De geesteswetenschappen zijn er veel beter ontwikkeld.

Als ik naar uw werk kijk, krijg ik associaties met carnavalsfiguren op praalwagens.
“Ik begrijp dat heel goed, want ik kijk soms ook gefascineerd naar die carnavalsreuzen.
Dat zijn eigenlijk foklorebeelden, die ontstaan zijn in de Middeleeuwen en nu dus nog bestaan. Mijn werk is er zeker familie van. Maar je kunt er ook Egyptische elementen in zien, steles, en totemvormen. Zo’n beetje de hele geschiedenis van de beeldhouwkunst zit in wat ik doe. Alsof ik die zelf wil ervaren van nul tot monument. In mijn atelier kan ik door het maken van beelden de geschiedenis van de beeldhouwkunst herbeleven. Het werk schommelt tussen figuratie en abstractie. Soms heb ik zin om een mooi gezicht te maken en een ander keer denk ik ‘dat is hier niet belangrijk’, en wordt het gezicht bijna een veeg.”

Bij veel van uw keramische beelden kun je het maakproces goed zien. Waarom doet u dat?
“Mijn oven is niet zo groot, dus maak ik ze in delen die ik later met lijm ertussen op elkaar plaats. Die naden en de lijm laat ik bewust zien. Dat is voor mij heel belangrijk. Zou ik het beeld schuren en polijsten dan krijg je een perfectie die er niet toedoet. Je kunt dan niet meer zien welke weg de beeldhouwer heeft afgelegd om tot het beeld te komen. Als we ons in onze breekbaarheid, onze menselijkheid en ook met onze gebreken laten zien aan de ander dan ontstaat er een hele diepe menselijke uitwisseling. Mijn werk gaat vooral over die intermenselijke communicatie. Het beeld, het object - hoe gebrekkig soms ook - is de bemiddelaar tussen de personen.”

Johan Tahon, Monk, Keramiekmuseum Princessehof, Leeuwarden, 2 december 2017 t/m 25 november 2018

Johan Tahon, Beating around the bush, Episode #5, Bonnefantenmuseum, Maastricht, 26 januari t/m 2 december 2018

Copyright 2017 © Etienne Boileau

Fotocredits: foto 1 en 2 G.J. Hoogland, foto 3, 4 en 5 Gert Jan Van Rooij.

 

Comments