Kunstenaars gaan niet met pensioen

Het pensioen van de Rotterdamse kunstenaar

 

Uitgeverij Duo/Duo gaf sinds 1997 drie boeken met verhalen van de ouder wordende Rotterdamse kunstenaars uit. Deze reeks geeft een goed beeld van hoe de Rotterdamse kunstscene zich ontwikkelde in de twintigste eeuw tot aan nu. 

In de twee eerdere delen, Rijk ben ik er niet van geworden (1997) en Zestig Plus+ (2007) zijn Rotterdamse kunstenaars, geboren tussen 1903 en 1947, geïnterviewd. Dit derde deel, Kunstenaars gaan niet met pensioen, 48 Rotterdamse beeldende kunstenaars, beschrijft de volgende generatie.

 

Door Astrid Tanis

 

Kunstenaars gaan niet met pensioen dekt op twee manieren de lading. Kunstenaars werken gewoon door na hun pensioengerechtigde leeftijd en velen konden geen pensioen opbouwen uit hun kunstenaarsarbeid. Het zijn eigenlijk ZZP-ers die, als ze veel geluk hadden, van hun werk konden leven. Het merendeel echter kon dat niet zonder nevenwerkzaamheden om in hun levensonderhoud te voorzien. Kunstenaars behoren doorgaans niet tot de bevolkingsgroep die je gekscherend de homo-economicus kan noemen. Ze behoren eerder tot de zeldzamere soort; homo-idealisticus. 

 

Leed

Als ik dit schrijf is de coronacrisis in volle gang. Drama’s van persoonlijk leed door de ziekte, wisselen elkaar af met persoonlijk economisch leed. Het is geen feestje dit virus maar het schudt wel aan de grondvesten van onze samenleving. De homo-economicus trok de laatste decennia aan de touwtjes en duwde de homo-idealisticus in een zwijgzaam hoekje. Idealisten vind je in beroepen met intrinsieke waarde die niet te vertalen is naar economische waarde, intrinsieke waarden zijn bijvoorbeeld ethisch en esthetisch van aard of beidde. Drijfveren in de zorgsector zijn ethisch van aard en in de kunst meer esthetisch. De financieel gedreven soortgenoten bezuinigde op de producten met intrinsieke waarde omdat ze de taal die daar gesproken wordt helemaal niet begrijpen. De homo-economicus wist heel handig de zorgproducenten, -consumenten en gepassioneerde creatievelingen neer te zetten als maatschappelijke paria’s. Ze kosten geld en maken niet de rijkere nog rijker. De coronacrisis legt op deze vrijemarktmanipulatie een vergrootglas die, ondanks alle dramatiek, heel verhelderend is. Terwijl grote ondernemers kijken hoe ze een graantje mee kunnen pikken uit de genereuze gebaren die de overheid momenteel maakt, lijden coronapatiënten aan een ziekte waaraan nog niets te verdienen valt voor de pharmaceutische industrie, werken verpleegkundigen uit sectoren waar personeelstekort is zich uit de naad, staan podiumkunstenaars op straat de longen uit het lijf te zingen voor buurtbewoners in quarantaine en gaan de beeldend kunstenaars dagelijks naar hun atelier om productie te draaien. Geen probleem voor de kunstenaars, ze hadden al bijna geen geld en quarantaine is hun tweede natuur. Winstgevende bedrijven daarentegen als Booking.com zorgen dat zij niets te kort komen en de directeur van KLM probeerde nog snel een schaamteloze bonus binnen te slepen op kosten van de staat. Dat lukte niet, helaas voor hem, dus hij zal het met zijn half miljoen euro gewone salaris moeten doen dit jaar. De kunst werd jaren gezien als de maatschappelijke paria net als de consument die ziek werd en daardoor de winst van zorgverzekeringen niet tot het uiterste opzweepte. Dit alles om in de topsalarissen van de topmanagers uit het verzekeringswezen te voorzien. Ieder jaar zie je zorgverzekeringen duurder worden met als smoes dat de zorg duurder wordt, het eigen risico loopt op en de restricties aan wat vergoed mag worden uit de basis of aanvullende verzekeringen worden afgeknepen. CZ maakte twee jaar geleden140 miljoen winst op wat wij als consumenten moeten betalen. Corona maakt pijnlijk duidelijk wie de echte paria’s zijn en dat zijn niet de mensen die zorg geven of consumeren, het zijn zeker ook niet de kunstenaars. Kunstenaars werken vanuit een persoonlijke passie om te creëren ook al levert het financieel niets op. 

De kunstwereld balanceerde al jaren op een randje van de financiële afgrond door bezuinigingsronde na bezuinigingsronde. Ideologie en gedrevenheid zorgden ervoor dat kunstinstellingen toch altijd wel een weg vonden, maar betaalbare podia voor de individuele kunstenaar die zagen we verdwijnen, zodat zij de creativiteit die eigenlijk in het werk zou moeten zitten gedeeltelijk zien verdwijnen in broodnodige overlevingsstrategieën. 

 

Bevrijding

In Kunstenaars gaan niet met pensioen kun je tussen de regels door lezen dat het bereiken van de pensioensgerechtigde leeftijd voor sommige kunstenaars voelt als een bevrijding. Niet de bevrijding van de arbeid maar de bevrijding van financiële onzekerheid en bijbaantjes die je afhouden van het creëren van kunstwerken. De AOW leeftijd geeft de kunstenaars eindelijk een minimaal inkomen zodat ze niet continu de eindjes aan elkaar hoeven te knopen. Marjolein van den Assem is een kunstenaar die in haar loopbaan gesteund werd door zowel een tentoonstelling in de gerenomeerde galerie van Albert Waalkens in Finsterwolde en door Josine de Bruyn Kops van Museum Gouda en later ook door Liesbeth Brandt Corstius van het Arnhems Museum. Toch zegt ook zij “Ik voel me steeds meer geroepen mijn beroepsgroep in bescherming te nemen. Het blijkt dat als je een ruimte ter beschikking krijgt, er verder helemaal niets wordt geregeld, geen vervoer, geen steiger, geen assistentie, geen honorarium. Dat zie je echt ook steeds meer, ook in musea, iedereen wordt betaald behalve de kunstenaar”. Ze zegt ook dat je vaak niet kunt leven van je kunstenaarschap ondanks verkopen en stipendia.

De meeste kunstenaar geven niet echt om meer geld dan strikt noodzakelijk. Als geld de drijfveer was, hadden ze waarschijnlijk een ander beroep gekozen. Ze maken kunst vanuit een innerlijke noodzaak. Henk de Bont, tekenaar, heeft van zijn kunst kunnen leven maar hij vindt de erkenning voor zijn werk eigenlijk belangrijker dan het geld. Ondanks zijn pensioen komt hij nu nog dagelijks in zijn atelier. Dat lees je in de meeste verhalen van de kunstenaars, waar andere gepensioneerden gaan overwinteren in Spanje of hun leven met vrijetijdsbestedingen gaan vullen, gaan de kunstenaars gewoon door op het pad dat ze ooit insloegen. Kunstenaar zijn overstijgt het begrip beroep; het is een beroep maar ook een manier van leven dat je pas loslaat als je lichaam echt niet meer kan. 

 

Doorbreken

Mia van der Burg studeerde in 1985 af op de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten met prachtig werk kan ik mij herinneren. Nu zie ik haar in Kunstenaars gaan niet met pensioen met nog steeds prachtig werk staan, alhoewel van een heel andere orde. Toen waren het zware beelden van beton en nu zijn het zachtere textiele vormen. Ze exposeerde en verkocht af en toe werk maar echt doorbreken deed ze nooit. Ze moest altijd nevenwerkzaamheden doen om het kunstenaarschap vol te kunnen houden. Ik heb dat vaker gezien, doorbreken als kunstenaar is vaak meer een kwestie van geluk dan talent. Je moet de juiste mensen op de juiste plek en op het juiste moment tegenkomen. Als deze drie dingen samenvallen heb je een kans. Naarmate je ouder wordt dan nemen je kansen af. Lang geleden werd het werk van de rijpere kunstenaar gewaardeerd. Hij had een ontwikkeling doorgemaakt en de kwaliteiten groeiden met de tijd. Dat is natuurlijk nog steeds zo maar op de een of andere manier bestaat daar binnen de kunstwereld geen oog meer voor. Die waardering ging in de naoorlogse tijd steeds meer verloren. Alles moet nu snel en jong zijn. Voor de oudere kunstenaar ontbreken de podia en het netwerkt brokkelt af als de oudere tentoonstellingsmakers met pensioen gaan en de critici die bepaalde kunstenaars een leven lang volgden hun pen opbergen en zich voegen bij het gepensioneerde legioen dat aan vrijetijdsbesteding doet. Het zegt iets over de instelling van de gemiddelde kunstenaar als je ziet dat deze gewoon door blijven gaan. 

 

Balans

Iets ander wat in de loop der jaren veranderde, is dat de mensen die kunst beoordelen dit het liefst doen met een stevig CV in de hand. In deze tijd is het haast ondenkbaar dat men de kunstacademie, zoals Marjolein van den Assem deed, voortijdig verliet. Willem van Drunen moet grinniken als hij op Wikipedia leest dat hij de kunstacademie heeft afgemaakt. Hij is er nooit op geweest, dat kon toen nog. Toch werd hij onderdeel van het succesvolle kunstenaarstrio Kunst en Vaarwerk dat spectaculaire kunstwerken in de openbare ruimte neerzette. Ondanks dat heeft ook hij periodes gehad dat hij in de standbouw of winkelinrichting moest bijverdienen. Zoals voor zoveel kunstenaars waren deze werkzaamheden er slechts om het hoofdberoep van kunstenaar te ondersteunen. Inge van Haastert won in 1979 de prestigieuze Koninklijke Prijs voor de Vrije Schilderkust. Ze exposeerde regelmatig maar verkocht niet altijd voldoende om in haar levensonderhoud te voorzien. Tijdens de BKR-regeling kon zij goed kunst produceren maar daarna werkte ze als atelierassistent en zelfs af en toe bij in de zorg. Ze spreekt over de moeilijkheid om een balans te vinden tussen geld verdienen en werken in het atelier. Ze vond de afschaffing van de BKR als vangnet lastig en is blij met haar AOW als nieuw vangnet. 

 

Iets onzichtbaars

Nico Kervezee, bevoer de zeeën als marinier tot hij naar de kunstacademie ging. Hij ervaart zijn academieperiode alsof hij eindelijk thuis is. Als hij afstudeert bestaat de BKR niet meer en is hij gedwongen zijn kunstenaarschap te combineren met een deeltijdbaan. Hij zegt “De combinatie kunstenaar-regulier werk is geen eenvoudige. Beiden vereisen vaak de volle aandacht om tot een mooi resultaat te komen”. Dat kunst een levenswijze is blijkt uit het feit dat hij het kunstenaarschap vergelijkt met dat van een priester, of sjamaan en bemiddelaar van het hogere; een andere energie. Na zijn pensionering moet hij zijn weg als kunstenaar hervinden, zonder de druk van reguliere banen. Ook dat is even wennen. 

Eveline Visser verwoordt het kunstenaarschap heel mooi “Op de academie leerde je geen vak, maar iets onzichtbaars. Een manier van denken, een mentaliteit”. Ze beschrijft ook hoe de academie een mannenbolwerk was die in sommige opzichten behoorlijk zou aansluiten bij de ‘me-too’ beweging. In haar vierde jaar kreeg ze een baby en zelfs in die tijd was het vreemd als je dan doorstudeerde, zelf op de academie. Na de academie ging ze met haar baby op haar atelier wonen. Ook Visser verteld dat de BKR in de eerste jaren haar de mogelijkheid gaf om zich als kunstenaar te ontwikkelen. In 1987 raakte galeriehouder Cokkie Snoei geïnteresseerd in haar werk en wist opdrachten voor haar binnen te slepen. Dat is een mooi startpunt geweest om ook in collecties binnen te komen. Maar zelfs voor haar waren er periodes dat zij bij moest verdienen door les te geven op de Rietveld Academie en de Willem de Kooning Academie. Ze noemt dat een voortdurend gehink van de ene naar de andere inkomstenbron. 

De Kunstenares Liesbeth van der Zee woont op het Waterwerk met uitzicht op de Maas die langs het centrum van deze werkstad stroomt. Water is dan ook belangrijk voor haar werk. Ze maakte peddels van een boom uit haar eigen tuin en ik herinner me veel meer werk waarin water de hoofdrol speelt. Haar kunstenaarsloopbaan combineerde ze met banen in het onderwijs en later door kunst-educatieve projecten vorm te geven. Sinds haar pensionering kan ze zich ten volle op de kunst richten en dat brengt haar zelfs tot in IJsland waar ze drijfhout verzamelde om daar een kunstproject mee te maken. Ze heeft haar nevenwerkzaamheden nooit als een last ervaren. Toch lijkt het erop dat ook in haar situatie de pensionering ruimte geeft om aan het kunstenaarschap een andere dimensie toe te voegen.

 

Als ik het boek doorlees merk ik hoe het toch vaak sappelen was voor veel kunstenaars om financieel de eindjes aan elkaar te knopen. Sommige hadden het geluk een bijbaan te vinden binnen de kunstwereld. Voor hen die de BKR meemaakten, was het verdwijnen een groot gemis. Rotterdam is een uitzonderlijke stad waar best een paar goede kunstpodia waren. Met de nadruk op ‘een paar’ en dat was zeker niet genoeg voor de energieke gedreven kunstenaarspopulatie die je in Kunstenaars gaan niet met pensioen tegen komt. In 1962 opende Galerie Delta de deuren. De eigenaar Hans Sonnenberg speelde een cruciale rol in Rotterdam. De enkele kunstenaar die een plekje in zijn stal kreeg had geluk. Hij was de enige galeriehouder die zelf ook verzamelde op dat moment en voldoende connecties had om jouw werk in musea, collecties of naar het buitenland te krijgen. In 1989 opende Cokkie Snoei haar deuren en ook zij was ambitieus en bezocht beurzen in het buitenland. Ook zij gaf aan kunstenaars een serieus podium. In vergelijking met Amsterdam bleef het galeriewezen in Rotterdam verder magertjes. Ik vraag me af of dat voor de Rotterdamse kunstenaar de kansen op een bijbaanloos kunstenaarsbestaan niet teveel heeft ingeperkt. 

 

Door de coronacrisis wordt duidelijk welke sectoren eigenlijk heel kwetsbaar zijn in onze maatschappij. Natuurlijk is dat in de eerste plaats de zorgsector, maar die kan je niet vergelijken met de kunstsector. Maar naast al het zorgleed heeft de mens wel vertroosting nodig om de zinnen te verzetten en om hoop uit te putten. Dat is een rol voor de kunst, massa-inkomsten vragen zij niet eens. Gewoon net genoeg om te kunnen blijven produceren is voldoende. Als deze coronacrisis uiteindelijk oplevert dat de beroepen met intrinsieke waarde de waardering en steun krijgen die hen toekomt, dan brengt al deze coronanarigheid tenminste één goed ding voort.

 

Kunstenaars gaan niet met pensioen, 48 Rotterdamse beeldende kunstenaars, div. auteurs, Uitgeverij Duo/Duo, www.uitgeverijduoduo.nl

 

Rotterdam, 1 mei 2020
Comments