Kunstprijzen

Kunstprijzen

Kunstopdrachten worden allengs schaarser en ook musea beschikken over steeds geringere aankoopbudgetten. Gelukkig resteren in een uitgekleed cultuurlandschap waarin ook de particuliere kunstkoper de hand op de knip houdt, als laatste strohalm nog een aantal kunstprijzen. Sinds 1998 wordt tweejaarlijks in Apeldoorn de Wilhelminaring uitgereikt, een oeuvreprijs voor kunstenaars die in de ogen van een per editie wisselende jury met zijn of haar werk van bijzondere betekenis is voor de Nederlandse sculptuur. En in het deftige Laren heeft de Stichting Vrienden van het Singermuseum het initiatief genomen om een mid-career prijs voor kunstenaars halverwege hun carrière in het leven te roepen. De Volkskrant richt zich in samenwerking met NTR KunststofTV en het Stedelijk Museum Schiedam op de toekomst en riep de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs voor aanstormend talent tot 35 jaar in het leven.

Door Tine van de Weijer

Een reis langs de prijswinnaars in 2013 betekent niet alleen letterlijk een reis door het land maar ook een reis waarbij – gelukkig - volkomen verschillende artistieke perspectieven worden geboden. Variërend van de jonge honden in het Stedelijk Museum in Schiedam tot - naar alle waarschijnlijkheid - de oudste Nederlandse beeldhouwer Piet Slegers (1923) in Apeldoorn waarvan op 28 juni zijn allerlaatste beeld wordt onthuld en waar op 2 september in Paleis Het Loo aan Hans van Houwelingen de Wilhelminaring 2013 zal worden uitgereikt. Net als Caspar Berger die op 2 juni de Singerprijs kreeg, hoort ook Hans van Houwelingen bij de ‘midcareer’ generatie.

Verbindend en toevallig element is dat deze zelfde Caspar Berger als beeldend kunstenaar deel uitmaakte van de jury van de Wilhelminaring 2013 (naast Charlotte van Lingen,kunsthistorica en curator Kunsthal Rotterdam) en Hans den Hartog Jager (kunstcriticus en schrijver).

Volkskrant Beeldende Kunst Prijs

Een prijs winnen is de kers op de taart maar de nominatie ervoor is ook al een bijzonder visitekaartje. Zeker met een belangrijke landelijke krant als de Volkskrant en een omroepstichting als aanstichter van de prijs is aandacht in de media gegarandeerd. En die aandacht voor het jonge talent is meer dan gerechtvaardigd. Zaal na zaal in Schiedam is verbluffend en laat het onverwoestbare elan zien waar zelfs in crisistijd de Nederlandse kunst voor staat. Wát een talent..... Zoro Feigl, Esther de Graaf, Saskia Noor van Imhoff, Chaim van Luit en Femmy Otten laten stuk voor stuk een eigenzinnige manier van werken zien. Totaal verschillend maar op het eigen spoor integer en doordacht, zorgvuldig en bijzonder consequent. Je zou degenen die de kunst de nek om proberen te draaien wel mee willen slépen naar het museum om ze te overtuigen van de bijzondere kwaliteit van deze kunstenaars. Ze verdienen de beste kansen, hun talent moeten we koesteren, we moeten hen de gelegenheid bieden te experimenteren en te onderzoeken: omdat we hier allemaal zo blij van worden. 

Vijf kunstscouts zijn ieder verantwoordelijk voor de keuze van een van de kunstenaars die elk een zaal naar eigen inzicht mochten inrichten. Jeroen Bosch, oprichter van Trendbeheer.nl, nomineerde Zoro Feigl. Zijn vibrerende machinale beelden draaien, piepen en knarsen, zijn ratelende verticale ketting lijkt een amoureuze ontmoeting aan te willen gaan met de meanderende gifgroene horizontale slang die zich eronder golvend van links naar rechts verplaatst. In de andere hoek van de zaal mag de kijker intussen onder een metersbrede rok van een rondzwierende papaver kijken. Het is werk dat ervaren moet worden, de dynamiek en energie spatten ervan af.

Dit in schril contrast met het ingetogen oeuvre van Saskia de Noor van Imhoff in de zaal ernaast die het oude nieuw maakt en stillevens van bestaande kunstwerken combineert met nieuwe vormen of levende planten. Van Imhoff daalt af in de krochten van het museum en ontleedt al wat ze vindt op zijn geaardheid, zoekt er nieuwe connotaties bij, hergroepeert voorwerpen in een zichzelf vreemde assemblage waarbij muren, sokkels, zuilen en vloeren deel uitmaken van een alomvattende installatie waarin alles nieuw wordt, een ongekende relatie aangaat. Marlene Dumas die verantwoordelijk was voor de keuze van deze kunstenaar noemt Van Imhoff eerder een soort beeldbehouwer dan een beeldhouwer. Er is veel te zien, er kunnen eindeloos verbanden worden aangebracht in een context die voor elk der voorwerpen nieuw is en uniek op deze plaats, op dit moment, in deze ruimte en met elkaar in evenwicht.

De tegenstelling met Esther de Graaf kon niet groter. Ragfijne constructies van ijzerdraad, karton, hout, papier en zilverfolie: de ruimte wordt er volledig mee gevuld. Een argeloos bouwen, een bewust armoedige constructie die de schijn wekt dat het werk er zomaar toevalligerwijs is gekomen, in een snelle schets. Een schroef steekt uit, een latje dat net een beetje scheef zit, te lang is of te kort, praktisch improviserend.

Ad de Jong, van W139, die haar voordroeg, zegt het trefzeker met zijn omschrijving dat het werk “Een tegenbeeld is op onze overgeorganiseerde managementsmaatschappij”. Het werk is argeloos, losjes, onconventioneel, laat zich nergens in een keurslijf dwingen en ademt een grote fantasie.

Directeur Bonnefantenmuseum Stijn Huijts ontdekte Chaim van Luit die net over de Limburgse grens met zijn schraapstaal de camouflagehuid van Duitse bunkers uit de Tweede Wereldoorlog krabde. En die deze oxidegroene huid van de geschiedenis met bindmiddel mengde. Om er vervolgens in het museum een meterslange rechthoek mee te schilderen waarmee het verborgen verleden als gestolen waar terugkeert in het daglicht. Van Luit’s werk lijkt vrij formeel maar het ontstaat vanuit een nauwgezette wisselwerking met de omgeving. Het is verstild en contemplatief hetgeen ook blijkt uit de videobeelden en de andere ingetogen werken die deze zaal vullen.

Ofschoon Femmy Otten nog nooit van directeur CBK Drenthe Toos Arends had gehoord wist deze laatste haar te vinden en voor te dragen voor de prestigieuze prijs die ze met glans won. De jury die dit jaar bestond uit  voorzitter Jan Jaap van der Wal, Eylem Aladogan (winnaar 2009), Ranti Tjan (directeur Europees Keramisch Werkcentrum) en Sacha Bronwasser (recensente van de Volkskrant) was lovend over haar werk. De uitspraak van een der juryleden dat “Zij de liefde met haar materiaal bedrijft” is net zo trefzeker als dat zij tot de verbeelding spreekt. Fascinerend zijn haar verfijnde gezichten, haar portretten die verwijzen naar Etruskische of Griekse verre verledens maar tegelijkertijd ook de houtenklazerigheid van het werk van Stephan Balkenhol in herinnering roepen. Moeiteloos gaat de muurtekening over in een gipsen reliëf en verfijnd waaiert het uit tot de hele muur in bedwang wordt gehouden. Ze mengt verleden met het heden, persoonlijke herinneringen koppelt ze aan mythologie, neemt zo de kijker mee in een ongekende en ongewone wereld van gemutileerde schoonheid. Het is een fabelwereld waarin mens en dier op zowel een intuïtieve als doorwrochte manier samenkomen, waarin de fantasie versmelt met de herinnering aan klassieke renaissancistische schilderijen.

Singerprijs

De liefde voor de Renaissance lijkt de verbinding  te zijn met het werk van Caspar Berger, de winnaar van de Singerprijs 2013. De Singerprijs is ingesteld als mid-careerprijs door de Stichting Vrienden van het Singermuseum in Laren en bestaat uit de aankoop van een sculptuur en een grote overzichtstentoonstelling van sculpturen. In het geval van Caspar Berger staat het persoonlijke mensbeeld van de kunstenaar hierbij centraal. Net als de winnaar van de Beeldende Kunst Prijs laat ook Caspar Berger zich inspireren door de klassieke kunsthistorische canon en met name de hoog-renaissance lijkt een bron voor  verbeelding. Berger doet een poging achter de klassieke kunstwerken universele begrippen te doorgronden als goed en slecht, de macht en het zwakke, de held en de verrader. Ook bij Berger is er - anders maar wel vergelijkbaar met het Femmy Otten - aandacht voor de schoonheid in relatie tot het geschonden of door toeval gefragmenteerde beeld. In de werken Zelfportret 3 en de serie Familie waarin zijn ouders en broers in klassieke crapauds zijn geportretteerd ontbreken - net als in een groot aantal andere beelden - vitale delen en wordt de kijker geacht deze zelf in de verbeelding aan te vullen. Bij Familie blijft één fauteuil onbezet. Naar verluidt zou zijn zus geen belangstelling hebben om zonder benen te worden vereeuwigd.

Het is een onthutsende tentoonstelling die ondanks de schijnbare logica en doorwrochte motieven van handelen in eerste instantie verwarring sticht. Althans bij schrijver dezes. Berger blijkt gefascineerd door ‘de mens’ en met name het eigen ik, het ‘zijn’ als zodanig, het lichaam als fetisj, de huid als het membraan tussen het persoonlijke lichaam en de onpersoonlijke buitenwereld. Voor het Skeletonproject (Skeleton, zelfportret 21 )laat Berger een CT-scan van zijn lichaam maken. Deze scan stelt de kunstenaar in staat elk bot van zijn lichaam te reproduceren. Er ontstaat een stroom aan relieken en zelfportretten in alle mogelijke soorten en maten en uitgevoerd in zowel siliconen, katoen, garen en glas als het klassieke brons en soms in edelmetalen als zilver of puur goud.

Een haast megalomane aandacht voor het allerzelfste zelf, de kostbare en prestigieuze uitvoering waarvoor kosten noch moeite lijken gespaard: het lijkt op het eerste oog of het om narcisme pur sang gaat. Het conceptuele karakter van het werk wordt echter duidelijk bij het videobeeld waarin notaris mr. J.L.M. van Erp te Amsterdam de notariële acte voorleest waarmee de kunstenaar zichzelf recentelijk blijkt te hebben heilig verklaard.

Parallel aan de ernstig en officieel voorgelezen boodschap van de notaris galmt een Engelstalige versie van de heiligverkaring via een voice-over door de ruimte. Het is zowel grotesk, buitenproportioneel als hyper. Het is het summum en volgens hoofdconservator beeldhouwkunst Rijksmuseum Frits Scholten die de tentoonstellingstekst verzorgt “De onvermijdelijke consequentie binnen het grotere concept van het zelfportret.” En Schouten vervolgt: “Alleen zo konden reproducties van zijn gebeente de noodzakelijke zeggingskracht krij­gen”. Stelt dat “Met deze stoutmoedige daad Berger zich als sjamaan in direct contact met het goddelijke plaatst”. En citeert uit de heiligverkaring: “Ik verklaar per heden – vierentwintig januari tweeduizend dertien - mijn persoon Heilig”. Hierbij doelende: “dat in het algemeen heilig is iemand die, of iets wat in een bijzonder goede verhouding tot God staat en daarom onaanraakbaar is of met bijzonder respect behandeld moet worden”. Volgens Scholten omvat het heilige alles waardoor de mens aanraking en verbinding met het goddelijke ervaart en wat het onderwerp van zijn religieuze streven en ontzag is. De relieken winnen volgens Scholten aan extra heilig­heid omdat de kunstenaar nog niet is overleden waardoor het kunstenaarsreliek het rooms-katholieke heiligen­reliek overstijgt daar het nooit definitief is. Hierna valt veel van het getoonde op zijn plaats. Een ‘Ik’ dat zich vragen stelt over zichzelf: het is de ultieme verklaring voor het oeuvre dat Caspar Berger laat zien en waar de kijker lichtelijk verbijsterd doorheen wandelt. Het oeuvre van Berger is even raadselachtig als volstrekt consequent. De vrijages met de ‘Groten’ onder de beeldhouwkunst, met Rodin en Michelangelo, het verkennen van vorm en identiteit, de kunstenaar als evenbeeld van God, als goddelijk schepper en optimus artifex: hoe concreet en letterlijk het werk van Berger er ook uitziet: er is tijd, veel tijd nodig om te verstaan wat  aan de orde wordt gesteld.

Wilhelminaring

Op de reis langs Douze Points komen we tenslotte bij de Wilhelminaring in Apeldoorn aan. En laat het nou uitgerekend Singerprijswinnaar Caspar Berger zijn die onze gids is, want lid van de jury die de Wilhelminaring 2013 toekende aan Hans van Houwelingen, de kunstenaar die wellicht de ‘Koning der Hedendaagse Conceptuelen’ kan worden genoemd. In Paleis Het Loo zal hem op 2 september de prijs worden toegekend met de opdracht in beeldende zin te reflecteren op de vraag waar de Wilhelminaring de beeldhouwkunst in Apeldoorn heeft gebracht. Beelden zal hier in een later stadium aandacht aan besteden. Net als de eerder genoemde prijzen is ook de Wilheminaring een oeuvreprijs die, naast een speciaal ontworpen ring, bestaat uit de opdracht voor het realiseren van een sculptuur. Voordat van Houwelingen in september zal worden gelauwerd zal eerder op 28 juni het kunstwerk van de prijswinnaar van de Wilhelminaring 2011 in het Sprengenpark worden onthuld. Het is van de hand van Piet Slegers (1923) die inmiddels wellicht een van de oudste (zo niet de oudste) Nederlandse beeldhouwers van dit moment is. Het zal het laatste werk zijn dat Slegers in zijn leven realiseerde. Zijn zonen zijn er druk mee aan de slag als ik hen bezoek in het atelier. Vol liefde spreken ze over hun pa die zijn leven lang de plastische en constructieve oerprincipes van de sculptuur met diverse materialen als klei en gips, karton en plakband tot in details onderzocht op maatvoering, dynamiek en ruimtelijkheid, waarna ze door zijn zonen in duurzaam roestvrijstaal werden uitgevoerd. De Wihelminaring 2011 is een kroon op het uitgebreide oeuvre van de nestor dat in tal van steden zijn bestendiging heeft gevonden en waarvan wellicht het werk Aardzee in Flevoland en het Landschaps-Zonneproject in de voortuin van het Kröller-Müller Museum onder het grote publiek de meeste bekendheid mag genieten. De beelden van Slegers zijn lichtvangers met de intentie het licht te spreiden, te vangen en te weerkaatsen. Het beeld, dat hij ontwierp als antwoord op de Wilheminaring 2011 is opgebouwd uit 4mm dik met de hand gesmeed roestvrijstaal, bestaat uit een spiraliserende doorgaande beweging en vertoont verschillen in groot en klein, in smaller en breder in dunner en dikker. Het is een beeld van eb en vloed, van eeuwige vooruitgang. Het is letterlijk handwerk en figuurlijk continue groei en ontwikkeling. Het vindt op een minstens even intense manier als de postmodernistische kunstenaars van de generaties na hem zijn wortels in denken en ervaren.

Douze points! Het is in de loop der tijd een min of meer gevleugelde uitdrukking geworden, gevoed vanuit het Europese Songfestival. Douze points! De Nederlandse beeldhouwkunst verdient absoluut douze points! Het is een feest om van Schiedam naar Laren en vervolgens naar Apeldoorn te reizen en de grote diversiteit onder de jonge, de midcareer en de oudere prijswinnaars te mogen aanschouwen. En in het geval van Laren en Apeldoorn te zien wie in de museumtuin en in het Sprengenpark de prijswinnaars voorgingen met uitgelezen exemplaren van hun beeldend kunnen. Opmerkelijk was het te vernemen dat de jury van de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs constateerde dat, ofschoon het een prijs betrof voor kunstenaars tot maximaal 35 jaar, de leeftijd in 2013 gemiddeld vijf jaar lager lag én dat de jury van mening was dat ondanks dát het werk van de inzenders zo opmerkelijk rijp en volwassen was. Behalve Piet Slegers die het in de jaren dertig nog met slechts een academie moest doen, laten de curricula van alle andere kunstenaars zien dat ze allen na hun reguliere kunstopleiding een vervolgopleiding hebben gevolgd binnen of buiten Nederland. Kennelijk levert een postacademiale studie toch nét dat surplus op waarmee jonge kunstenaars van meet af aan met overtuigingskracht en lef, positie weten te nemen in de kunstwereld.

De Volkskrant Beeldende Kunst Prijs, Stedelijk Museum, Schiedam, 9 maart t/m 16 juni 2013, www.stedelijkmuseumschiedam.nl

Singerprijs, Singermuseum Laren, 2 juni t/m 7 juli 2013, www.singerlaren.nl

Onthulling beeld n.a.v. Wilhelminaring 2011 van Piet Slegers Sprengenpark, Apeldoorn, 28 juni 2013

Prijsuitreiking Wilhelminaring 2013 aan Hans van Houwelingen 2 september 2013, Paleis Het Loo, Apeldoorn, www.wilhelminaring.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Comments