Vorige nummers‎ > ‎

50 x Beelden


Vijftig Nummers. Het is een mijlpaal die we vieren in Museum Beelden aan Zee, dat ook een vrucht is van doorzettingsvermogen, geloof in de eigen zaak en een fascinatie voor het vakgebied. ‘Beelden’ heeft een lastige weg afgelegd om hier te kunnen komen. Een blad over beeldhouwkunst bestaat bij de gratie van lezers die hun interesse bevestigen met een abonnement, en een uitgever zoals Smit uit Venlo die het risico draagt. De bevlogen kunstenaars die er mee begonnen, zijn intussen met heel andere dingen bezig. Maar de vlag is overgenomen en het vuur brandt. Een prachtig nummer ligt voor u met een aparte bijlage waar in alle reguliere auteurs zich uitspreken over hun persoonlijke passies en voorkeuren als het om ruimtelijk werk gaat Daarnaast zijn er de vertrouwde reflecties op wat zich in de voorbije periode heeft voorgedaan. ‘Beelden’ heeft zich de afgelopen decennia als medium steeds weer vernieuwd en aangepast. Dat is een kracht die het blad toekomstbestendig maakt.

Door Ans van Berkum

2010 ^

Beelden bestaat nu 23 jaar en is niet afhankelijk van subsidies. Twee opmerkelijke feiten. Het blad Mr. Motley, dat door SKOR, Stichting Kunst in de openbare Ruimte, werd opgericht, zou eind vorig jaar zijn opgehouden bij het 24ste nummer, ware het niet dat er weer een flinke subsidie is losgekomen. LucasX dat het rijke culturele palet in de Provincie Utrecht behandelt, stopte eveneens eind 2009, na 16 jaar zwoegen. Beelden bestaat. Het is geen glossy, het is geen verzameling theoretische bespiegelingen, geen poging kunst toegankelijk te maken of uit te leggen. Beelden toont simpelweg de vitaliteit en de oerkracht van het vakgebied. Het toont dat beeldhouwkunst zich door alles heen kan vernieuwen, actualiseren en relevante allianties aangaan. Daar ligt de bron van Beelden. Niet in het geld. Niet in het idee om kunst te spreiden en daarvoor subsidie te vergaren. Niet in de tijdschriftenliefhebberij van een stelletje diehards. Het ligt in de vitaliteit van de discipline en nergens anders.

Het blad spiegelt het vakgebied, dat altijd worstelt en weer boven komt. Op zijn gemak doorglijdt naar de commercie zoals Damien Hirst demonstreerde, of zich binnenwroet in de sociale dimensie, waar ontmoeten en samenwerken de doelen zijn en een heel nieuw werkterrein ontsloten wordt. Beelden registreert het en stelt vragen. Vaak heel eenvoudig, vanuit de emoties die de schrijvers bij het zien van objecten en projecten ondergaan of niet ondergaan.Beelden onthult in elk nummer dat kunstbeleving persoon en moment gebonden is. Terwijl de een kippenvel krijgt van For the love of God, staat de ander koeltjes te mijmeren over de eventuele bedoelingen. Een volgende blijkt als hij uit de donkere kamer komt waar de felverlichte schedel schittert nergens aan gedacht te hebben. Het kan allemaal. In Beelden wordt geregistreerd wat de auteur beleefde. Subjectief, kritisch en altijd genuanceerd.  

Hoe kan het ook anders. Gevoel voor kwaliteit en waarde is nou eenmaal niet zomaar een talent waar over je als schrijver te allen tijden kunt beschikken. Het is iets wat zich in de tijd ontwikkelt en door ervaring en inzicht verandert. Waar ik me een aantal jaren geleden kritisch uitliet over een kunstenaar die voor mijn gevoel niet geheel reële Holocaustervaringen ventileerde, zou ik nu niet meer de waarheid van de herinneringen, maar de waarachtigheid daarvan voor de kunstenaar vooropstellen. Kritiek is moeilijk voor wie zichzelf en het eigen oordeel kan relativeren. Anderzijds wil de lezer vuurwerk zien en stof tot nadenken gepresenteerd krijgen, waarmee het desnoods de vloer kan aanvegen. Verschillende auteurs van Beelden zitten wat dat betreft nog niet helemaal in hun rol. Voorop staat dat het blad onder hoofdredacteur John Blaak altijd ruimte heeft gegeven aan een kritische houding, gekruid met persoonlijke ontboezemingen. Dat gaat soms zover dat de relevantie van bepaalde verhaallijnen kan worden betwijfeld. Het artikel van Astrid Tanis over haar bezoek aan Beaufort in 2009 bewaart geen afstand tussen de kunst en de ongemakken van het zoeken naar de objecten bij een slechte bewegwijzering aan de rommelige Belgische kust. Bij het lezen van haar stuk wordt je vooral plaatsvervangend moe van de vele obstakels en tegenvallers die ze moet overwinnen. Toch raak je ook geïntrigeerd door haar reflecties op het getoonde werk en geïrriteerd door het feit dat het accent niet daarop ligt, maar op de ergernissen over de onvindbaarheid van het tentoongestelde en de verwording van de Belgische kustbebouwing. Focus, precisie en onderbouwing blijven mijns inziens de belangrijkste elementen van de geschreven kunstbeschouwing, zowel bij lof als bij kritiek. Daarin ligt de kwaliteit van een artikel. Daarin dient Beelden uit te blinken. 

Beelden ontstond uit het vakgebied en functioneert vooral voor het vakgebied. Beelden gaat voorop in de discussie over wat er allemaal gaande is in de wereld van de ruimtelijke kunst, zonder arrogantie of dictaat. Schrijvers over beeldhouwkunst zoeken in die springlevende wereld, zo vol raadselen en provocaties dat we er soms van gruwen, naar houvast. Wat is er bedoeld? Wat is de relevantie van die stelling, hoe is deze uitgewerkt en wat is het effect? Dat zijn de belangrijke vragen. Antony Gormley plaatste ijzeren afgietsels van zichzelf op dakranden in New York, en de wereld staat op zijn kop, lezen we in NRC Handelsblad ergens in maart. Begrijpelijk. We willen de kwetsbaren beschermen, niet verlokken het pijnlijkste te doen. Zulke kunst is een affront voor velen die ervaring hebben met een dergelijke situatie. Maar verlokken beelden dan tot eenzelfde gedrag als ze uitdrukken? Hebben ze die macht? Het feit dat er voor gevreesd wordt, is een compliment en een erkenning. Kunstcritici dienen daar rekening mee te houden in hun beoordeling.

Beelden in de openbare ruimte hebben duidelijk invloed op hun omgeving, waarom zouden ze anders moeten worden geplaatst? Beelden maakt voelbaar hoe het werkt. Medio 2009 werd een ander project van Gormley besproken door Annemiek van der Bruggen. Mensen positioneren zichzelf voor één uur op een hoge sokkel op Trafalgar Square, ooit bedoeld voor een beeld, en voeren daar wat op om de meute te vermaken, verhaalt ze. Het lukt niet erg. Gormley zou de regie wat strakker ter hand moeten nemen, willen de live-performances van de ‘levende beelden’ tot enige lering of vermaak kunnen strekken, aldus de schrijfster. Hier is om de sokkel heen wel een metersbreed vangnet gespannen. Als beelden mensen als materiaal gaan gebruiken ontstaan nieuwe verantwoordelijkheden. Als ijzeren beelden op dakranden staan, wordt blijkbaar verondersteld dat ze niets anders doen dan de kunstenaar voorziet: op dakranden staan. Maar is het nodig mensen daarvan te doordringen? Dat is toch veel te vlak. Als het nergens anders om gaat had Gormley het net zo goed kunnen laten. Zodra je ziet dat het een beeld van een mens is, geen mens, weet je ook dat er controle is en is de lol er af. Maar wie even geen beeld, maar een menselijke figuur ziet, kan in verwarring raken en zo zal het ook bedoeld zijn.

Beeldhouwkunst speelt met ons. Beeldhouwkunst wankelt op het randje. Beelden kiest er voor de rol en de mogelijkheden van de discipline uit te lichten en schuwt het daarbij niet op verantwoordelijkheden te wijzen en twijfel te ventileren. Antonie de Ridder schrijft over het barokke werk van Carolein Smit, opgepropt tentoongesteld in de Kunsthal: “In plaats van de simpele vaststelling dat een overdaad aan goudverf en nepedelstenen een kunstwerk naar de afdeling kitsch verwijst, wordt geopperd dat Smits’ sculpturen welbewust balanceren op de rand van de kitsch. Waar blijft de ironie wanneer je haar nodig hebt?”3

Het is een benadering die John Blaak, samen met de auteurs van Beelden, zorgvuldig heeft opgekweekt en nog moet uitbouwen. Een verworvenheid, die begon met rustig en neutraal reflecteren op kunstenaars door kunstenaars. Reflecteren zonder vragen. Dat is nu geschiedenis.

1987 ^

In 1986 had de Nederlandse Kring van Beeldhouwers een informatiebulletin, Vaknieuws geheten, dat goed te boek stond en een positieve recensie kreeg in BK-informatie, een blad voor de hele beroepsgroep. Waarom zou dat niet kunnen uitgroeien tot een blad waarin beeldhouwers en liefhebbers met elkaar in gesprek zijn over hun vakgebied? Zomaar een gedachte. Henk van Bennekum, Tine van de Weyer en Harm de Grijs vonden hem aantrekkelijk, en gingen aan de slag. Er verscheen een door Van Bennekum in elkaar geplakt voorbeeld nummer, waar mee zielen moesten worden gewonnen voor het initiatief, ook onder potentiële adverteerders. Het lukte.

Op het 0-nummer dat dan verschijnt, een vouwblad met het formaat van drie A4-tjes, staan advertenties van constructeurs, een bank, een transportbedrijf en winkels voor kunstenaarsmaterialen; kennissen van Henk van Bennekum, maar je moet ergens beginnen. Inhoudelijk wordt het nummer gedomineerd door een interview met Carel Visser door Nina Goerres. Dertig jaar na dato is het nog prikkelend te lezen hoe de interviewster de kunstenaar aan de tand voelt over zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid en kritische vragen stelt over zijn manier van werken.  ‘Is die associatiever geworden sinds hij met gevonden materialen assembleert?’, vraagt zij. ‘Welnee’, zegt Visser, ‘het beeld zit tevoren kant-en-klaar in mijn kop’. Nonsens natuurlijk, dat kan helemaal niet als je loopt te jutten langs velden, wegen en werkplaatsen, en vervolgens iets intuïtief gaat samenstellen dat de benaming beeld krijgt. Maar Visser wil de beeldhouwkunst niet tot een improvisatiespelletje degraderen en houdt de rug recht. Goerres volgt lijdzaam.

In nummer 1 in 1987 neemt Ruudt Peters het stokje over met een interview met Cornelis Rogge. Deze ontvangt net als Visser dat jaar de David Röell-prijs, waarmee hij vereerd is. Opmerkelijk is het te lezen hoe hij het belang van de prijs afmeet aan het belang van de commissieleden. Allemaal zulke integere mensen, vindt hij. Commissielid Rudy Oxenaar schaft wat oudere beeldjes van de kunstenaar aan voor het Kröller Müller waarvan hij dan directeur is. Dat vindt Rogge fijn. Niet omdat dit werk en ook de rest van zijn oeuvre dan door de museale context meer waard wordt, maar omdat het daar een ‘haven’ vindt, vertelt hij. Als een productserie goed loopt, breekt hij de lijn af, beweert hij ook. Het mag niet om de buitenkant gaan, niet om korte successcores. Er zijn machtstructuren in de beeldende kunst: “Sonsbeekachtige sferen” noemt hij ze. Als zijn beelden daarin opgenomen dreigen te raken, neemt hij ze uit het spel. Werken aan innerlijke kracht, dat is de opgave.

Peters tekent het allemaal op. De bewuste of onbewuste huichelachtigheid, verborgen in deze uitspraken, laat hij voor wat die is, waardoor natuurlijk de vraag rijst hoe de schrijver, in die jaren een jonge kunstenaar, er zelf over dacht.

Het zal nog een hele poos duren voor Beelden evolueert tot een zo kritisch mogelijk blad waarin ook de auteurs het achterste van hun tong laten zien. Het verschijnen van de eerste reeks in vouwbladvorm zet zich voort tot 1990. In 1988 zien we in het colofon voor het eerst de naam van John Blaak. Vanaf 1997 is hij hoofdredacteur en ontpopt zich dan tot drijvende kracht achter de inhoudelijke ontwikkeling die het blad in de loop van de jaren ondergaat.

1997- 2009 ^

In 1997 komt Roel Teeuwen in beeld en wordt het blad serieus op de rit gezet. Hij vindt een tijdschrift gekoppeld aan de Nederlandse Kring van Beeldhouwers essentieel. Met een aanloopbudget van f 9.000, - zet de Stichting Thoe Swartzenberg, de werkmaatschappij van de Kring, het blad op de rails. John Blaak gaat aan het roer staan. Beelden verschijnt in leporellovorm met een omvang van 12 pagina’s en gebruikt één steunkleur voor de cover, waarop ook steeds het redactioneel van Blaak staat afgedrukt boven een foto van een beeld. Een grondtoon, die nooit meer zal verklinken.

De pagina’s die volgen, bevatten tentoonstellingsrecensies en portretten van kunstenaars. Beelden mengt zich in landelijk discussies, zoals die over het controversiële boek De gijzeling van de kunst door Riki Simons. Telkens wordt de positie van kunstenaars in de samenleving ondervraagd, meestal aan de hand van hun eigen reflecties. Met de beschikbare middelen haalt Beelden het onderste uit de kan. In 2001 verschijnt het tijdschrift in A4 formaat, met een omvang van 16 pagina’s en een nietje in de rug. In 2002 volgt kleur op de voorkant. Bij het verschijnen van het veertigste nummer in 2007 zit Beelden op 40 pagina’s. Nu, bij het vijftigste nummer, zien we dat 48 pagina’s geen uitzondering is. Het scala aan onderwerpen in dit nummer is breed. Een interview met een kunstenaar is er weer één van. Johan Claassen vertelt Etienne Boileau desgevraagd wat volgens hem het belangrijkste is “dat een kunstenaar over zijn kunstenaarschap moet weten”. Claassen gaat dan in op de techniek die de kunstenaar moet beheersen om in een stemming te komen die een goed kunstwerk oplevert. Hij moet zich opsluiten en naar binnen keren: “Veel doe ik vanuit mijn intuïtie. Intuïtie is volgens mij niets anders dan een binnendoorweg naar kennis, en toevallig weet ik veel”, zegt hij, om even verderop door te schakelen naar de stelling: “kunstenaar zijn moet eigenlijk in je genen zitten.” In haar bespreking van de Claassens’ kunstenaarsboek Aeolus, schrijft Astrid Tanis dat intellect tekortschiet als het om begrijpen van dit werk gaat. “Dat maakt zowel de kunstenaar als het werk vrij uniek”, stelt ze onbeschroomd. Hoewel Claassen dus denkt dat bij de goede kunstenaar in principe het nemen van de ‘binnendoorweg’ van de intuïtie vanzelfsprekend is, vindt Tanis die aanpak uitzonderlijk. Het is geen punt. Een kunstblad mag een vat vol tegenstrijdigheden zijn, als alle auteurs hun benadering en denkwijze maar expliciet maken en hun subject aan de tand voelen.

Ontwikkeling ^

Beelden is in de loop der jaren door doorzettingsvermogen en toewijding een zelfstandig blad geworden. Met trots kan worden gesteld dat het onafhankelijk van subsidies en instituties bestaat en zal bestaan. John Blaak mogen we deze verdienste in hoofdzaak toedichten. De viering van dit feit in Beelden aan Zee kan misschien het begin zijn van verdere samenwerking. Beiden instituties kunnen zich de opgave stellen om scherper te worden en weer meer in te gaan op netelige kwesties die zich in het vakgebied aftekenen. De veelkleurige wereld van de beeldhouwkunst wenst het en zal er baat bij hebben.