Onze Jongens

Tentoonstelling 'Onze Jongens' laat de zandkorrel flink schuren.

John Blaak is sinds twee jaar artistiek leider bij Genootschap Kunstliefde te Utrecht. Naast de vaste tentoonstellingen kreeg hij de mogelijkheid een eigen programmering op te zetten. Het nogal oubollige imago van het Kunstliefde kon wel wat fris bloed gebruiken. De tentoonstelling 'Onze Jongens' is een van de laatste in de reeks die hij heeft georganiseerd. Binnenkort loopt zijn contract af. Het is de vraag of Kunstliefde het ingezette niveau kan blijven voortzetten.

Door Paulo Martina

Op de terugweg van mijn bezoek aan Onze jongens, ter hoogte van Soest reed de trein langs een enorme rij tanks die op de rails klaarstonden om hun reis naar Afghanistan(?) af te leggen. Ik heb vaak dit traject genomen, maar nog nooit greep een cordon tanks me zo bij de strot. De tentoonstelling had blijkbaar indruk gemaakt. Een tentoonstelling die achttien beeldend kunstenaars de mogelijkheid bood zich te laten inspireren door de vredesmissies: Hanneke Breuker, Almir Dervišević, Antonie Eikemans, Ank van Engelen, Isabel Ferrand, Jacolien de Jong, Hugo Kaagman, Jawek Kwakman, Frans Megens, Marjolein Maitimu, Jef Roeselaars, Helga Schumann, Andrea Stultiens, Ineke Tesselaar, Joyce Vlaming, Anne Verhoijsen, Arthur de Vries en Carina Weve. In het voorwoord: “Onze jongens is een tentoonstelling die voor ons, die er veilig naar kunnen kijken, schuurt als een zandkorrel uit de woestijn in je schoen.”

Ethiek en beeldende kunst

Zo'n tentoonstelling roept natuurlijk allerlei vragen op: zijn en het wel allemaal vredesmissies, en moet je wel een tentoonstelling maken van beeldende kunst met oorlog als thema? Kan schoonheid wel worden verbonden aan geweld en ellende? De discussie over ethiek, esthetiek en beeldende kunst is bijzonder actueel. Zie bijvoorbeeld de recente discussie over de provocatieve film Episode 3 van Renzo Martens [1] Ook in aanloop van de tentoonstelling werd er tijdens een bijeenkomst van de kunstenaars onderling flink gediscussieerd, naar ik heb vernomen.

Beautiful Misery

Bij het zien van de werken van Hanneke Breuker moest ik denken aan een serie van Rob Birza uit 2006 met de titel Beautiful Misery. De serie bestond uit gewassen pentekeningen in zwart-wit met oorlogsfoto's uit dagbladen als inspiratiebron. De esthetische kracht van de tekeningen was wat mij het meeste trof. Maar daarna kwam het schuldgevoel: mocht ik wel genieten van zulke mooie tekeningen van rouwende vrouwen waarvan de bloemmotieven van hun kleding de meeste aandacht trok? En natuurlijk de verontwaardiging: hoe kan een kunstenaar zo ongeëngageerd met geweld omgaan. Volgens Laura van Grinsven laat Birza, juist door het benadrukken van hun schoonheid, ruimte om de beelden werkelijk te ervaren. [2] Of ze daar nu wel of geen gelijk in heeft, feit is dat de tekeningen een enorme impact hadden, een impact die een gewone krantenfoto niet meer kan bereiken. Hetzelfde effect treedt op bij de schilderijen van Breuker. Schoonheid kan ontroeren, je meeslepen zonder sentimenteel te worden. Bijvoorbeeld een schilderij met boven een helikopter en onder drie ruiters, twee tijdperken in een beeld. De schilderijen van Breuker gaan verder dan de geësthetiseerde ellende van Birza. Zo krijgt een landschap met molens een heel andere betekenis na lezing van de toelichting van de kunstenaar: (zaag)molens zorgden dat er schepen gemaakt konden worden, die weer ingezet werden om oorlog te voeren. Een lieflijk landschap wordt oorlogsfabriek.

Fleurs du Mal

De textiele werken van Helga Schumann die vlakbij de ingang hingen komen in eerste instantie over als aaibare driedimensionale quilts. Maar van dichtbij domineren de geborduurde voorstellingen het werk. Onder andere kindertekeningen met bloedvlekken. Hier gaat iets goed fout. En dan de titel erbij: It's Okay, it's okay! De bezwering, tegen beter weten in, die uitgaat van de herhaling in deze zin. Het is natuurlijk helemaal niet Okay. Jammer dat op de grond een grote rode nogal theatrale plas bloed ligt. Dat heeft het werk helemaal niet nodig.

Ook de collage van de in Portugal geboren Isabel Ferrand werkt op twee afstanden. Van een ruime afstand doet het werk decoratief en kleurrijk aan en lijkt het een mozarabisch tegeltableau. Van dichtbij blijken de vormen opgebouwd uit papieren soldaten. De vader van Ferrand had een enorme verzameling van deze papieren versie van de tinnen soldaatjes. Na zijn dood erfde Ferrand deze opmerkelijke verzameling. Nu dansen de soldaatjes naar de pijpen van de kunstenaar en worden het bloemen of prachtige arabesken. Fleurs du Mal wel te verstaan, vleesetende bloemen.

The Love of the Money is the root of all evil

De techniek van spuitbus en sjabloon in de werken van Hugo Kaagman is geëigend om als gereedschap te dienen van de tegencultuur. In de jaren 70 werd de techniek veelvuldig gebruikt om snel een boodschap op de muur achter te laten. Nu zijn sjabloon en spuitbus het handschrift van Kaagman geworden. De techniek blijft die anarchistische angel houden, hoewel er steeds meer kleur verschijnt in zijn politieke pamfletten. Tekst en beeld vormen een eenheid. De tekst heeft hetzelfde tempo als het beeld: oneliners als “The Love of the Money is the root of all evil” worden gecombineerd met vormen die vaak alleen uit silhouetten bestaan.

Midden in de benedenzaal staat een tank die is opgebouwd uit kippengaas en eierdozen. Mooi hoe het gaas als metafoor fungeert voor de kip. Anne Verhoijsen is met hulp van Mickey de Roy van Zuydewijn verantwoordelijk voor deze installatie. Uit de buik van de tank komen flarden van gesprekken van een oorlogsveteraan, ervaring en avontuur spreekt uit zijn stem. Eierdozen refereren naar isolatie en afsluiting maar de stemmen van de helden gonzen er dwars doorheen. De doos biedt bescherming voor het ei, een soort extra pantser. Maar het ei zelf is een antiek symbool voor zowel het leven als de dood: bij de Etrusken werd de dode vaak afgebeeld met een levensei in de hand, verwijzend naar het tweede leven na het aardse bestaan.

D'où venons-nous, Que sommes-nous? Où allons-nous?

Jacolien de Jong is met twee zeer uiteenlopende werken vertegenwoordigd in de tentoonstelling. Een monumentale tekening en een project dat meer de vorm heeft van een geëngageerde happening met publieksparticipatie. De tekening heet een afmeting van meer dan negen meter in de breedte en drie meter in de hoogte. Het roept herinneringen op aan het symbolisme van eind 19e eeuw, met name één werk van Gauguin. Zelfs de titel van het werk, En God dacht dat het goed was, herinnert aan Waar komen wij vandaan, wie zijn we? Waar gaan we heen? van Gauguin. Beide werken zitten vol religieuze symboliek. Nu is er niets mis met het gebruik van symbolen, maar het in werk van Jacolien wordt het wat mij betreft te twee dimensionaal. Zelfs pathetisch, waardoor het geheel als een karikatuur overkomt. Zo liggen de referenties naar Abu Graib er echt te dik bovenop.

In het andere project met de titel Berichten aan Onze Jongens nodigt de Jong de bezoekers uit om een originele gedachte of persoonlijke boodschap aan onze jongens te sturen in Camp Hadrian, Uruzgan, Afghanistan. Staat het bericht eenmaal op papier dan neemt het de vorm aan van een vliegtuig. Je stuurt het de lucht in en het vliegt naar Afghanistan. Na afloop van de tentoonstelling krijgen Onze jongens in Uruzgan deze groeten uit Kunstliefde daadwerkelijk te lezen. Een geëngageerd project dat direct reageert op de titel van de tentoonstelling en de toeschouwer dwingt tot een keuze: wel of niet doen. Uiteindelijk ziet het er ook mooi uit, al die gevouwen boodschappen netjes gerangschikt in een groot transparant plastic vel met vakken.

Voltreffers

De meeste indruk op mij maakten de installaties van Almir Dervišević. Dervišević is een Bosnische kunstenaar en dat maakt hem tot een direct betrokkene. Hij is als geen ander op de tentoonstelling in staat om de schok van het onmenselijke weer te geven. In 2003 schreef Frits Abrahams in zijn column in de NRC al over een indrukwekkende installatie van Dervišević.[3]

“Ik trof hem gisterenmiddag op het Plein voor de Tweede Kamer waar hij een eenmansdemonstratie hield. Almir is een 30-jarige Bosnische kunstenaar, die een indrukwekkend kunstwerk op het Plein had neergezet: een metershoge berg, bestaande uit 8.000 afgedankte spijkerbroeken waaruit een jong appelboompje stak.

“Die broeken hadden om de benen van de vermoorde mannen van Srebrenica moeten zitten, en het boompje stond voor 'het kind' dat daar is achtergebleven.” Ook nu weer schiet hij raak. Zo ook met de installatie: Op een deur staat met grote blokletters onder andere “Welkom Srebenica” en “Open Door”. Als je het laatste doet beslaat het hele deurvlak een opgeblazen foto van vele identieke doodskisten. Minister president Balkenende verwoordde het destijds zo: we zijn medeverantwoordelijk, maar niet schuldig. Met andere woorden, we kunnen gewoon gaan slapen. Maar na het zien van de installaties van Dervišević gaat me het slapen toch niet zo gemakkelijk af.

Onze Jongens, Kunstliefde, Utrecht, 3 januari t/m 1 februari 2009  

www.kunstliefde.nl

 

 

 

 

 

 

 



[1]              Renzo Martens film Episode 3.  In deze provocatieve film laat Martens de cynische machinaties zien die schuilgaan achter de manier waarop westerse persbureaus en hulporganisaties te werk gaan in Afrika. Martens neemt stelling tegen de nepbetrokkenheid van het systeem, zonder het morele gelijk te claimen. Hij gaat zelf ook niet geheel vrijuit als hij jonge Afrikaanse fotografen leert dat ze armoede, oorlog en ellende moeten zien als een soort natuurlijke hulpbronnen, als bron van inkomsten. Met als slogan Enjoy poverty!

[2]              “Juist omdat de beelden niet direct een betekenis hebben, door ze niet als representatie van een werkelijke gebeurtenis te presenteren maar juist hun schoonheid te benadrukken, geeft Birza ons de ruimte de beelden werkelijk te ervaren. De verinnerlijking van de vormen heeft ons ze zelf laten benoemen en daarmee zijn ze gekoppeld aan onze eigen ervaringen, ze zijn verinnerlijkt. De betekenis wordt ons niet gegeven maar ontstaat door onze eigen invulling. Dit in tegenstelling tot de krantenberichten, die meteen duidelijk zijn en door ons gecategoriseerd kunnen worden. Deze roepen dan ook nauwelijks nog emoties op, omdat we ze niet ervaren.” Laura van Grinsven in voorwoord tentoonstelling Fons Welters Gallery 2006

[3]  Verschenen op 19 juni 2003 NRC titel “Blij”

Comments