Pieter Engels

Pieter Engels. Een Rolls Royce met blikschade

Was Pieter Engels zijn tijd vooruit met subversieve acties, het cultiveren van een imago en het kiezen van zakelijke presentatievormen. Of maakte hij simpelweg deel uit van een ludiek tijdperk? Museum Jan Cunen draagt een tentoonstelling op aan het fenomeen Pieter Engels, die zich als ‘rrrolls-royce among artists’ laat aanduiden.

Door Antonie den Ridder

In 1971 schreef Engels een brief naar de toenmalige minister van cultuur, Marga Klompé, waarin hij het Koninkrijk der Nederlanden het aanbod deed om in ruil voor het luttele bedrag van 25 miljoen gulden levenslang af te zien van beeldende activiteiten. Het is een interessant concept om evenzeer aan het bestaan van kunstwerken als aan het niet bestaan ervan een prijskaartje te hangen. Doorgetrokken naar de werkelijkheid van vandaag levert dat interessante parallellen op. Stel dat het maken van een bepaalde film door een zekere politicus af te kopen was geweest voor een bedrag van 25 miljoen euro. Zouden daar dan geen voorstanders voor geweest zijn? Toegegeven, een noodzakelijk ingrediënt voor het succesvol opeisen van een losgeld, is het bestaan van een reële dreiging. Wanneer Pieter Engels dreigt met werkstaking roept dat het beeld op van een bokser, die dreigt zichzelf knock-out te slaan in de wedstrijd bij onvoldoende kaartverkoop. Wandelend door de tentoonstelling in Museum Jan Cunen dringt de gedachte zich op, dat de grens tussen echt en virtueel flinterdun is. Stel dat men in 1971 ruimhartig naar de portefeuille had gegrepen als respons op het curieuze aanbod van Engels?

Destructie en afwezigheid

De tentoonstelling toont ons de dubbelheid van de kunstenaar die ondanks zijn aversie tegen de kunstwereld zich toch geroepen voelt om kunstwerken te maken. Stoelen en deuren worden vindingrijk gedemonteerd en tot disfunctionele objecten getransformeerd. Ook toont ze de kunstenaar als provocateur, die zich richt op een publiek met sadomasochistische trekjes. Die bitterzoet aanbiedt om tegen betaling de auto van de cliënt te beschadigen. Of hen een paar elektrische schoenen presenteert, die zelfdoding tot spektakel weten te verheffen. De acties van Engels worden echter geobjectiveerd, doordat de kunstenaar zich consequent weet te verhullen. Achter het imago van dandy, achter onuitsprekelijke firmanamen zoals ETI(FRISBB) en achter lege reclametaal, waarbij alles als nieuw, mooier en beter gepresenteerd wordt. De kunstenaar stelt zijn persoon pregnant centraal in de presentatie en blijft tegelijkertijd onzichtbaar. Zo zien we, hoe Engels probeert om afwezigheid tot zijn meest opvallende handelsmerk te maken. Hij definieert de ruimte, waarin een kunstwerk van hem had kunnen staan en deze potentiële en hoogst virtuele aanwezigheid krijgt prompt de glans aan van begeerd kunstwerk. Al doende realiseert Engels de droom van iedere ondernemer een niet-bestaand product op de markt te brengen. Verkrijgbaar in onuitputtelijke voorraden en met maximalisering van de winsten. Engels speelt zijn dubbelspel met kunst en economie en hij laat subtiel in het midden of het hem ernst is. Want in hoeverre bepalen middelen het doel, wanneer je op basis van misleidende identificatie reclameslogans inzet? Engels maakt uiteindelijk kunst, die over kunst gaat. Die claustrofobische hoedanigheid maakt iedere confrontatie met de echte wereld tot een onbestaandheid, een illusie.

Wilt u het hele artikel lezen, neem dan een abonnement, of vraag een proefnummer aan.

U kunt ook in onze rubriek 'Extra artikelen' een tekst lezen die Franck Gribling uitsprak bij de opening van de tentoonstelling Pieter Engels. A random choice of works. 1960 – 2010 in LOCUS SOLUS, Antwerpen.

www.museumjancunen.nl


Comments