Redactioneel 2#2018

Redactioneel

 

Op 27 maart jl. vond in Nest, Den Haag, een netwerkbijeenkomst over het gevorderd kunstenaarschap plaats. Aanleiding was de presentatie van het essay Oude Meesters – de actualiteit van het gevorderde kunstenaarschap. Leo Delfgaauw schreef dit essay in opdracht van het Mondriaan Fonds (zie een bespreking hiervan in de boekenrubriek van Beelden 1#2018). 

Diverse sprekers belichtten op deze netwerkbijeenkomsto.a. hoe en waarom oudere kunstenaars met de jaren minder aandacht krijgen en het nut van kennis overbrengen op jongere kunstenaars. 

Minder aandacht gaat gelijk op met het verdwijnen van het netwerk van de kunstenaar. De leeftijdsgenoten van de kunstenaars: galeriehouders, museummedewerkers en kunstadviseurs worden ook ouder en stoppen met werken of komen te overlijden. Plekken om jouw werk te laten zien en te verkopen, verdwijnen op deze manier. 

Delfgaauw betoogde dat kunstenaars niet met pensioen gaan. Niet alleen omdat ze het maken niet kunnen laten, maar ook omdat ze het geld nodig hebben. Woody van Amen (1936), eveneens aanwezig op deze bijeenkomst, beaamde dit “Als je je werk niet laat zien, besta je niet. De dingen die ik heb gemaakt, ‘dat ben ík’ zou je kunnen zeggen. En de schoorsteen moet natuurlijk ook gewoon roken.”

Rob van Koningsbruggen (1948) stuurde uit frustratie, nadat zijn werk minder in trek was, rond de eeuwwisseling, een ansichtkaart de kunstwereld rond met de tekst “In Nederland bestaan drie soorten kunstenaars: jonge, dooie en buitenlandse.” 

Galeries kijken graag naar wat de nieuwe lichting van de kunstacademies oplevert. Zij storten zich ‘massaal’ op de jonge, opkomende generatie kunstenaars. Hun prijzen stijgen na de eerste successen al snel boven die van oudere kunstenaars uit. Na het 35steof 40stejaar worden kunstenaars minder aantrekkelijk gevonden en komt de focus op weer een nieuwe generatie te liggen. 

Kunst komt voort uit de behoefte van de maker, maar je wilt wel gezien worden. Van Koningsbruggen is inmiddels over het dode punt heen en de aandacht voor zijn werk trekt weer aan. Echter dat geldt niet voor veel andere oudere kunstenaars. Het podium voor hun werk is verdwenen. In principe zou leeftijd voor kunst niet belangrijk moeten zijn.Als het werk interessant is, doet het er niet toe hoe oud de kunstenaar is. 

Ik vind het een goed idee als er naast de al bestaande Wilhelminaring, een oeuvreprijs voor beeldhouwers boven de 50 jaar, via publicaties en tentoonstellingen extra aandacht aan deze groep beeldend kunstenaars besteed gaat worden.

 

Leo Delfgaauw denkt dat oudere kunstenaars hun jonge collega’s veel te bieden hebben. Zij beschikken over een schat aan ervaringen die aan jongere generaties doorgegeven kan worden. Dat de verschillende generaties elkaar moeilijk kunnen vinden lijkt nu een probleem.

Het Mondriaan Fonds heeft vanuit het gebrek aan contact tussen de generaties een aantal programma’s opgezet om daar iets aan te doen. De Meester-Gezelregeling is er daar één van. Een regeling waarbij oudere en jongere kunstenaars aan elkaar gekoppeld worden. Zo zijn er mogelijkheden voor mid-career kunstenaars die door de samenwerking met een jongere collega hun praktijk willen verdiepen. Of die zelf ervaring willen opdoen bij een vakgenoot. Delfgaauw betoogde dat de levensloop en loopbaan van gevorderde kunstenaars voldoende voorbeelden bieden van ontwikkeling en ontplooiing die jongere kunstenaars tot inspiratie kunnen zijn. Hij bepleitte dat de kennis van oudere kunstenaars meer zou kunnen worden ingezet voor masterclasses in het kunstvakonderwijs.

Ik kan mij indenken dat naast de Meester-Gezelregelingen de masterclasses er mentor-poolen op diverse plekken in het land worden opgezet om oudere en jongere kunstenaars met elkaar in contact te brengen om kennis en ervaring te delen.  

 

John Blaak

Comments