Making is Thinking

Making is Thinking  


Door Astrid Tanis


Dit moet een grap zijn zegt mijn vriend die een cryptische tekst op een vers in de bus gevallen uitnodiging aan mij voorleest. De tekst luidt: ‘De tentoonstelling presenteert een collectie werken die ingaat tegen de binaire oppositie van concept en vorm en probeert zo de hardnekkige dichotomie tussen praktijk en intellect te overbruggen’.  “Dat is geen grap” antwoord ik als ik zie dat de uitnodiging van Witte de With in Rotterdam komt; een kunstruimte die zichzelf bijzonder serieus neemt. Ik kijk naar de titel van de tentoonstelling
Making is Thinking. De titel bevalt me, het zijn de subteksten die voor ontoegankelijkheid zorgen. Op de achterkant van de uitnodiging staat dat de groepstentoonstelling uiteenlopende kunstpraktijken verkent, rond de noties van conceptuele nijverheid en intuïtieve industrie.  Dit vind ik echt onnodig moeilijk doen; betekenis van nijverheid en industrie overlapt elkaar. Houd het simpel als je een brede doelgroep wil bereiken en schrijf in plaats van deze omslachtige zin gewoon; conceptuele- en intuïtieve nijverheid, of om het wat eigentijdser te laten klinken; conceptuele- en intuïtieve productiviteit of zelfs arbeid; dat dekt de lading prima. Ik vrees echter dat ‘gewoon’ juist dat is wat met talige kunstjes vermeden wordt. Ze zullen je toch eens als ‘gewoon’ betitelen, daar heb je geen dikke studie voor gedaan. Of erger nog; je zult toch eens een ‘gewoon’ publiek trekken.

Terug naar de voorkant van de uitnodiging. Het kost enige tijd om de betekenis van de tekst op de uitnodiging te ontrafelen, maar zelfs dan blijft het volslagen onzin. Op het meest toegankelijke niveau: ‘de tentoonstelling presenteert een collectie werken’ kun je opmerken dat een tentoonstelling niets kan presenteren, dat doen de tentoonstellingsmakers of kunstenaars. Dit kun je natuurlijk taalkundig muggenziften noemen en daar ben ik het zelfs een beetje mee eens. Iedereen weet bij zo’n zin wat er bedoeld wordt; daar hoef je niet voor gestudeerd te hebben. Veel belangrijker zijn de grote hoeveelheden woorden die voor het overgrote deel van de Nederlandse bevolking volstrekt onbegrijpelijk zijn. Neem bijvoorbeeld de woorden ‘de binaire oppositie van concept en vorm’, wie kan daar chocolade van maken? “Zal het 1% van de Nederlanders zijn die dit begrijpen”, vraag ik mijn vriend. Hij maakt een snelle rekensom; “Teveel” zegt hij, “dat zouden dan nog 165.000 personen zijn”. “Laten we het dan op 0,01% houden” besluit ik; “1.650, dat is nog teveel”, zegt mijn vriend met een frons op zijn gelaat. “Laten we dan de mensen die het niet begrijpen, maar zich wel laten imponeren door dit geraaskal meerekenen”, antwoord ik; “van die groep moeten ze het tenslotte van hebben”. 

 


Structuralisme

Wat betekent ‘binaire oppositie’ eigenlijk? Het begrip komt uit de filosofische stroming het Structuralisme, het betekent twee termen die elkaar uitsluiten en tegelijkertijd in relatie tot elkaar betekenis krijgen. Het klinkt lekker filosofisch maar niet van toepassing voor de begrippen ‘concept’ en ‘vorm’. Voorbeelden van zuivere binaire opposities vormen de begripparen ‘zwart en wit’, ‘donker en licht’ of ‘lang en kort’.  ‘Concept’ en ‘vorm’ zijn van een andere orde. Ze hebben onafhankelijk van elkaar een eigen betekenis en sluiten elkaar zeker niet uit. Met betrekking tot kunstwerken durf ik te beweren dat concept en vorm doorgaans geen tegenstellingen zijn maar complementair. De beste kunstwerken dragen namelijk een sterk concept en een sterke daarbij passende vorm in zich. Als het evenwicht tussen de twee zoek is, heb je minder goede kunst.  Een concept zonder vorm wordt in de kunst een ongerealiseerd werk genoemd. De kunstenaar is dan als het ware in het concept blijven steken. Vorm zonder concept zie je doorgaans bij amateurkunst. Bij geslaagde kunstwerken gaat het niet om oppositie, maar juist om verbinding en evenwicht tussen concept en vorm.

Dichotomie

De woorden ‘de dichotomie tussen praktijk en intellect overbruggen’ vormen de volgende (on)zin op de uitnodiging. ‘Dichotomie’ betekent alweer tweedeling, en wel in afzonderlijke delen. Wil je met je werk als internationaal werkend kunstenaar in Witte de With komen dan is er beslist geen scheiding tussen praktijk en intellect, je moet naast getalenteerd, zowel praktisch en slim zijn om tussen de veelheid aan kunstenaars op te vallen. Als er al een dichotomie overbrugt dient te worden dan is het de scheiding die ontstaat door onbegrijpelijke teksten waardoor de praktijk van de kunst vervreemd van de samenleving. 

Begrijp me niet verkeerd, ik ben niet tegen kunstfilosofie of kunsttheorie, ik heb er zelfs met veel plezier enige jaren studie aan besteed. Waar ik wel tegen ben is misplaatst gebruik van deze academische fenomenen. Filosofen gaan in op details en onderzoeken een bepaald veld vanaf een metapositie. Ze schrijven dit op in dikke boeken om nuances aan te brengen en een onderwerp volledig te doorgronden. Structuralisten doen dit vanuit een talige positie. Filosofische boeken zijn duur omdat er slechts een klein publiek voor bestaat; doorgaans alleen vakgenoten. 

Witte de With heeft een missie en krijgt daar een subsidie van 2 miljoen per jaar voor, dat is contemporaine kunst tonen. Zelf zeggen ze hierover op hun website “Witte de With blijft het als zijn opgave zien om de nieuwste ontwikkelingen te tonen en toe te lichten zonder concessies te doen aan hun aard, maar daar wel een zo groot mogelijk publiek mee te bereiken”. Ik moet toegeven dat Witte de With het eerste deel van deze missie waarmaakt, ‘het tonen van de nieuwste ontwikkelingen zonder concessies te doen’, en daar sta ik ook volledig achter. Het tweede deel van de missie “een zo groot mogelijk publiek bereiken” lukt vast niet met uitnodigingen als deze. 

De taak van de tentoonstellingsmakers en medewerkers is de soms moeilijke nieuwste ontwikkelingen in de kunst te vertalen naar een breder publiek; zeg maar toegankelijker maken. Je bent dit verplicht aan zowel de kunstenaar als aan het publiek. 

Je komt niet met je kunstwerken uit Brazilië, Frankrijk, Duitsland of elders, om door bijna niemand gezien te worden. Een dikke subsidie krijg je zeker niet om alleen vakgenoten te plezieren via cryptische uitnodigingen; dat noem ik misplaatst. 

Een nevenprogramma voor een klein publiek met filosofische en kunsttheoretische lezingen of discussies naast de gangbare tentoonstelling geeft meerwaarde, dat zeker. Deze uitnodiging lijkt echter te zeggen: ‘kom niet, dit is een feestje voor ingewijden en vakbroeders’. De uitnodiging geeft mij sterk het gevoel van kunst als nevenprogramma dat slechts dient ter illustratie bij structuralistische hoogmoed van te erudiete tentoonstellingsmakers. Tentoonstellingsmakers die er vervolgens alles aan doen zoveel mogelijk ‘gewone’ mensen buiten de deur te houden.

Tentoonstelling

Als ik op een middag mij toch niet kan beheersen, voel ik bij het binnenstappen in Witte de With een bepaalde weerzin en vermoed ik dat ik veel gebakken lucht te zien zal krijgen. Het tegendeel blijkt waar, de meeste kunst zelf blijkt wonderlijk toegankelijk. Al bij het eerste kunstwerk voel ik die klik die ik soms ervaar als kunst mij raakt. Een uit zwabberkoppen geknoopte installatie van Alexandre da Cunha vult de ruimte. Da Cunha houdt van prefab materialen lees ik. Naar de animaties van Hedwig Houben kijk ik met genoegen en bij haar werk ervaar ik dat de titel van de tentoonstelling Making is Thinking speciaal op haar werk slaat. Je hoort bij de videobeelden de kunstenaar denken terwijl ze haar werk schept. Slechts bij twee van de veertien kunstenaars denkt mijn kritische geest ‘onder de maat’. Zoals ik al verwachtte, loop ik alleen door de zalen van dit bastion van esthetisch genoegen en talige ontoegankelijkheid. Een gemiste kans voor deze kunst die meer aandacht verdient. Rondkijkend en met de uitnodiging in gedachten ervaar ik ‘een zo groot mogelijk publiek bereiken’ als loze woorden. De werkelijke missie lijkt een ‘zo hoog mogelijke talige drempel op te werpen. Als ik om me heen kijk durf ik te zeggen ‘missie geslaagd’.
Comments